vorige pagina - terug naar index - verder lezen
1974, Kievitstraat 26, Poelpolder Lisse.

Je bent van haar en komt niet meer van haar af!

Mijn gedrevenheid en nieuwsgierigheid werden gevoed in de vier jaren van wachten… op wat? Dat wist ik niet goed. Als je enkel de geborgenheid, het vertrouwen en de zekerheid uit het tehuis hebt gekend, weet je ook niet wat je mist. Bij jullie drie zag ik wat ik vier jaar heb moeten missen: De ontroering, al dat gefriemel en geknuffel. Dirkje die de hele tijd half naakt door het huis loopt met alleen z'n laarsjes aan en doet alsof alles van hem is. Maar dat is dus iets wat jullie met z’n drieën hebben beleefd. Daar hadden jullie mij niet bij nodig. Mijn verlangen naar de zo nodige bevestiging en erkenning, dat al vroeg gefrustreerd raakte, maakt me mensenschuw en onzeker. Maar eenmaal weg van de Valkenierslaan begon ik elke dag vol verwachting en enthousiasme. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik een achterstand heb en veel moet inhalen. Sinds ik weg ben uit Breda ben ik nieuwsgierig en gemotiveerd, wil iedereen behagen en ook met iedereen vrienden worden.
Dat gaat dus niet altijd goed.
Wat ook steeds duidelijker wordt, is dat het allemaal om jou draait. Jij eist elke dag alle aandacht op. Je lijkt te worden gedreven door de vrijheid die je voelde na de halfslachtige breuk met je familie, na de jarenlange mishandelingen door je moeder en je zus. Een jeugd zo zeg je, die je geregeld in het ziekenhuis hebt doorgebracht. Maar echt vrij, schijn je nog niet te zijn. Het trauma dat je hebt opgelopen infecteert het leven van alle dag, ons leven, elke dag. Het verklaart wel een beetje waarom je ons zo heftig opvoedt.

Ik voel geen band met haar en de mate waarin ze beslag op me legt als “moeder” doet me het ergste vrezen. Alleen als ze net zo lief doet als de zusters in Breda, maakt ze kans dat ik haar aardig ga vinden. En ze moet al helemaal niet boos doen. Het liefst ontloop ik haar de hele dag.
Waarom houdt Bart van haar? Het kruisteken dat ze ons elke avond op ons voorhoofd geeft voor het slapengaan, voelt als een brandmerk. Een teken dat ik van haar ben en niet meer van d’r af kom. “Ik heb je negen maanden in me gedragen hè!” Hoorde ik haar laatst zeggen. Dat heeft ze allemaal voor me over gehad. Ben ik daarom vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week inzetbaar voor al je klusjes? Je lijfeigene, medeverantwoordelijk voor de goede naam en het beeld dat van het gezin naar buiten toe in stand gehouden moet worden? Ik voel me gedurende het verstrijken van de tijd, steeds meer terugschieten in de wachtmodus. Vier jaar heb ik gewacht in Breda, vier jaar in Wageningen, nu moet ik ook dit nog allemaal doorstaan. Van binnen denk ik de hele tijd dat ik alles moet onthouden voor later. Mijn geheugen loopt over van onverwerkte gebeurtenissen. Vaak denk ik: Dit vergeet ik nooit! Maar ook steeds vaker: Dit vergeef ik jullie nooit!
Ze wil dat ik een dagboek ga bijhouden, helemaal privé en alleen voor mezelf. Maar ik weet dat ze erin zal lezen om enige hoogte van me te krijgen. Ze heeft al veel verkeerde dingen voor me beslist, maar dit zal mijn redding in donkere tijden zijn. In het begin houd ik er nog wel rekening mee dat iedereen het kan lezen, later is alle schroom verdwenen en kan het me niets meer schelen.

Net na mijn achtste verjaardag in 1974 verhuist Bongers ons van Wageningen naar Lisse.
De cabine van de verhuiswagen was zo groot dat we er allemaal in konden. Maar dat was dan ook het enige leuke van die dag. Afscheid nemen van De Nude, waar ik mijn eerste “vrijheid” heb beleefd en allemaal nieuwe mensen heb leren kennen, valt me zwaar. Voor we de verhuiswagen in kropen, ben ik nog even achter bij ons de buurt in gelopen om alles goed in me op te nemen. Ik hoef niet zo nodig weer ergens anders opnieuw te beginnen, maar heb hierover ook niks in te brengen natuurlijk. We verhuizen naar de familie van vader in de Bollenstreek in Lisse. Vaders reistijd wordt een stuk korter en moeder wil veel liever deel uitmaken van zijn familie. Van haar eigen familie in Druten moet ze na Wageningen helemaal niets meer hebben.
Toen we aankwamen bij ons nieuwe huis op de hoek van de Kievitstraat en de Leeuwerikstraat in de Poelpolder zag ik voor het eerst onze nieuwe buurt. Allemaal eengezinswoningen, vijfentwintig adressen in onze straat, vijfenzeventig in een vierkant achter ons met een speelplaats en garages op de binnenplaats. De buurt was net als ik van het bouwjaar 1966. Een slaapdorp voor forensen. Werknemers van de Shell en Schiphol. Wij waren de tweede kopers die het huis betrokken. Als we het portier van de hoge verhuiswagen openzwaaien, zien we dat we worden opgewacht door een neefje en een nichtje van ons, Dennis en Tanja, de kinderen van ome Arie en tante Tiny. Zij wonen hier om de hoek in de Leeuwerikstraat. M’n broertje en ik krijgen een rondleiding door de buurt als de verhuiswagen wordt uitgeladen. De vorige bewoners, waarvan de vader zoals meer gezinnen in de buurt bij Shell werkte, hadden het een en ander laten staan waar we dankbaar gebruik van maken. Een mooie, grote eettafel, meubels en de lelijke luxaflex hingen er ook nog. Moeder nam natuurlijk wel even op zolder de doos met spullen van de vorige bewoners in beslag die vol zat met duur speelgoed van de shell-kindertjes. Dat was natuurlijk te mooi voor Dirk en mij, alsof wij dat nog niet op waarde wisten te schatten. Ik heb nooit veel speelgoed gehad, ben ook helemaal niet bezitterig en al van jongs af aan gewend altijd alles te moeten delen. In Wageningen heb ik zelfs een keer al m’n speelgoed weggeven aan iemand die niets had. Maar goed, “pappa en mamma” zijn natuurlijk zelf ook nog maar 25 en 26. Dirk en ik komen hier weer met z’n tweeën op één kamer terecht en slapen nu in een tweepersoons opklapbed, dat stond er ook nog. Later komt er een stapelbed voor ons.

Goed, het is een groter huis met tuin en schuur, maar dit is toch wel de eerste keer in m’n leven dat ik me bewust word van de vermoeidheid, de neerslachtigheid na al die jaren in de Nolensstraat. Ik ben depressief, want ik blijf somber en met de dag banger voor haar. De bejegening van moeder was de afgelopen jaren al een oefening in onderdanigheid en onderwerping, maar dit kan ik er niet bij hebben. Het vooruitzicht op weer een nieuwe buurt en school. Weer nieuwe mensen en nieuwe risico’s. Het maakte me ongerust. Tijdens confrontaties met haar word ik ook nauwelijks gesteund door Bart. Ik moet alles in m’n eentje ondergaan. Hij weet niet half hoe erg ze is als hij weg is. Alsof zij mij mag opvoeden en hij enkel de zeggenschap heeft over m’n broertje. Tja, je bent van haar hè, en ze heeft me niet laten zitten in het kindertehuis. Ben je daar dan niet dankbaar voor? Als Dirkje iets verkeerd doet is het grappig en leuk, maar als ik wat verkeerd doe, denk ik niet goed na en is het dom. Ik draai mee in het gezin, maar voel me een buitenstaander. Mijn functioneren staat de hele tijd ter discussie en ik doe het nooit goed. Door de luchtigheid en nonchalance waarmee ik mezelf probeer te beschermen tegen haar zwartgalligheid, wordt me vaak verweten dat ik naïef ben en domme antwoorden geef. Ik kan mezelf snel verliezen in m’n fanatieke pogingen lief, optimistisch en voorkomend te zijn. Het wordt steeds moeilijker om haar blij te maken en tevreden te houden. Ze heeft me, in een poging haar maar niet bozer te laten worden, wel eens schijnheilig genoemd.
Waarom word ik met haar alleen gelaten? Dan is ze het ergst.

Hier moet ik ook weer gewoon boodschappen doen en als ze zonder zit, later nog terug voor sigaretten of drank. Ik kan dat boodschappenlijstje wel dromen: 2 Camel Filter, 1 Robertson Port Rood (ze heeft bloedarmoede en de dokter, zo zei ze, raadde haar aan rode port te nemen), een doosje met 5 rolletjes menthol Rang, 300 gram half-om-half gehakt, 250 gr. jongbelegen kaas.
De vrouw van de slijterij zag ik vaak en die bewaarde al het reclame materiaal voor me. Op m’n kamer had ik dan een reuze fles Port staan en een nog grotere, glimmende fles Vieux. Wat was ik trots op mijn karton, want van ma kreeg ik er niets voor.
Die zei laatst: "Wat is daar nou zo raar aan, je eet toch ook mee in dit gezin? Dan kun je ook de boodschappen doen! (ja, inclusief jouw alcohol en sigaretten dan)

Ik ben acht jaar en ga nu naar de Van Zwanenburgschool. Niet in deze buurt natuurlijk, hier op de Ooievaarschool een blok verder, maar in een wijk die helemaal bij de waterzuivering ligt aan de Ringvaart. Het einde van het dorp bij de flats. Want katholiek. Op deze school krijgen we dan dus ook catechismus van pastor G. en gaan we binnenkort onze eerste communie doen. Ik zie er enorm tegen op. Heb het gevoel dat ik overal alleen voor sta.
Ze heeft me (in het geheim) door Bart op laten halen uit Breda. Naar mijn eerste kleuterschooldag in de Nolensstraat ben ik alleen gegaan want dat was aan de overkant. Naar de St. Cuneraschool zei ze: “Loop maar met de rest mee, die er ook naartoe moeten”. Hier naar de eerste dag op de Van Zwanenburgschool is ze ook niet mee geweest.
Ze loopt naar iedereen te verkondigen dat ze de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van haar kinderen niet wil missen, maar dat geld alleen voor Dirk dus. Want die heeft ze met Bart.
Nu, naar m'n nieuwe school, loop ik bewust door de bosjes om maar geen andere mensen tegen te hoeven komen. Als ik op de juiste plekken oversteek, kan ik bijna de hele route ongezien door de struiken afleggen. Een keertje had ik me verslapen en was te laat. Ik ren de benen uit mijn lijf en ploegend door de bosjes vergat ik het prikkeldraad, waardoor ik met een rotklap voorover kukel. Bloedende knie, gat in m’n broek en onder het stof. Toen dat thuis opviel ben ik het over de stoep gaan proberen.

Op het schoolplein heb ik weer dezelfde moeite met contact maken.
Was ik in Wageningen nog verlegen: hier ben ik gewoon depressief en blijf het liefst zo onopvallend mogelijk ergens in de achtergrond staan. Berend van Aken is één van de eerste die me aanspreekt en me op m’n gemak stelt. Zo langzaam aan krijg ik ook steeds meer moeite met opstaan s’ochtends. Maar ik kan en wil niet blijven liggen, want alleen thuisblijven met ma is nog veel erger. Bart is om zeven uur s’ochtends al weg en pas om zeven uur s’avonds weer thuis. Het lijkt een doorsneegezinnetje waar pa blablabla en ma de hele dag blablabla, maar schijn bedriegt. De manier waarop ik bezig en kort gehouden word is ziekelijk. Ik blijf aangelijnd.

1975.
De kerk blijft een prominente rol spelen in ons gezin. Onze eerste communie en straks nog het heilig vormsel.
Moeder wil hier ook voor de positie van de vrouw in de kerk blijven strijden. Waarom wil ze zich naar binnen vechten in die wereldorde voor mannen die geen vrouw kunnen krijgen? Bang voor hun eigen lichaam zijn en voor de gevoelens die ze voor jongens koesteren. Zie je ze niet verlekkerd naar je zonen kijken? En ze zijn me toch vrouwonvriendelijk. De leegloop van alle kerken sinds de jaren zestig is een feit, maar Bep wil het allemaal lekker in stand houden, of nou ja… eigenlijk wil ze het overnemen en ze fantaseert wel eens hardop, over haar rol als eerste vrouwelijke pastor. Maar door de kontakten die zij nu met pastores onderhoudt gedurende haar “vrouw in de kerk” kruistocht ben ik nu dus ook ineens misdienaar. Waarom? Niemand in m’n klas kiest daar voor. Daar heb je geen leuke jongens moeder, alleen pastor G. die jongens leuk vind!
Dat wordt dus ook nog op maandag-, dinsdag-, en woensdagavonden na het eten door naar de kerk voor de avondmis van 19:15 en dan nog de grote gezinsmissen om elf uur op zondagen of een begrafenis. Bij speciale gelegenheden is er na de hoogmis wel eens een samenkomst in de pastorie met koffie, thee en limonade. In deze kamer vol lange zwarte jurken, gelardeerd met misdienaars wenkt Pastor G. je dan met een trotse blik, of je naast hem wil komen staan. Goedkeurend streelt hij je vervolgens over de schouders, je rug en met langzame draaiende bewegingen door naar beneden voor een laatste rondje over je billen.
En ik denk: “Dat u dat durft meneer pastoor… U weet toch wie mijn moeder is?” Verder eigenlijk alleen maar lieve, brave, vrome, godvrezende jongens.


Mamma rookt en drinkt wat in de achtertuin.

Oh, wat waren pappa en mamma trots toen ik in de week voor Pasen, de "Goede Week", het kruis mocht dragen bij de “Veertien Statiën”.
Ondertussen vereenzelvig ik mij, met het lijden van Jezus. Maar bij mij sloeg de onzekerheid al toe, toen ik bij m’n moeder werd geplaatst. Jezus is jarenlang een vrije gozer en een inspiratie voor velen geweest en bij hem kwamen de twijfels of hij de consequenties van zijn doen en laten wel aandurfde pas toen hij 33 jaar oud was. Hij had ook geen bemoeizuchtige, tirannieke moeder, waarschijnlijk.
Thuis bij het gebed voor de hoofdmaaltijd introduceert ma “de kring”, waarin we tijdens het avondgebed elkaars hand gaan vasthouden. Voor het “Onze Vader” wordt ingezet geeft ze dan, als ware ze de pastoor zelve, iemand het woord en verwacht dat je iets te melden hebt over de voorbije dag. Bart en Dirk doen kritiekloos mee en de clichés vliegen over tafel: "Dank voor deze mooie dag en wat hebben we het weer goed met z’n vieren (of vijven of zessen) en morgen zal ik nog meer m’n best doen." Gadverdamme, de hypocrisie is gewoon niet te harden. Voor mij werd er hier een verbondenheid gecreëerd die er niet was. Ik voelde het in ieder geval niet. Als ik straf had gehad of weer een week of langer voor iets moest boeten, dan zat ik s’avonds voor het eten ook nog eens vast aan haar hand. Verschrikkelijk om steeds met je beul te moeten heulen.

Elke dag als ik tussen de middag thuis kom van school voor de lunch, kom ik er ook moeilijk onder uit.
Je doet alsof je met ons wil spelen, maar je wil gewoon zelf vermaakt worden. Al die bord- en kaartspelletjes waar je ons mee bezighoudt. Het lijkt wel therapie voor jou. De vanzelfsprekendheid waarmee je aanneemt dat ik het wel leuk vind, is pijnlijk en gaat ten koste van m’n eigen rust. Ik ben er voor jouw vermaak! Schaken of dammen gaat nog wel, tenminste als je aan twee partijtjes genoeg hebt, maar er komen steeds meer spellen bij. Het is dan natuurlijk de bedoeling dat ik je niet te gemakkelijk laat winnen, want dat vind je zo onbevredigend. Als ik pech heb, zet je meteen weer de stukken goed en verwacht dan dat ik met een revanche gewoon wat beter m'n best doe.
Ook als ik iemand van school meeneem om buiten te gaan spelen, verleid je ze vaak tot een spelletje en zit ik boven op m’n kamer te wachten; “Die vrienden van jou hebben thuis geen moeder die aandacht voor ze heeft. Laat ze nou toch!” Zeg je dan vergoelijkend. Je gaat er prat op dat je er bent voor je jongens tussen de middag, met een kopje thee. Nou verder dan een kop thee, dat ik meestal ook nog zelf kon zetten, ging het niet hoor. Geen gedekte tafel, zoals bij tante Tiny in de Leeuwerikstraat. Bij ons wordt alleen met Pasen, Kerst en Nieuwjaar voor het ontbijt en de lunch de tafel gedekt.
Maar goed, je eigen ontbijt klaarmaken en meteen opeten in de keuken is altijd nog beter dan elke dag te moeten beginnen naast een rokende vrouw, die onaanspreekbaar is en last heeft van een ochtendhumeur. Naar buiten toe steeds het voorbeeldige plaatje en binnenskamers mag ze gewoon zichzelf zijn: slecht gehumeurd, ongemanierd, onhygiënisch, egoïstisch.

Maar wat nog erger is, ze is zo overtuigd van zichzelf en haar zorgkwaliteiten als moeder. Zelfs de kinderbescherming weet ze zover te krijgen dat ze pleegkinderen bij ons gaan plaatsen. Het gelukkige gezin dat wij zijn, daar mochten toch wel meer kinderen van genieten, dat konden we toch wel delen, die rijkdom die wij hadden?!? Dat is haar ideaal hè, een groot huis met een stuk of twintig kinderen. Ze had ze ook graag zelf op de wereld gezet, maar nog een zwangerschap zou ze niet hebben overleefd. In Wageningen had ze na Dirk een miskraam. Die avond herinner ik me nog omdat we haar opzochten in het ziekenhuis. In de auto ernaartoe viel me voor het eerst de volle maan op die, zo deed de chauffeur me geloven, aan een touwtje aan onze wagen vastzat en daardoor de hele tijd met ons mee reed. Het kindje bleek een meisje dat ze Maria had willen noemen. Er werd haar toen duidelijk gemaakt dat haar zwakke gestel niet nog een zwangerschap zou kunnen doorstaan. Van mij had Bart het risico wel mogen nemen.

Ik heb ze na Breda nooit meer gezien of gesproken eigenlijk. Mijn voogd, de Kinderbescherming. Maar met moeder hebben ze dus nog wel een relatie.
Ze hebben nooit door gehad bij wat voor psychisch wrak ik toen ben terecht gekomen. Ik genoot alleen de eerste vier jaar van m’n leven bescherming, op de Valkenierslaan. Bep lijkt iedereen om de tuin te leiden, ze heeft iedereen in haar zak. Het fanatisme waarmee ze wil bewijzen dat ze wel iets kan, is tenenkrommend, gênant en stress verhogend.

De eerste jongen die bij ons in huis kwam was Justus, maar die zag ik alleen tijdens het avondeten en hij bleef niet lang.
Henk Meeuwissen was geloof ik de tweede, of was Sandra er ook al? Sandra Gilkes is het langst gebleven en heeft ook Albert (Appie) Roso meegemaakt en Anita. Appie was een stoere knul met een tatoeage, hij kwam net als Sandra, uit “Huis ter Beek” het internaat aan de Heereweg in Lisse. Hij is één van de weinigen die meteen tegen m’n broertje en mij zei, omdat we nu broers waren, dat we altijd konden rekenen op zijn hulp, voor als we gepest werden. Met die jongen voelde ik me wel veilig in de buurt, maar dat was van korte duur. Appie was namelijk één van de eerste die in verzet kwam, toen ma tegen hem tekeer ging. Hij liet zich niet zo makkelijk kleineren en corrigeren. Bep op haar beurt, heeft nauwelijks door wat voor effect haar autoritaire aanpak op die knul had. Ze kon ons drie toch al jaren zonder enige tegenspraak, kleineren en vernederen? Ze heeft klaarblijkelijk geen idee waarom deze jongen doorslaat.

“Eus als er wat gebeurt zo, ga dan naar de moeder van Harm en vraag of ze de politie belt!”
Appie had namelijk z’n vrienden uit Huis ter Beek opgejut en die waren op hun brommers onderweg naar hier om wraak te nemen en dat mens een lesje te leren. Ik loop de achterdeur uit en wil meteen naar de moeder van Harm rennen. Maar moe zei net: “Als er wat gebeurt…” Dan moet ik dus onder ons afdakje bij de schuur gaan staan en blijven kijken of het goed gaat. Ik wil helemaal niet zien hoe het uit de hand loopt, maar blijf zenuwachtig wachten. Hier vandaan kan ik helemaal door het huis heen naar de voorkant kijken en enkele minuten later hoor en zie ik allemaal brommers aankomen. Ze nemen met z’n allen posities in op straat en op de stoep, laten de motor draaien en zwaaien met fietskettingen. Dan zie ik ma met een peuk in haar hand de voordeur uitlopen. Ze praat even met ze, waarna ik ze, tot mijn verbazing, één voor één achter haar aan mee naar binnen zie lopen. Ze heeft zich er toen goed uit weten te lullen met een glaasje fris voor iedereen en een sigaretje, maar Albert kon uit gaan zien naar een ander pleeggezin. Appie liet zich niet verbaal misbruiken en werd meteen opstandig en agressief. Mij was hetzelfde overkomen in de Nolensstraat maar ik was te klein om het te kunnen winnen van haar én ik moest blijven. Mijn “rugzakje” raakt daarom al aardig vol want ik houd het sinds die dag allemaal binnen, allemaal voor mezelf. Ik moet haar niet.

Na een jaar op de Van Zwanenburgschool te hebben gezeten, opende het nieuwe gebouw van OBS De Klarinet zijn deuren in onze buurt. Mijn broertje gaat naar hun kleuterschool en ik naar de basisschool, een stuk dichterbij huis. Berend en Marco, de twee vrienden die ik op de Van Zwanenburgschool heb leren kennen verhuizen mee naar De Klarinet.
Daar ging het van kwaad tot erger. Het pesten begon, maar ik genoot ook bescherming van de sterkste jongens in de klas als ze er waren; Christiaan Zuiderduin en Kees van Gerven, Marco van der Helm en Berend van Aken.
Yvonne Geerlings wordt ook gepest; zij is “het vlooienkind” in de klas!? Want ze heeft X-benen en is slecht met gym!? Zij staat daar ook als laatste in de rij om uitgekozen te worden, net als ik. We hebben een keer onwijze lol gehad met z’n tweeën. Yvonne was net zo ver als ik met de rekentaken. Achter in de klas tegen de wand aan stond een rij met allemaal op elkaar gestapelde groene en rode bakken, waar de opdrachten in lagen; groen voor taal en rood voor rekenen. We daagden elkaar de hele tijd uit om zo snel mogelijk weer voor een nieuwe opdracht naar achteren te rennen. We hebben elkaar toen behoorlijk vooruitgeholpen.
Als ik thuis in de Panorama zit te bladeren en een oorlogsfoto zie van een verkoold lijk dat in prikkeldraad hangt, gaat het gesprek al snel over discriminatie in de wereld. Als ik dan ook nog over het gepest van Yvonne begin, merk ik dat Bep het gesprek zo stuurt, dat "Discriminatie" een mooi onderwerp zou kunnen zijn voor mijn volgende spreekbeurt. Ik vervloek mezelf. Wat roep ik nou weer over mezelf af? Nu lijkt het of ik die spreekbeurt doe, om de klas een lesje te leren. Ik word zelf gepest en kom nu met een spreekbeurt over dat je niet moet discrimineren en mensen in hun waarde moet laten. Wat ben ik een verliezer. Bep komt die dag zelfs achter in de klas zitten, er vanuit gaande dat ik het heel goed ga doen, want we hebben er thuis zo goed over gepraat. Wat voelde ik me beroerd zeg. Ik klapte ook gewoon dicht en verlegen en nauwelijks verstaanbaar krijg ik een middelmatig zesje. Aan alles in mijn gedrag zou ze op kunnen maken dat het niet werkt, dat het tussen ons niet klikt, maar ze heeft het gewoon niet door.

Na het uitgaan van de school, met m’n broertje op de terugweg naar huis, zijn we een keer belaagd door een groep van vijf jongens. Als een roedel wolven storten ze zich één voor één op mij terwijl de anderen Dirk bedreigen. Toen heb ik behoorlijk om me heen moeten trappen en rennen om ze van hem weg te houden.
Naar Dirk die verstijft van schrik, geen stap meer zet, schreeuw ik de hele tijd dat hij door moet lopen naar huis, dan hoeft hij niet te zien wat er gebeurt als ik door het lint ga, of zelf in elkaar word geslagen.
Eenmaal thuis, horen we dat ma het gebeuren gewoon van binnen heeft staan gadeslaan. Door het raam aan de zijkant van ons huis, gluurde ze naar de ongelijke strijd en de paniek in de ogen van haar jongste zoon. Wat voelde ik me in de steek gelaten. Ik had het elders in de buurt al zwaar genoeg als ik de verkeerde tegenkwam, maar nu er zo dicht bij ons eigen huis iets gebeurt komt ze niet eens helpen.
“Ik wist niet of ik in moest grijpen hoor, je moet het toch ook zelf leren oplossen, jongen!” Was haar reactie.
Oh, nou goed dan, op jou hoef ik ook niet meer te rekenen!

Door Arthur van Diest en Maurice Maissan. ben ik laatst na school ook van achteren tegen de grond getrapt. Arthur woont in ons huizenblok en is al twee keer bij ons thuis pannenkoeken komen eten met z’n broertje. Maurice was net nieuw op school. Die vroeg me één van de eerste dagen of ik met hem wilde gaan spelen omdat hij nog niets en niemand kende. Ik offer mijn tijd op, maak hem wegwijs in de buurt. Hang een paar dagen met hem rond. Maar Maurice wilde alleen maar de hele tijd laten zien dat ie beter was in alles. Schaken ging die me zitten uitleggen, want ik speelde slecht volgens hem. En ik was er al snel klaar mee. Toen hij doorkreeg dat ik me niet liet provoceren was z’n interesse verdwenen.
Nu had hij Arthur verleid en zonder enige moeite tegen me opgezet. In de klas hoorde ik ze de hele les al samen spannen. Ik wist wat er ging komen en ben heel makkelijk neer gegaan en meteen overdreven hard gaan huilen, waarna ze lachend ophielden.

Berend en ik zijn laatst lastig gevallen door twee broers, toen we door zijn oude buurt liepen.
Berend raakte in gevecht met de oudste en ik kreeg de jongste, letterlijk en figuurlijk als een blok aan m’n been. De knul liet me niet meer los met als gevolg dat ik hem de hele straat door heb gesleept. “Sla hem dan!” Schreeuwde Berend naar me. Maar ook toen ik op z’n hoofd begon in te beuken volharde hij. Zelfs m’n voet gebruikte ik. Nog nooit heb ik iemand zo getrapt of met een vuist op een gezicht gebeukt. Ik vind het echt walgelijk waar ik toe uitgedaagd word. Toen z’n grote broer verloor van Berend, liet hij me pas los.
Het kon wel eens zo lopen, dat ik s’ochtends op school nog lekker gepest werd en dat de treiteraars dan s’middags gewoon bij mij thuis naar binnenstapten met broertjes of zusjes omdat moeder weer een pannenkoekenfeest voor alle kinderen in de buurt organiseerde. Kwamen ze zich schijnheilig volvreten: “Nee joh, we bedoelde het niet zo.” En: “Wat heb jij een gave moeder, hé!” Nou, dacht ik dan, ik vind jouw moeder leuker hoor.

De schoolprestaties beginnen eronder te lijden. Mijn rapport zegt genoeg:
De concentratie is onvoldoende, Eugène gaat nergens echt voor zitten. (Nee, ik heb geen rust in m’n gat) Hij kan het wel maar de wil ontbreekt. Hij is bijzonder slordig en zijn nauwkeurigheid laat te wensen over. (Omdat thuis alles al perfect moet) Wat belangstelling betreft meldt m’n rapport, laat ik geen enkele interesse blijken, ik vind alle vakken “waardeloos” en de interesse is niet meetbaar. Mijn houding t.o.v. m’n klasgenoten is tamelijk geïsoleerd. Ik heb geen hechte band met de groep en door het jaar heen verandert dit ook niet.
Mijn houding naar de leraren toe is ook niet om over naar huis te schrijven: Ik zoek geen contact en houd afstand. (Voor ik het weet, verhuizen we weer) Verder is mijn zelfstandigheid onvoldoende en de stimulans ontbreekt. (Klopt helemaal, ik zit hier elke dag opdat ik niet de hele tijd thuis aan haar overgeleverd ben) De school heeft jaren lang kunnen constateren dat er iets niet in de haak was en het enige wat er verandert, is dat moeder haar grip op mij verstevigt. Ik krijg nu bijles van Bep, ja nou geen bijles, ze zet me nu steeds aan werk wat ik toch al moet doen. Want, "Eugène kan het wel, maar hij verdomt het gewoon". Louter hufterigheid van die jongen, wat bezorgt hij z’n ouders toch weer een kopzorgen.

Bij gym ben ik ook iemands favoriet. Dat doen we op de Ruyshoornlaan.
Het zijn altijd anderen die de teams mogen formeren, daar vragen ze mij nooit voor, maar als ik tijdens het samenstellen van de basketbal ploeg sta te dollen met de laatste in de rij schreeuwt de gymleraar ineens naar me: “Ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken!” De hele zaal valt stil en iedereen kijkt naar mij en ik denk: Wat bedoelt ie nou? Wat heb ik nou weer gedaan? Ik wil ruilen met de laatste in de rij, ik probeer niet naar voren te kruipen.
Hij haalt me eruit. Ik mag niet meedoen en moet rechts naast hem komen staan aan de kant. Terwijl hij de anderen aan de wedstrijd zet, laat hij zichzelf languit onderuitzakken op zijn stoel. Dan ineens, trekt hij mijn trainingsbroek naar beneden en begint te lachen. Hij blijft beide teams luid aanmoedigen en ik sta in m’n blote piemel in de gymzaal. Als ik me buk om m’n broek weer op te halen, voorkomt hij dat door met zijn gestrekte arm m’n broek op m’n enkels gedrukt te houden. Na drie pogingen lukt het me. Ik geneer me dood. Wat een gedoe. Waarom ben ik altijd de lul? Het zal er wel bij horen, er moet er altijd één vernederd worden en ik moet wel vaker als voorbeeld dienen. Bij het douchen staat hij ons ook altijd te bekijken. Om niet teveel ophef thuis te veroorzaken, zeg ik er niets over, Berend en Marco zijn m’n getuige. Ma verwacht natuurlijk bij dit soort onwelgevallige gebeurtenissen, dat ik er thuis over praat maar ik kan er niet met haar over praten, ze maakt alles alleen maar erger en is zelf geen haar beter. Jaren later hoor ik dat ik niet de enige was en dat de gymleraar "ontmaskerd" is en inmiddels overleden aan kanker.

Op het schoolplein kwam ik per ongeluk in een meidenspel terecht, waarbij ze me midden in een kring rond begonnen te draaien, want ook al deed ik niet mee, ik was aan de beurt!? Maar ik had er geen zin in en met een ongecontroleerde zwaai met m’n arm, bezorg ik Hanneke Cornelissen een bloedneus. Ik had amper door wat er was gebeurd, maar ik bleef ingesloten en werd door de meidenmassa meteen door naar binnen gemanoeuvreerd, want nu was iedereen boos. Ik had “gevochten” en zelfs een meisje een klap gegeven?!? Iedereen was ontsteld.
Het spelletje ging zo: Een kring, met één iemand in het midden. Met gesloten ogen en een gestrekte arm draai je dus rond en de kring roept; “1,2,3,4,5,6,7 Wie zal ik een zoentje geven?” Nou beetje dom meidenspelletje, dus. In de lerarenkamer krijg ik op m’n donder van Jan Jaap E., het hoofd van de school.
“Tel eerst tot tien voordat je gaat slaan, Eugène! Kun je dat?” Goed ik moet eerst tot tien tellen voor ik aan 1,2,3,4,5,6,7 meedoe! Ze moeten gewoon van me afblijven. Jan Jaap Elfring deelde ook tikken met de liniaal uit in de klas: “Zo deden ze dat vroeger” zei die dan. En als je dom was geweest of slecht presteerde, zoals ik, dan kreeg je een bord om je nek en moest je alle klassen langs om te laten zien wat voor stommeling je was en je laten uitlachen. De vernedering deed me niets, thuis is het veel erger.

De slechte schoolprestaties sijpelen thuis door en moe nodigt mijn juf, H. van Kaam, uit om er met ons over te praten.
Ok, ma, daar hoef ik dan niet bij te zijn toch? Maar ik moet er natuurlijk de hele middag bij blijven zitten. De hele middag moet ik met die vrouwen in gesprek over het hoe en het waarom en over wat er nu verder met me moet gebeuren. Het duurt een eeuwigheid en ik zit in mezelf stil de secondes weg te tellen. Buiten is het warm, hier binnen benauwd. Ik zit te zweten en hoor hoe anderen lekker op straat spelen. De moeite die het me kost om er met m’n gedachten bij te blijven, wat willen ze nu van me? Ik zit mezelf helemaal op te vreten van binnen. Dat ik me slecht kan concentreren komt niet aan de orde en over mijn slechte band met de leraren en m'n geïsoleerde houding t.o.v. andere leerlingen heeft ze het ook niet. Ma wil natuurlijk laten zien dat ze intelligente kinderen heeft, want hier wordt met elkaar gepraat als dingen niet goed gaan. Maar ik sla al dicht als ik op m’n eigen verantwoordelijkheid gewezen word. Want ikzelf praat het liefst zo weinig mogelijk met m’n moeder. “Wat is je eigen rol hierin, m’n zoon? Jij kunt veel beter Eugène! Je gooit er met de pet na, jongen. Wat is je excuus?” En ik denk: Het is allemaal jouw schuld, moe.
De hele middag heb ik echt geen woord gezegd en hoopte zo dat m’n juf zou merken in wat voor verstikkende relatie ik met m’n moeder zat. Ze ziet toch wel hoe ik ineenkrimp, bijna in m’n stoel verdwijn en alles gedwee over me heen laat komen? Toch heb ik niet echt het gevoel dat het iets zal veranderen. Die blik van: “Ik brand m’n vingers niet aan dat kind van haar.” Die houding zie ik vaker bij mensen. Waarom heeft niemand dan ooit de kinderbescherming gewaarschuwd?
Mijn tactiek is al jaren: Zeg zo weinig mogelijk, dan stopt ze wel. Maar de gesprekken worden er niet korter door. Ze verwacht toch echt dat ik mezelf verklaar en schuldbewust tot een hernieuwd inzicht kom en betere prestaties ga laten zien.

Van de week ben ik met haar naar Qbus op de Ruishoornlaan geweest. Voor het eerst Jan ontmoet, die m’n moeder aanhoorde, over grote-mensendingen. Als Bep me ergens mee naartoe neemt heb ik vaak het gevoel dat ze met mij erbij, wil laten zien wat voor sterke, zelfstandige vrouw ze is, met haar afgerichte bastaard. Moeder wil met Jan in gesprek over een filmhuis. In Qbus was veel mogelijk, niet alleen een jongerencentrum met disco en dj op zaterdagavond. Maar ook een film seizoen en volksdans avonden. Gespreksgroepen, bijeenkomsten voor huisvrouwen, een zeefdrukkerij. Een buurtcentrum, ook voor jong volwassenen. Pas als ik zestien ben mag ik op de zaterdagen naar de disco, ik ben nu nog te jong.

Mamma vond het ook heel leuk om af en toe, gewoon tussen de middag, Dirk en mij mee te nemen naar Hotel Restaurant "De Nachtegaal" aan de Heereweg. Dan was ze natuurlijk wel heel lief en aardig. "Kijk is jongens hoe mooi het hier is! Luxe hè?" Ja, euh, nou lief en aardig op een overdreven manier dan weer hè. Dirk en mij prijzen en zeggen dat ze zo trots en gelukkig is met ons en pappa. En dat ze mij al zo volwassen vindt, omdat ik al zo goed kan praten?!
We mogen dan zelf kiezen wat we willen eten, een lekker groot bord patat met mayonaise en een broodje kroket. Heerlijk. De ober is ook heel aardig en maakt de hele tijd grapjes met Dirk. Dat vind ik wat overdreven, maar de zaak is verder leeg dus hij zal er wel tijd voor hebben. Dan komt hij de gekartelde frietjes voor ons neus zetten en zegt dat er iemand met een figuurzaag achter zit die al die frietjes zo heeft gezaagd. Mamma is meestal snel klaar met haar soepje. Een paar dagen later neemt ze ons weer mee voor een lunch hier. Weer dezelfde taferelen, doen alsof we in luxe leven. Maar eenmaal aan ons bord patat, krijg ik door dat mamma al bijna een kwartier weg is. Ze moest even naar de wc. Misschien is ze weer aan de diarree?

Negen jaar ben ik nu en heb al m’n eerste natte droom gehad, terwijl ik klaarwakker was. Dirk merkte niets die sliep nog. Het leek wel een orgasme. Toen ik het zaakje bekeek dacht ik, hè? Dit had toch in m’n slaap moeten gebeuren? Ik droomde niet eens. Dit krijg je toch pas als je 16 bent?
Maar deze gebeurtenis verandert alles. Vanaf nu sluit ik een eeuwig durende vriendschap met m’n piemel. Ik vind het echt verschrikkelijk dat m’n leven bepaald wordt door een vrouw, maar met deze ontwikkelingen krijg ik weer een beetje zin in de toekomst. Ik ben zo veel meer, dan alleen maar haar dienaartje. De ontdekking van m’n pik, is de ontdekking van m’n ik.

Al een paar keer heb ik nu wat geld uit Bep haar spaarflessen geschud, nooit echt veel en ze heeft ook nog niet laten blijken dat het haar is opgevallen. Maar toen er één sigaret uit haar pakje was verdwenen, merkte ze het meteen. Na het eten was het dan ook weer tijd voor haar eigengereide pedagogische gepest:
“Zo jongens ruimen jullie de tafel af? Dan kunnen wij even een sigaretje nemen!” Verbaasd maar volgzaam als altijd beginnen Bart en Dirk af te ruimen en ik krijg een camel filter aangereikt met de woorden: “Hier Eus, jij ook eentje? Hier, een vuurtje!” “Dan zullen we jou eens eventjes leren roken!” Bart heeft door wat er gebeurt, grijnst gegeneerd en kijkt bedenkelijk. “Já! En nou goed inhaleren, zuig het maar naar binnen die nicotine! Lekker hè?” Na de tweede sigaret mocht ik stoppen. Ik had nog nooit geïnhaleerd. Met hoofdpijn viel ik in slaap.

Jullie vinden me niet leuk, ik ben liever op mezelf, zit liever boven. Ik vermaak me prima alleen. Maar ik moet wel aan alles mee blijven doen. Het wordt ook steeds moeilijker om al jullie gezinsdingen uit te zitten.
Die zondagen! Die zijn ook niet door te komen. Vroeg opstaan, iedereen douchen, netjes aankleden en haartjes kammen voor de spiegel. Schoenen poetsen en pluisjes van de broek vegen. Nou eigenlijk hetzelfde als bij opa en oma S., haar ouders in Druten. Terwijl ze toch vaak propageerde, alles totaal anders te gaan doen dan vroeger bij haar thuis. Ik zie weinig verschil, met de moeder die ze zo haat.
Naar de zondagsmis van 11 uur wandelen. Doodsaai en verveeld anderhalf uur uitzitten. De kerk vol met gezinnen die je kent, turen naar de kinderen die ze hebben gemaakt. Speurend naar lotgenoten. Dan weer terugwandelen en thuis aan de koffie met slagroom en koek. De verplichte potjes klaverjassen. Acht uur s’avonds Studio Sport uitzitten met pa en broer.
Eén keer werd het me echt teveel.
Het was nieuwjaar, de hele ochtend had ik me zitten inhouden en gezellig zitten doen, kwam er gelukkig bezoek binnenlopen. Dat zorgde voor de nodige afleiding en een mooi moment om te polsen of ik mijn eigen weg mocht gaan. Tot mijn grote verbazing kreeg ik gewoon permissie om de bijeenkomst te verlaten en eenmaal buiten spring ik van blijdschap een gat in de lucht. Maar op het hoogste punt van m’n sprong maak in de lucht een verkeerde beweging met m’n hoofd en “knak” hoorde ik in m’n nek. Ik sprong blij de lucht in, om daarna schreeuwend van de pijn weer neer te komen en rende als een speer weer terug naar huis. Buiten dacht iedereen dat ik vuurwerk in m’n nek had gekregen. Het was een whiplash. Binnen zegt Bep dat ik maar even rustig moet gaan zitten, dan gaat het wel over. De migraine aanvallen die ik eraan over houd, worden naarmate de leeftijd vordert steeds heftiger.

1976.
De meeste mensen waren bang voor haar en durfden nooit in te grijpen of tegenspraak te bieden. Die keken wel uit, dat ze haar razernij niet over zich uitriepen. Mevrouw Froma was er een keertje tussen de middag en maakte mee hoe moederlief in één keer kan omslaan.
Als ik thuiskom word ik meteen aan schoolwerk gezet want Bep geeft me nu bijles. Ze leert me zelf niets natuurlijk maar zet me steeds aan schoolwerk. Wanneer ik een verkeerd antwoord geef en niet goed nadenk, krijg ik de wind van voren. Nou, mevrouw Froma wist niet wat ze hoorde. Helemaal verbaasd en geschokt zag ik haar uit de stoel omhoog komen. Maar ze durfde Bep er wel op aan te spreken: “Nou Bep, sorry hoor, maar zo ga je toch niet tegen een kínd tekeer?” zei ze verontwaardigd.
Nog nooit heeft iemand het zo voor me opgenomen. Zij is de eerste. Wat voelde ik me goed, er zijn dus wel mensen die het zien!
Maar moe was totaal niet onder de indruk en spreekt haar meteen tegen. Ik had het er natuurlijk helemaal zelf naar gemaakt, dat ik zo werd aangepakt.
Mevrouw Froma is nooit meer langs geweest.
Maar wat ik zei, Bep leert me niets. Als ik “Luxaflex” verkeerd spel, word ik naar m’n kamer gestuurd en moet ik daar nadenken over hoe je “Luxaflex” schrijft.
Keer ik na een tijdje terug beneden, om haar te laten zien of het klopt, maar als het dan verkeerd geschreven is word ik weer naar boven gestuurd om het nog een keer te proberen, net zolang tot ik goed gegokt heb. “Elastiek” hetzelfde. Ik had dat woord nog nooit zelf geschreven en toen ik het een keer had gebruikt viel haar meteen op dat het fout was. Hup, moest ik weer naar mijn kamer toe en er op één of andere manier achter zien te komen hoe je “Elastique” schreef. Ik was te bang om een woordenboek te vragen, dat zal ze wel brutaal vinden, maar zelf even voordoen hoe je iets schrijft, deed ze ook niet. Zoek het maar uit.
Had ik voor de grap een keer een brief ondertekend met een “alias”, ik had mezelf een andere naam bedacht en Bep meteen; “Jij hoeft geen alias te gebruiken, want je bent nog helemaal niet bekend.” Ze vond het niet leuk wat ik had bedacht en wees me enkel op het oneigenlijke gebruik ervan.

Ze maakt me gewoon langzaam kapot. Laatst ook weer gewoon een hele dag lekker voor d’r uitgesloofd: Geholpen in het huishouden, want er zou visite komen; de boodschappen gedaan, mee afgewassen, vrolijk geweest naar iedereen en geen minuut voor mezelf gevraagd.
Lig ik s’avonds in bed, kan ik niet slapen van de hoofdpijn. Als ik weer naar beneden ga voor een pijnstiller, zie ik dat tante Paula nog niet weg is en naast haar zit.
Ik wacht tot ze is uitgepraat en vraag om een Saridon. Maar ik stoor haar, ze kijkt omhoog en zegt: “Je moet gewoon rustig gaan slapen, Eus, dan is het morgen wel weer over!” Tante Paula kijkt lichtelijk verbaasd naar Bep, dan naar mij en weer naar haar, en zegt: “Maar die jongen heeft hoofdpijn?”
Nu raakt moeder geïrriteerd en antwoordt: “Ja, dat is ook niet zo gek hè, hij heeft zich de hele dag druk lopen maken, dus dat heeft ie helemaal aan zichzelf te danken, sodemieter op naar boven jij, ga slapen!”

De dag erna mag ik je alweer van dienst zijn. “Haal nog even een lekker kroketje voor je moeder, of doe maar twee en trek meteen wat sigaretten!” Na m’n huiswerk was ik gaar, maar jij had zo’n honger nog. Dus ik moet nu s’avonds naar het centrum fietsen want alleen Beijersbergen is nog open. Nadat ik m’n meisjesfiets had gesloopt heb ik geen fiets meer gekregen en omdat Bep d’r fiets lek is neem ik de racefiets van Sandra. Maar op de terugweg dommel ik op de Heereweg klaarblijkelijk een beetje in, want ik knal met kroketten en al achterop een geparkeerde wagen. Ik val van m’n fiets en plet de kroketten op het asfalt. Voorvork helemaal verbogen met als gevolg dat ik helemaal lopend terug naar de Poel moest. Pijn aan m’n been, kroketten plat en koud geworden, fiets kapot. Moeder ontsteld en Sandra boos, want ze moest er zelf achter komen dat d’r fiets in de kreukels lag de volgende morgen. Toen ik een keer ook voor mezelf een kroket mocht meenemen noteerde ik het meteen in m’n dagboek. En wat schrijf ik dan? "Oh wat was ze lief, ik mocht vandaag ook wat!"

Mijn muzikaliteit is ook m’n leven al een last. Ook zonder enige blijk van interesse mijnerzijds, voor wat voor instrument dan ook, word ik op blokfluitles gestuurd. Ze vraagt gewoon of iemand in de familie me met sinterklaas een blokfluit geeft, dan kan zij me op les sturen. Die lessen zijn in Sassenheim bij de vrouw van een oud studiegenoot van vader uit Wageningen. Zij is lerares en geeft na schooltijd ook blokfluitles. De eerste keer word ik door de moeder van Harm op de Heereweg in de bus naar Sassenheim gezet. De buschauffeur roept de halte wel om, dus goed opletten. Vanaf de Pancratiuskerk moet je het zelf maar uitzoeken, ergens oversteken en tussendoor lopen om bij de school te komen. Wat was ik depressief van deze nieuwe opdracht.
Eén keer dacht ik bijna verlost te zijn van het fluit-gedoe. De bus ernaartoe zit na schooltijd altijd stampvol met kinderen, dus ik moet staan en kom bij de deuren in het midden uit. Als die sluiten en de bus optrekt, valt mijn blokfluit uit m’n tas. Huppakee, zo in het trapgat van de uitgang. Meteen denk ik: Laten liggen dat ding, niet aankomen, als bij de volgende halte de deuren weer open gaan valt hij eruit en dan ben ik hem kwijt, probleem opgelost. Maar helaas het mocht niet zo zijn. Een stoere knul verrast me met z’n zorgzaamheid. Hij lachte me niet uit met m’n stomme blokfluit maar komt dichterbij en zegt: “Hé, is die fluit van jou? Haal hem weg joh, anders ben je hem kwijt!” Totaal onverwacht verstijf ik en verzet geen stap. Waarop de knul gewoon zelf het trapgat in springt en bukt om m’n fluit te redden. Wat voelde het raar om "dank je wel" te zeggen.

Een jaar later wordt er ook een piano voor me aangeschaft, tweedehands met mooie krulpoten. En nog later zelfs een Ibach, jaha, die stijgt alleen maar in waarde!? (Dus niet!) Sikking kwam hem brengen tijdens de wintervakantie. Het ijzelde zo hard, dat je gewoon over straat kon schaatsen. Toen we de piano stonden op te wachten en de wagen de hoek om zagen komen, zwenkte de aanhanger met onze Ibach erin langzaam van de ene kant van de weg naar de andere.
Waarom doen ze me dit aan? Ik heb nooit om een instrument gevraagd. Nu moet ik bewijzen dat ik al die investeringen waard ben.
Mijn pianolerares is net zo’n enge vrouw als m’n eerste kleuterjuf, Venker. Wat een ellende, zeg. Had ik al geen plezier in het pianospel, door haar kreeg ik het zéker niet. De pianolessen verhuizen na twee keer op de Mariaschool, naar verenigingsgebouw Welkom in de Bondstraat. Daar worden ook danslessen gegeven en de trouw,- en carnavalsfeesten. De eerste keer dat ik doelbewust spijbelde was hier, toen ik pianoles had van haar. Ik kon die vrouw echt niet meer zien, die strengheid, dat serieuze. Kon ze niet zien dat ik er zo eentje was die er door zijn moeder op gestuurd was? Heeft ze niet door waarom ik zo ongemotiveerd ben? Kon ze voor dat geld niet eens dertig minuten een beetje gezellig doen? Ze zitten allemaal in het complot om m’n leven tot een hel te maken. In het zicht van haar leslokaal ben ik rondjes op de parkeerplaats van de Agathakerk blijven rijden. Ze had me zo kunnen zien en van straat kunnen plukken. Wat is dit voor een kut halfuur, ik ben niet eens wat leuks gaan doen en dan straks ook nog gezeik thuis.

Ik vind het leuk om creatief bezig te zijn, dingen te maken. In m'n eentje op m'n kamer vermaak ik me ook wel.
In gezelschap doe ik graag grappig, om mensen aan het lachen te krijgen, daar kan ik ook geen genoeg van krijgen. Maar toneel en dansen of muziek maken en zingen? Daar ben ik allemaal veel te verlegen voor. Totaal geen behoefte om voor een grote menigte te staan. Toch kreeg ik één van de hoofdrollen in de musical “Kluitje in het Riet”. Een jongen uit de zesde klas deed Dokter Kwikzilver veel beter en ik werd gelukkig tweede keus, voor als hij door ziekte zou uitvallen. Dat stelde me iets geruster. Maar daar was Bep vervolgens helemaal niet gevoelig voor. Ze daagde me uit om bij het hoofd van de school toch de hoofdrol op te eisen, zodat ik zou spelen als Bep, Bart en Dirk zouden komen kijken. Met lood in de schoenen meld ik me net voor de uitvoering bij J.J. Elfring en hij neemt me even apart. Hij probeert er achter te komen of ik er wel echt gelukkig mee ben en ik laat wel blijken dat ik door mijn moeder gestuurd ben, maar hij geeft me toch de rol die avond. Het wordt me een blamage. Ik heb de tekst niet eens volledig uit mijn hoofd geleerd omdat die ander het al deed. Ik sta te stumperen en val stil voor de hele school, waarop ze snel de band doorspoelen en het volgende nummer inzetten en ik afgevoerd word. Dankjewel, mamma, dit is wat ik zo graag wilde.

Naast de Welkom waar ik nu dus pianoles heb, ligt het terrein van de net afgebrande creatieve kinderclub Harlekino.
Toen het puin geruimd was na de alles vernietigende brand, hebben ze het perceel tijdelijk vol gezet met plantjes. Na pianoles m’n fiets gepakt om terug naar huis te keren, toen me de kleine steunbeertjes opvielen van het muurtje dat na de brand overeind was blijven staan. Ik nam een aanloop, klom tegen de muur op en kreeg nu uitzicht over het stukje vers beplantte grond waar eerst nog de creatieve club stond. Tussen de verse aanplant valt me meteen iets op. Het is een aardappelschilmesje waarvan het plastic heft al voor de helft gesmolten was. Zonder na te denken spring ik het perkje in en raap het verbrande ding op. Maar als ik me omdraai naar de straatkant, om het perkje weer uit te lopen, zie ik een politiebusje staan met twee agenten. De chauffeur van de twee hangt uit het raampje en volgt mijn bewegingen. Sh!t, wat nou weer… Hij wenkt me en ik steek over naar het busje. Daar moet ik laten zien wat ik in m’n handen heb. Als hij het mesje ziet hoor ik meteen de beschuldiging dat ik bloemen aan het snijden was. Maar het is verbrand, agent, ik wilde het alleen maar opruimen. Dat geloofden ze dus niet. Inleveren, naam en adres opgeven, dan kunnen we je ouders inlichten. (Zien ze ook meteen dat ik het zoontje ben van Meneer Kortekaas die voor het CDA in de gemeenteraad zit)

Maar wat voor plannen heeft dat mens allemaal nog meer voor me? Ze plant al mijn tijd vol. Mijn broertje wordt met rust gelaten. Toen zijn vrienden op Taekwon-Do gingen, wilde hij dat ook en dat mocht dan van jullie. Ik word overal alleen op gestuurd. Piano, blokfluit, misdienaar zonder dat ik er om gevraagd heb. Dirk krijgt gewoon een jongensfiets en heeft verder nooit een instrument aan hoeven raken. Terwijl m’n ouders muzikaal onderricht zo belangrijk vinden voor kinderen.
O ja, tuurlijk, ik heb “talent” en Dirk niet. Dirk wordt ontzien, ik moet er alles uithalen. De eerste dagen op de Nolensstraat kreeg ik al een gitaar op m’n schoot geschoven, want jij kon al horen dat ik heel muzikaal was. D-D-D-D, G-G-G-G, zat ik daar aan die snaren te plukken en jij me maar commanderen op de achtergrond: “Je moet wel kijken wat er staat, Eugène!” Maar je deed niets voor en samen muziek maken was er niet bij. Je zette me met een gitaar gewoon aan het werk; “Hier, leer spelen, ik ga koken!” Dat was gelukkig snel over, maar nu moet ik twéé instrumenten oefenen? Druk, druk, druk.
Waarom mag ik niet lekker naar de scouting in het Keukenhofbos met andere jongens van school? Op onderzoek naar elkaar in de natuur met jongens van je eigen leeftijd. Nee hoor, Eugène gaat ook nog lekker op de atletiek vereniging van Lisse, “De Spartaan”. Dan verliest mamma me niet te snel uit het oog want daar zit allemaal familie. Atletiek, allemaal individuele solitaire strebertjes, die de hele tijd van elkaar moeten winnen. Maar geen teamsporten voor jou, die gezelligheid gun je me niet. En geen plezier in de kleedkamers want daar is tante Marga, die zorgt wel dat we opschieten. Bijna alle zussen van vader trainen bij De Spartaan en tante Marga, de oudste zus van pa, traint daarbij ook de pupillen. Nou die hield de vaart er behoorlijk in. En ik had het gevoel dat het lijntje met ma dus ook heel kort was. Daarom voelde ik ook hier geen vrijheid, geen kans tijdelijk te kunnen ontsnappen aan haar regime. Er werd verwacht dat je presteerde. Ik heb er geen mensen ontmoet waar ik ook nog wat anders mee kon, naast al de rivaliteit en het wedijveren op de zaterdagochtend. Het was tenslotte ook weekend.
Ben wel tijdens de week op het Spartaan Atletiek kamp in Uden, m’n zachte “G” kwijtgeraakt. Met dertig jongens in een grote vierkante tent en Rik V., die ineens zegt: “Jij praat met een zachte “G” hè, Eugène?” Niet dat ik me beledigd voelde maar ik ben wel gaan oefenen op de harde “G”.
Kamperen met zoveel mensen is leuk. Ik herinner me een spannende nacht waar ik merkte dat een hele groep jongens uit onze tent er vandoor ging. Die kropen allemaal de tent uit en gingen onderweg naar het centrum van Uden. Ik sneakte achter ze aan. Bij het verlaten van de tent vergeet ik de snoeren waarmee de tent is vastgezet en onthoofd mezelf bijna. Ik sta snel weer op, laat me niet kennen en ren verder achter de rest aan.

Atletiekkamp betekent natuurlijk elke dag sporten.
En als ik me niet aan de regels houd, kom ik al snel terecht bij tante Marga die als matriarch alle deugnieten op audiëntie liet komen in een apart daarvoor ingerichte tent. Een houten tafel met m’n tante erachter en daartegenover de lange banken waar de schobbejakken op moesten wachten tot ze door haar naar voren werden geroepen. Dan sprak ze je bestraffend toe en mocht je weer gaan. Ik hoorde ook altijd bij degene die te ver gingen in hun enthousiasme en ingetoomd moesten worden.
Met de marathon van 5 kilometer werd ik behoorlijk ingetoomd, ze hielpen me over de finishlijn meteen naar de kleedkamers waar ik in elkaar zakte. "Waar is dit goed voor, dit nooit meer," dacht ik.

Voor ons huis in de Kievitstraat ligt het grasveld en daaraan de sloot. Daarachter een groot, braak liggend terrein waar we allemaal crossen met de fiets en hutten bouwen. Toen daar werkzaamheden begonnen voor een nieuwe wijk langs de Ruishoornlaan en de eerste casco's van eengezinswoningen er verrezen, waren we ontsteld dat we ons speelveld gingen verliezen. Verschillende keren zijn door ons in het weekend alle benzinetanks van de graafmachines die er stonden gevuld met zand, om de bouw te stagneren. Later toen de bouw al wat verder was, stapte ik wel eens zo’n onklaar huis binnen. Dan klom ik via een ladder de eerste verdieping op, trok de ladder naar boven zodat niemand bij me kon komen en waande me even vrij in m’n denkbeeldige eigen huis. Even checken of “het” al wit was. In deze rust overzag ik al mijn opties, hoe lang gaat dit allemaal nog duren? Waar en wanneer kan ik op mezelf gaan wonen? Ik word voor alles ingezet in het huishouden en doe vaak boodschappen, dat kan ik voor mezelf ook wel. Ik voel me gevangen in een slecht sprookje dat ik moet uitzitten.

Tussen ma en pa ontstaan onderhand wel wat spanningen. Ze zijn hier alle twee in een andere politieke partij actief. Bij ons hangen in verkiezingstijd twee posters op het raam, ééntje van de PPR en één van de KVP. "Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen", vertelde iemand me.
Moeder blijft in het gezin voor haar eigen "vrijheid" opkomen. Wie wil er dan wel moeder voor ons zijn, als zij steeds druk is met haar eigen dingen? Als vader na het eten weer eens weg moet voor een vergadering zet ze hem voor het blok: “Oh, heb je wéér een bijeenkomst, Bart? Je mag ook wel eens een avondje op de jongens blijven passen. Ik wilde ook nog wel wat gaan doen vanavond! WAAROM OVERLEG JE DAT NIET!!! Weet je WAT? Je beKIJKT het maar met je klote KVP. Het zijn ook JOUW kinderen, lul!” Met haar poncho om komt ze de kamer terug in lopen, schudt nog wat geld uit de flessen en laat ons drie verbijsterd achter. Loopt ze nou weg? Even denk ik: …zijn we nu van haar af…? Waarom laat pa zich de huid zo volschelden? Hij wordt gedwongen op ons te passen en moet zijn vergadering afzeggen? Ja, ma gaat lekker “de boer op”, zuipen en roken.

Als ze zo depressief is, krijgen we ook de meest verschrikkelijke verhalen te horen. Het onrecht waar vooral vrouwen mee geconfronteerd worden, wordt ons zonder voorbehoud koud voor de voeten geworpen. De ongelijkheid in de kerk wereldwijd, maar ook de toestanden in totalitaire regimes waren vreselijk natuurlijk. Nu had ze weer ergens gelezen over hoe ze in Zuid-Amerikaanse landen met hun gevangenen omgaan. Het martelen van vrouwen in gevangenschap. Met afschuw en ontzetting in haar ogen, verhaalt ze over de rattenkooi die tussen de benen van vrouwen wordt geplaatst. Over de beul, die daarna de staart van de rat onder stroom zet waarop het beest zich als een bezetene een weg naar binnen vreet via de vagina van de vrouw, tot in haar baarmoeder, waardoor ze overlijd.
Tja, wat moeten wij daar mee, ma? Wat gaan we eten vanavond?

Of, wat als er oorlog uitbreekt: Dan zal je ons doden als we slapen, opdat we niet in handen vallen van de vijand. Dat ze ons doodt voor de vijand ons kan martelen, is uit liefde. Moederlijk hoor, dat ze ons wil beschermen voor groter kwaad, maar waarom houdt ze dat niet voor zichzelf? Nu lijkt het net of ze ons ook een beetje waarschuwt. Zij bepaalt wanneer het zover is. Als ze even te lang in haar eigen doodsangst gevangen zit, worden we dus door haar afgemaakt. Voor dat het zover is, moet ik bij haar weg zijn.

Mijn eerste grote migraine aanval was op een drukke zaterdag. Het hele huis zat vol met de plaatselijke fractie van de P.P.R. Bart neemt Dirk en mij mee naar het strand en daar merk ik dat ik niet tegen de wind kan en mijn hoofdpijn steeds erger wordt. Als we weer op huis aangaan bonkt m'n hoofd en word ik steeds misselijker. Met alleen rustig doen gaat dit niet weg. Het duurt ook niet lang voor ik naar de w.c. ren en alles van die dag eruit kots. Nu was de aanval voorbij. Geen hoofdpijn meer. Hele dag verpest.

Het zakgeld dat ik krijg is weinig en ik moet ook een kasboek van haar bijhouden. Elke maand controleert ze of ik de credit/debet goed heb ingevuld. Voor alles wat ik nodig heb moet ik eerst (heel lang) sparen. Kledinggeld: vijf gulden per maand?
Vanmorgen heb ik sinds ik in de Nolensstraat begon met kwartjes en stuivers (de dubbeltjes kon ik niet bij komen, die zaten in een buideltje met een gleufje), zo stil mogelijk de grootste massa guldens en rijksdaalders tot nu toe, uit de geldflessen geschud. Maar terug sluipend naar mijn kamer, zie ik tot m'n schrik dat je me staat op te wachten boven aan de trap. Voor ik een voet op de eerste tree kan zetten, kom je al naar beneden gelopen. Ik was er gloeiend bij. Je bent echt furieus en terwijl je me, ditmaal zonder te schreeuwen en te vloeken, naar boven slaat en trapt laat ik al het geld uit m’n pyjama vallen. Op m’n kamer hoor ik je gestommel op de trap als je bezig bent al het geld bij elkaar te rapen. Als je weer op je slaapkamer terug bent, sluip ik m’n kamer uit en ga naar school. De hele ochtend zit ik met buikpijn en zenuwen in de klas. Wanneer ik weer thuis ben, roep je van boven dat ik moet komen. Met spanning in m’n lijf zoek ik je op. Buiten is het stralend zomerweer maar hier binnen zit je met de gordijnen dicht, rechtop in bed. Drank, sigaretten en stinkasbak op vaders helft met een krant, een kruiswoordpuzzeltje en een pen. Er zou wel eens een raam open mogen. Je hèbt altijd van alles en bent af en toe zó ziek. Maar dan regeer je de boel gewoon vanuit je bed. Alle sigaretten en drank moet ik dan naar boven brengen en daar de boodschappenlijst met je doornemen. En natuurlijk even gezellig en bezorgd doen… maar niet nu!
Nu moet ik bij haar komen staan en m’n broek naar beneden doen en over haar heen komen liggen. Ze kletst m’n bleke billen rood. De zwakke vrouw legt me niet zelf “over de knie,” maar vraagt of ik me gewillig wil onderwerpen aan haar kastijding, opdat ze niet verzaakt in haar opvoeding. Kom help mamma even, doe je broek omlaag en vlij je neder, opdat ik je op den sodemieter kan geven. Want je weet dat je het verdient.
Dit vergeef ik haar nooit. Na deze vernedering voel ik voor het eerst een behoorlijke vergeldingsdrang naar boven komen. Niet dat ik “op de blaren moest zitten” maar na deze gênante vertoning vraag ik me af, wat voor plezier ze er aan beleeft om mij op m’n reet te slaan, terwijl ik met m’n blote piemel op haar schoot lig. Ik ben blij dat er een dekbed tussen zat, anders had ze hem er gewoon ingeslagen bij haarzelf, verschrikkelijk.

Maar oh, oh, het “vertrouwen” dat zij in me hadden was toch zó verschrikkelijk beschadigd.
Dat vertrouwen is volgens mij nooit groot geweest. Maar voor hen, zo verzekerden ze me, zal het heel lang duren eer dat weer hersteld is!? Mijn progressieve ouders mocht ik al een tijdje gewoon bij hun voornaam noemen. Nou, dat wilde ze nu niet meer horen. Jij gaat gewoon weer pappa en mamma zeggen, tot het vertrouwen weer een beetje terug is. Maanden ben ik argwanend in de gaten gehouden en hoefde ik het niet meer te wagen iets te willen of iets te vragen. Maanden van wantrouwen (“Als je geen bonnetje meekrijgt dan VRAAG JE ER ÉÉN!!! Ik wil weten wat je met m’n geld doet, Eugène, ga maar even terug!”) en jouw strenge blikken, of er nou visite bij was of niet. De hele tijd zie ik jullie drie lachen en lol maken met wie er dan ook was en dan die priemende ogen van je als je blik de mijne kruist: "Ik heb jou wel door mannetje."
Er kon geen lachje meer vanaf. En al te naïef, spontaan opkomend enthousiasme van mijn kant, werd bits en resoluut gesmoord. Ik heb straf dus voor mij geen gezinsgezelligheid meer. Ik werd gedoogd maar moest m’n bek houden. Er was laatst een man overleden, maar zijn vrouw overleed niet lang daarna ook. Dat was van verdriet om het heengaan van haar echtgenoot. Doodgaan omdat je verdriet hebt? Ik word elke ochtend weer wakker!

Dirk heeft ook altijd meer geld dan ik, want die spaart wel en schaamteloos leen ik geregeld wat bij hem. Ook al een keer van Sandra’s kamer een tientje gejat. Sandra vond dat natuurlijk niet kunnen, maar ze schrok vervolgens zo van Bep haar reactie, dat ze meteen weer medelijden met me had. En ik had nog wel allemaal LP’s van d’r gekregen. Bob Marley and the Wailers, de filmmuziek van de serie Roots die nu op tv uitgezonden wordt. Maar was het leeg schudden van de flessen al behoorlijk uit de hand gelopen, ik kon het niet laten mezelf op de één of andere manier schadeloos te blijven stellen voor alle pijn en verdriet. Het zal dus alleen maar erger worden.

Harm v.d.G. z’n vader werkte bij Shell en heeft gevraagd of ik mee wil een week logeren in hun vakantie huisje in het bos bij Rheden.
Nadat Harm met z’n ouders al een keertje bij ons was komen eten, vond ma ze al helemaal niet meer bedreigend, dus dat mocht wel. Het was een week van rust, kalmte en bezinning. Mijn stopwoordje was “jézus!” maar dat had de vader van Harm me na een week vakantie wel afgeleerd. Sandra’s stopwoordje is “Shit!” Ik kopieerde ma: godverdomme, jézus kristus.
Wat een lekkere gezonde omgeving. Spelen in het bos, we vonden er een adder en praatten honderd uit. Onwijze schik én schrik gehad in de bomen. Toen we een exemplaar beklommen, dat half omgevallen schuin liggend rustte tussen de andere bomen, konden we zo naar boven lopen. 10 meter boven de grond komen we tegenover elkaar te zitten en genieten even van het fantastische uitzicht. Maar we hadden nog geen twee zinnen uitgesproken of de boom kwam al langzaam in beweging. En toen steeds sneller en met het geluid van afbrekende takken om ons heen, bezweek de boom onder ons gewicht waarna we met een rotvaart ter aarde stortten. Met de schrik nog in ons lijf konden we er zo vanaf springen.
De dag dat we mee mochten met de schaapsherder van Rheden en z’n kudde was ook een mooie ervaring. Vroeg opgestaan en zo'n acht uur meegelopen over de Veluwezoom. Net als de honden kregen we de taak de kudde bij elkaar te houden. De vader van Harm testte toen tijdens de wandeling mijn zicht. Die kwam er al snel achter dat ik slechte ogen had. Door zijn interventie wordt het moeder pas duidelijk en krijg ik eindelijk een bril. Er ging een wereld voor me open. Het overzicht werd groter. Maar ik besefte daardoor ook dat ik al jaren in m’n eigen (depressieve) bubbel leef, met zicht van nog geen 15 meter.

Hier in de Kievitstraat gaan we in de zomervakanties ook weer naar het huis van Stoffers in Wageningen. De enige maanden die een beetje rustiger zijn in het gezin, behalve dan dat jaar dat ze weer een poging deed, te stoppen met roken. Daar nam ze dan lekker onze schoolvakantie voor. Dat was ook de vakantie waarin we naar de Efteling gingen.
De ochtend voor het vertrek was moe echt niet te genieten, ochtendhumeur natuurlijk. En we waren nog niet onderweg, of met Bep was het alweer één en al drama en diarree. Kunnen we eindelijk gaan rijden, iedereen doodstil in de wagen, een beetje bijkomen van de heftige ochtend. Is ze bij het binnengaan van het park in een rolstoel gaan zitten en heeft zich verder de hele dag rond laten duwen door Bart. Haar donkere zonnebril de hele tijd op en een sacherijnig bek eronder, niet meer normaal. Op de foto’s die bij binnenkomst worden gemaakt, zodat je er nog een “leuke” herinnering van hebt, zie je een lange slungel schaapachtig lachend achter een rolstoel staan met een deprimerend wijf er in. Daarnaast Dirk en ik, de kindertjes met uitgestreken smoelen, Dirk afwezig en ik verstoord, in de lens starend.

De hele dag een beetje uitkijken en voorzichtig zijn met mamma.
“Gaan jullie met z’n tweeën maar even het kasteel van Doornroosje beklimmen, dan blijven wij hier wel wachten!” Mijn broertje en ik sluiten ons aan bij de lange rij gezinnen, die de trappen naar het kasteel beklimmen. Maar als we na een kwartier nog niet boven zijn, heb ik lang genoeg uitgekeken op pa en moe die zielig beneden op het grasveld staan te balen. Het is een raar beeld, hartstikke druk in het park maar vader en moeder staan alleen, in een lege cirkel van vier meter doorsnee waar geen mens loopt of in blijft staan. Alsof moeder ze allemaal afstoot met haar depressieve uitstraling. Ik spoor Dirk aan om weer terug naar beneden te gaan, tegen de stroom in. Dan kunnen we lekker naar huis, zeg ik tegen hem. Natuurlijk was het met z’n drieën leuker geweest maar ze moest mee. Waarom gaat ze niet een keertje dood aan al haar ziektes? Met m’n vader en broer vind ik het wel uit te houden.

De vakantie periodes in Wageningen zijn heel lekker.
Bij de Stoffertjes hebben ze een langspeelplaat van het Jungleboek. Die draaien we helemaal grijs en kennen we door en door. Het laatste liedje hoor je als Mowgli (Ida Bons) door Bagheera (Luc Lutz) en Balou (Lex Goudsmit) aan de rand van de grotemensenwereld achtergelaten wordt. Mowgli ziet dan een meisje bij de rivier staan en de tekst van haar liedje draai ik om: “Moeder jaagt op wilde dieren, vader maakt het eten klaar en ik (Eugène) haal water bij de vijver, tot ik groot ben volgend jaar. Volgend jaar zal ik gaan trouwen met een mooie, flinke man en dan krijg ik misschien een dochter (Bep), die het water dragen kan.”

De keer dat Berend mee mocht met ons was ook een onvergetelijke tijd.
Maar bij elkaar op een kamer, dat mocht dan weer niet!? En dan die dag dat we naar Ouwehands Dierenpark op de Grebbeberg gingen. Met z’n zessen want Sandra was er die dag ook bij. Het begon heel leuk, we kregen de vrijheid om zelf door het hele park struinen. Berend en ik. Maar we moesten wel zorgen dat we rond de klok van zes bij het zwembad waren, dan konden we nog even zwemmen voor we huiswaarts gingen.
Na de hele dag voornamelijk in de speeltuinen te hebben rondgehangen lukt het me tegen zessen niet om Berend mee te krijgen. De weg naar het zwembad duurde lang en ik wou dat ik er eerder op had gewezen. Een kwartier is al genoeg om moeders humeur te beïnvloeden; een half uur te laat en de rest van de dag is een hel. Berend wist niet wat hij meemaakte. Wat was er nu zo erg, dat ze op zo’n dag zo boos wordt? Wij wisten wel hoe mamma was. We zijn maar 15 minuten te laat op het terras bij het zwembad, maar Bep was al bloedsacherijnig. Dat zij de hele avond verder niet te genieten was, dat kwam dus door ons twee. Omdat wij niet op tijd waren om nog even te zwemmen, heerst er de rest van de avond een grafstemming. Berend en ik wilden niet eens zwemmen. Ik weet niet hoe ik het uit moet leggen aan Berend. Maar wat hebben we leuke dingen gedaan zeg, die vakantie.


v.l.n.r.: Berend, Dirk, Sandra, ikzelf, Bep en Bart.
De hele dag loop ik met m’n grote rechterteen omhoog,
omdat er een gat in m’n gymschoen zit en het geregend heeft.

Het is ook zo jammer dat we niet in Wageningen zijn gebleven.
Nadat we er zelf niet meer woonden, hebben we de stad in al die vakanties nog beter leren kennen. Veel fietsen, lekker over de Westbergweg door het bos naar beneden rijden zonder te trappen. Tot je aangekomen bent op de Veerdam bij Lexkesveer en niet meer verder kan. Even de fiets op slot en voor een paar cent met het pontje heen en weer om wat te drinken of te snacken. Daarna weer helemaal de berg op fietsen terug naar de Generaal Foulkesweg.
We zwemmen ook vaak in de Rijn, dan schieten we bij de Veerweg een weiland in en lopen koeienvlaaien ontwijkend naar een strandje bij het water. Thuis en toch op vakantie.

Als we na de vakantie in Wageningen weer in Lisse terug zijn en m’n broer en ik naar boven gaan om te slapen, zien we vanaf de eerste verdieping dat aan het eind van de Ruishoornlaan Qbus in de brand staat. Een enorme vuurzee legt het net nieuw opgeleverde gebouw binnen een paar uur in de as. Ook nog de Qbus? Twee maanden na de Harlekino? De volgende ochtend lopen we er naartoe om de puinhoop te gaan bekijken. Jan is vannacht al uit z’n bed gebeld door de brandweer en had gehoord dat er niets meer was te redden. Aangekomen bij de natte, geblakerde puinhoop slenteren we door wat er nog van over is. Als ik een zakmes vind moet ik hem afgeven aan twee jongens die er ook rondstruinen. Dat doe ik natuurlijk zonder tegen te stribbelen. Als moeder ons hierna niet had overgehaald om oud papier te gaan ophalen voor een nieuw jongerencentrum, dan had ik Jan nooit leren kennen. De goede keuzes die moe voor me heeft gemaakt, zijn op één hand te tellen. De oud-papieractie was er na het beginnen van een dagboek, één van.

Die eerste dagen liepen we met alle kinderen uit de buurt de hele Poelpolder door tot en met de flats aan de Ringvaart om alle vodden en oude kranten op te halen. Hoogervorst Oud Papier had hiervoor onder ons afdak naast de schuur twee containers geplaatst die we konden vullen. Papier was toen nog wat waard. Alles wat wielen had gebruikten we. Fietsen, skelters, kinderwagens, zeepkisten. Na vier dagen waren Dirk en ik doodop.
Een versnapering voor iedereen die mee had gelopen, of iets te drinken, mochten we natuurlijk wel zelf pakken, maar het was leuker geweest als zij daar steeds zorg voor droeg. Staan we voor haar neus te hengelen naar wat goedkeuring, kijken haar vragend aan of het genoeg was, of we mochten stoppen voor vandaag. Maar ze leek niets te voelen en ergens anders te zijn met haar drinken, roken en gedachten.
Ze zag niet dat we bijna door onze knieën zakten. Pas toen we allebei zachtjes begonnen te huilen, begreep ze dat ze te ver met ons was gegaan en bond ze in. Er zat bij haar geen rem op. Je wist nooit wanneer het goed genoeg was voor haar. Ze zette je wel aan het werk, maar voldeed vervolgens niet aan haar zorgplicht. Als we niet hadden gehuild, had ze ons gewoon door laten gaan. 1920 kg. oud papier en 166 kg. vodden hadden we bij elkaar opgehaald.

Vrijdag 12 Augustus 1977 is het en we gaan zo met iedereen het geld overhandigen aan de leiding van Harlekino, Trudy v.d. Eerden met Theo Wilson en de leider van Qbus, Jan van Hensbergen. Ik leefde in de veronderstelling, naïef maar trots als ik was, dat ik zo dadelijk het geld aan Jan ging overhandigen. Maar op de dag zelf, als we bij het oude Qbus pand aan de Kanaalstraat zijn, hoor ik van Bep dat ze juist wil dat ik iets voor lees en de overhandiging van het geld aan Oscar en Harm over laat. 80 gulden hadden we bij elkaar gesprokkeld.

       
v.l.n.r.: links: een klein stukje van Bep's voorhoofd en ik daaronder, Oscar met geld, Patrick leest voor, Jan, Trudy en Theo luisteren. In de achtergrond staat Richard en Dirk leunt tegen iemand.
midden: Harm met geld, ik lees voor, Richard half te zien achter mij met z'n zus Gemma die met Dirk voor Jan, Trudy en Theo staan.
rechts: Gemma zit op de bank links achter mij en ik spoor Harm aan het geld te overhandigen aan Jan. Harm kijkt of de fotograaf er klaar voor is.

Het gevolg van deze actie was dat ook Jan en de mensen van Qbus mee gingen lopen. Vanaf Zaterdag 20 augustus wordt het allemaal wat groter aangepakt. Nu rijden twee mensen van Qbus een paar keer met geluidswagens rond om de oproep te verspreiden en in het oude Qbus pand aan de Kanaalstraat worden nog briefjes gedrukt om rond te brengen. Wij zorgden er voor, dat ze door heel Lisse, in elke brievenbus terecht kwamen.
Johan d. H., Willem B. uit ons blok, Piet W., Hans d. B., Jan v. B., Maarten K., Kees W. werden allemaal ophalers. Hoogervorst Oud Papier, Kees en Kees reed ons door de buurten. Iedereen die onderweg wilde inhaken en mee wilde helpen was welkom om met ons de vrachtwagens te vullen. Twee zaterdagen in de maand haalden we in heel Lisse oude kranten en vodden op: de eerste in de Poel en de tweede zaterdag in het dorp. Dit ging wel even wat gemakkelijker en sneller. We leren zoveel nieuwe mensen kennen.
Toen werden de zaterdagen ineens heel leuk en gezellig. De grote groep mensen die meehielpen zat tijdens de pauzes tussen het ophalen door, de ene keer bij ons thuis, de andere keer bij Hans & Trudy en dan weer bij Kees W. Qbus kan al snel weer beginnen met herbouwen.
Het oudpapier ophalen gaat jaren door en als het nieuwe pand weer in gebruik genomen kan worden, verzamelen we na het ophalen allemaal in Qbus zelf. Koffie zetten en tosti’s het rooster in voor een ieder die honger had. Lang blijven hangen en zo laat mogelijk weer naar huis. Wat was het gezellig hier.

Bij het Nederlandse Instituut voor Studie- en Beroepskeuze begeleiding, het N.I.B., kwam eruit dat ik: “Alleen geschikt was voor Mavo-onderwijs indien hij individueel begeleid wordt.” Hierbij was extra aandacht voor mijn werkhouding nodig. Dit waren voor moeder, pijnlijk genoeg, duidelijke pedagogische handvatten waar ze mij verder mee in het gareel kon houden. De individuele begeleiding die kreeg ik natuurlijk van haar en niet van iemand die er voor geleerd had. Ze komt nog het liefst naast me in de klas zitten, om ervoor te zorgen dat ik niet verzaak. Maar elke keer als mijn ouders er dus een specialist bij betrokken, ging moeder aan de haal met de uitslag.

Op school had ik eens een 6 voor m’n proefwerk. Thuis wil ik met Harm gaan spelen maar moet me eerst verantwoorden voor het magere zesje. Ik leg haar uit dat het moeilijk was en dat ik door tijdgebrek de makkelijkste vragen eerst beantwoorde, waardoor ik toch nog net een zes had. Uit tijdgebrek dus, maar dat werd thuis uitgelegd als plicht verzaken. Ik had de makkelijkste vragen eruit gehaald en die selectieve werkwijze werd niet op prijs gesteld!? Je scheldt me uit, ik laat me vernederen in het bijzijn van m’n vriend en daarna stuur je me eerst met het boodschappenkarretje naar Hoogenboom voor boodschappen. Hetzelfde stomme bejaardenboodschappenkarretje met twee wieltjes en zo’n kangaroetje erop als waarmee Richard boodschappen moet doen voor zijn moeder, die is ook altijd de pineut. Harm loopt met me mee naar de supermarkt en is geschokt. Zo had hij mijn moeder nog niet gehoord. “Wat heb jij een ROTmoeder!” zegt ie verontwaardigd. Mij staat het huilen nader dan het lachen.
Als Bart terug komt van zijn werk, vang ik op dat Bep hem meteen over mijn laakbare houding vertelt. Maar omdat zij me altijd hard aanpakt, vindt ze dat de pedagogische balans er een beetje uit raakt. Daarom hoor ik haar Bart aanmoedigen mij ook eens wat harder te straffen. Vaag hoor ik iets van; “Waarom moet ik altijd de … zijn?" Van Bart heb ik nog nooit straf gehad. Die is nooit agressief geweest naar me. Ik zit aan m’n huiswerk boven en hij zoekt me op. Hij wil mijn versie van het verhaal niet horen en maakt meteen duidelijk dat “Wij hier niet voor zesjes gaan.” Meteen daarna haalt hij met z’n vlakke hand uit. Hij slaat me plat in m’n gezicht. Bart heeft mij nog nooit geslagen en ik schrik me wezenloos, ben echt totaal verbijsterd.
Na het herstellen van de pedagogische balans verdwijnt hij weer naar beneden. Hij beschermt me dus niet tegen meer agressie, hij doet er zelf aan mee. Hij doet dus gewoon wat zij zegt. M'n wereld stort in. Ik wil niet meer verder.


Mijn laatste rapport van OBS De Klarinet in de Poelpolder,
met een hart onder de riem van m'n leraar:
"Succes in de toekomst" Peter der Kinderen.

Het is ze beiden nooit gelukt om echt contact met mij te maken. Door hun bejegening dwingen ze me juist verder in m’n isolement en krop ik alles op. Hun desinteresse voor mijn Breda-periode leidde tot een slechte aansluiting van mij met hun wereld. Nooit heeft Bep meer gerefereerd aan die vier jaar in Breda. Het enige wat ik erover hoorde uit haar mond is dat ik een vriendje had met de naam Frenkie. Misschien werd de kleine Frank in Breda door iedereen Frenkie genoemd, maar ze toonde zich naar mij toe ongevoelig voor de band die ik met een van de weinige vrienden die ik nog kende uit Moederheil had. Ik kende hem alleen maar als Frank. Alsof ze beiden ook dachten dat het beter was om er maar niet meer over te praten, gewoon doodzwijgen dan vergeet hij het wel? Dus na een paar jaar kwamen bij hen de twijfels wel, over waarom ze niet tot mij konden doordringen. Ik weet wel hoe dit allemaal zo scheef is gegroeid, want ik vind het heel moeilijk om alles te vergeten. Die tijd in moederheil hoort net zo goed bij mijn leven.

1977.
“Je gaat daar niet voor je lol naar toe Eugène, hou daar rekening mee!”
O jeetje, na een lange dag op school en de onderzoeken bij het Medisch Opvoedkundig Bureau in Leiden, het MOB, waar ik met Bart van terug kom, vertel ik thuis opgewekt hoe goed het ging. Dat was natuurlijk tegen het zere been van moeder. Had ik niet door wat voor grote zorgen ze zich maakte, over mijn toekomst? “Zie je niet hoe moeilijk je het voor ons maakt? Ga jij de tafel maar alvast dekken en temper je enthousiasme een beetje, ja?”
De onderzoeken bij het MOB moesten duidelijk maken dat het allemaal niet aan hen lag, dat ik zo depressief was en mezelf zo moeilijk uitte thuis. Dat mensen geen contact met me kregen en moeilijk tot me konden door dringen. Wat wil je nou worden later? Ze kwamen er niet uit. Wat ik wil worden later? Ik wil later met rust gelaten worden! En als er dan toch nog een “later” voor mij is dan wil ik zéker nix worden. Maar goed ik jatte veel voor m’n leeftijd dus… als dat hun zorgen waren? Het jatten is een reactie op de jarenlange emotionele verwaarlozing door een jonge, hulpbehoevende, recalcitrante, depressieve, beschadigde, vrouw. Ik steel jullie geld ter compensatie. Om alle teleurstelling te boven te komen. Gewoon door het simpele onvermogen niet te kunnen uiten wat voor verschrikkelijke moeite ik met je heb, Bep. Hoe vast ik kom te zitten in deze alles verstikkende relatie met jou. Heeft nou niemand door dat we elkaar totaal niet liggen? Dat je alleen maar één grote onoverkomelijke last voor me bent?
Ik heb me bij jou nooit welkom gevoeld.

De reactie van moeder op het MOB-onderzoek, voedde m’n onbehagen en sterkte me wel in het idee, dat “ik” in dit gezin het grote probleem was. Ze weten niet wat ze met me aan moeten. Nu mijn intelligentie getest wordt mag je hopen dat ze ontdekken, dat moeder m’n grote stoorzender is. Nou, vergeet het maar. Het komt niet aan bod.
Die wanhoop van haar (Ik heb jullie toch altijd goed behandeld?). Geen spoor van schuld of spijt. Geen enkele zelfreflectie of ook maar iets van schaamte. Ik moest het nog steeds doen met dat ene excuus uit de Nolensstraat: “Sorry dat mamma soms wat streng en boos doet, maar dat heeft alles te maken met haar verschrikkelijke jeugd. Die periodes van somberheid en fysieke ongesteldheid. Dat komt niet door jou hoor”. Nee, maar je reageert het wel al jaren op mij af.
Als er niets is, dan dreigt er wel wat. En als er wat dreigt, weet je nooit wanneer het tot een uitbarsting komt. Ontploft mamma, dan raakt ze helemaal buiten zinnen en lijkt ze alle besef van tijd te verliezen. Is ze een beetje afgekoeld, dan laat ze ons in de steek en laat ze ons zelf uitzoeken hoe we met haar verder moeten. Zo is ze nu eenmaal, dus leer er maar mee leven. Sinds Breda ga je al zo tegen mij tekeer. Ik ben nooit tegen jou uitgevallen! Nou één keer dan, toen ik voor straf van jullie naar bed moest, zonder opgaaf van redenen, gewoon op klaarlichte dag, 7 jaar geleden. Maar ik heb jou nooit uitgescholden. Als ik van iemand heb leren vloeken dan is het wel van jou, met je kut, lul en klootzak, smeerlap, halvegare mongool. Ja, je gebruikt ook alle lieflijke verwensingen: lapzwans, doerak, halve zool, schobbejak, deugniet. Nou, haha. Waarom gebruik je dat tegen ons drie, waar je van zegt te houden? Is dit jouw dank voor alle aandacht en hulpvaardigheid die je elke dag van ons vraagt en krijgt? Altijd attent blijven en jezelf wegcijferen? Voor het ondergaan van je al strafexercities en alle vernederingen, de totale kutsfeer?

Tante Marga doet haar pick-up weg. Voor vijftig gulden mag ik hem overnemen. Een draaitafel waar je de twee boxen als deksel overheen kon zetten, heel compact. Wat ben ik hier content mee. Het eerste singletje wat ik er grijs opdraai is van Kiss. Als ik nou toch zo’n baan kon krijgen. Bij zo’n bedrijf als Kiss. Simpele rockmuziek en een onwijs stoere pyrotechnische show. Kiss is een band die met alle modes meewaait en alle genres uitmelkt. De video bij hun eerste disco single werd ook in Nederland uitgezonden en was mijn eerste kennismaking met de groep. De B-kant vond ik eigenlijk veel beter. Maar de dubbel live elpees die ik daarna bij m'n neef hoorde, trokken me helemaal over de streep. Dit was een hele andere kant van het muzikale spectrum, dan waar ze bij ons op school voor opgeleid werden. Als ze op tv waren bij TopPop, zat ik als enige te genieten. De meesten vonden het zo'n plat vermaak. Ik vond het hele concept van anonimisatie gewoon perfect. Ze konden gewoon over straat zonder herkend te worden.

Vroeg in de morgen als iedereen nog slaapt, sluip ik zachtjes naar beneden om in de woonkamer te kijken of de nieuwe envelop met betaalcheques op dezelfde plek ligt als de vorige keer. Als ik hem opengescheurd op het bureau zie liggen haal ik er voorzichtig ééntje uit en sluip weer terug naar boven. Moeder had ik al een paar keer de handtekening van vader op een cheque zien zetten, die ze dan aan mij meegaf om alcohol en peuken te gaan halen. Ik hoefde me dus als vaste klant bij de slijterij niet meer te identificeren, dat was al een keer gebeurt met moeder aan m’n zij. De handtekening, vaders initialen van Bartholomeus Martinus Maria, was behoorlijk makkelijk, B.M.M. niets meer dan dat. Na een paar keer oefenen durfde ik het aan zelf een cheque te voorzien van een krabbel. Oefenbriefje in m’n broekzak gedaan om buiten weg te werken. Wat was dit spannend, als het zou lukken had ik tweehonderd gulden te besteden minus een fles alcohol. Met lood in de schoenen ga ik onderweg. Maar dit gedeelte van m’n criminele daad bleek niet eens de meest moeilijk te nemen horde. Er was gewoon niets aan, het viel me alles mee. Ik kreeg net zo makkelijk als altijd een fles alcohol in een plastic tasje mee en kon zonder dat de verkoopster iets door had gewoon de winkel uitlopen. Buiten dump ik de alcohol onopvallend in de struiken rond het Poelhuys. De geldflessen raakte ik nu niet meer aan, cheques uit schrijven ga ik nog eens doen. Het was een spannende tijd.
M’n leven werd opgesplitst. Thuis bleef ik schijnheilig meedoen, maar buitenshuis hield ik er een andere leefstijl op na. Het was ontzettend moeilijk om het allemaal ongemerkt te verpatsen. De angst om gesnapt te worden was zenuwslopend.
Toen iedereen tijdens de week voor Sinterklaas druk bezig was met surprises, kocht ik bijna alle Lp’s van Kiss en kwam de drempel van de achterdeur telkens over met de woorden: “Ff niet kijken, t’is voor 5 december!"

Het was m'n ouders na de uitslagen van het NIB en het MOB wel duidelijk dat ze me “strak” moesten houden, dus wat voor opleiding past daar bij? Lekker elke dag trainen. Niet in een team natuurlijk, waar je door team building misschien wel een andere relatie aangaat dan strikt de concurrerende, dat is veel te veel afleiding voor me. Nee lekker solistisch, hard werken om de beste te worden, met de kracht van het geloof in onze lieve heer natuurlijk.
Vrienden zien te houden was het minst belangrijke. Eerst die toekomst van mij!?
De manieren ook waarop ze voorkwam dat ik gevoelens zou kunnen krijgen voor een meisje. Op de lagere school al, toen ze me een keer kwam ophalen en ik nog aan haar hand mee terug naar huis moest lopen, riepen een paar meiden van m’n klas achter ons: “Hé Eugène, jij gaat met Sabina toch?” Nou dat vond je dus niet leuk om te horen. Ik wilde me omdraaien om te reageren maar meteen gaf je een ruk aan mijn arm en zei: “Jij hébt nog geen verkering, daar ben je nog véél te jong voor!” Maar je vond het wel heel normaal om mij een paar weken later met een plastic tas vol “erotische boekjes” naar tante Tiny in de Leeuwerikstraat te sturen. “Zeg maar tegen tante Tiny dat dit de “vieze” boekjes zijn, voor ome Arie!” Daar was je zo makkelijk en open in?! En inderdaad, onderweg keek ik er in en zag een naakte vrouw die met twee vingers haar grote, natte, harige, bruinrode vagina spreidde en helemaal openstond met weet ik veel wat er allemaal uit flubberde. Ik wist niet wat ik zag, wat vond ik dát smerig zeg. En als ik dan achter in onze tuin op de bank onder het afdak bij de schuur zit te wachten tot Berend genoeg tieten heeft gevonden in de panorama en de revue, word ik er binnen door jullie op aangesproken: “Wat ben jij een zielige gluurder Eus!” Voor mij waren de mannen- en jongensondergoed reclames uit de bladen van de Wehkamp of de Termeulen Post al spannend genoeg. Helemaal geen borsten of geslachtsdelen in te zien hoor.

Met zo’n moeder als jij zijn andere moeders al snel allemaal leuker. Dat moet ik natuurlijk voor mezelf houden, want als ik ook maar iets te lief en empathisch verhaal over hoe gezellig het bij andere mensen thuis is geweest, kom jij met gekke vragen: “Wat heeft die moeder nu over voor haar kinderen?” of: “Weet je wel hoe haar man tegen haar doet?” of: “Nou, dan ga je toch daar wonen, als je haar leuker vindt!” Het is duidelijk dat ik voortaan maar beter met andere verhalen thuis kan komen.
“Nou mam, kon je het hier niet horen? Ze hadden weer ruzie, Richard kreeg op z’n dónder joh! Wat een verschrikkelijke moeder!” Zodat jij kan reageren met: “Ja zoonlief ze hebben het niet overal zo goed als bij ons viertjes.” De moeder van Richard, Tonny, was in feite net zo wreed als de mijne. Zij terroriseerde ook het hele gezin en sloeg volgens mij zelfs haar man. En als er bij onze Duitse buren ruzie was, kon moeder zich ook lekker wentelen in verontwaardiging, over hoe verschrikkelijk zij wel niet met hun kinderen omgingen.
Berend was normaal en zei gewoon: “Nee joh, we gaan geen “Mens Erger Je Niet” spelen met je moeder, we gaan naar buiten.” Met hem was ik ook niet meer zo bang in de buurt. Christiaan Zuiderduin uit mijn klas was ook heel ondeugend. Die had een keer z’n schetsboek bij zich en wist me met een overtuigend verhaal over zijn kunstzinnige aspiraties, los te krijgen van moeder. We zouden schetsen gaan maken voor biologiewerk van school. Terwijl we de woonkamer uitlopen, lacht Christiaan al naar me alsof hij door heeft wat hij voor elkaar kreeg. We mochten gaan spelen. In de keuken ziet hij een doosje met tampons van ma staan. Hij pakt er een uit en we lopen naar de achterdeur. “Wacht, ik wil er nog een!” Fluistert hij en loopt terug om er nog een uit te pakken. Buiten blijkt dattie met me de bosjes in wil en als we diep in de begroeiing zijn verdwenen gaan we zitten. Christiaan komt half overeind en haalt meteen zijn piemel tevoorschijn. Zo hé! Denk ik. Bij het douchen na de gym had ik hem al wel gezien, maar wat is die lang zeg. Christiaan haalt het plastic van de tampon, plaatst hem op z’n eikel en schuift z’n voorhuid erover. Meteen zeikt hij de tampon vol en vraagt mij hetzelfde te doen. Daarna wil hij “de mijne” tekenen en ik moet “de zijne” tekenen. Wat een leuke middag.

Toen de kermis in de buurt was hingen we daar 's middags na school wel eens wat rond met elkaar, als alles nog dicht was. M’n angst en wantrouwen voor honden is hier alleen maar verergerd. Het was lekker warm. Iedereen in korte broek en “met zonder jas” natuurlijk. Maar als we het terrein op lopen, komt er vanachter een caravan bij de schiettent en de “Octopus” een jongen met een bebloed onderbeen aangerend. Schreeuwend van de pijn rent hij naar een ander die met een brommertje aan komt racen. Als hij achterop springt en ze weg willen rijden komt vanwaar de jongen tevoorschijn kwam, ook een herdershond aangerend. Die gaat rechtstreeks voor de bloedende kuit van de jongen en haalt alles nog verder open. Met de losse flarden kuit aan zijn been, rijden ze schreeuwend het terrein af. Wij waren ook snel weg en honden vertrouw ik niet meer.

1978.
Gedurende hun zoektocht naar een goede school voor mij na OBS De Klarinet, zagen we op een middag een wervingsdocu voor het Koninklijk Conservatorium op tv.
Daar was moe meteen zo enthousiast over, dat er eigenlijk geen ontkomen meer aan was.
“Is dat niet iets voor jou Eus?” Zei ze. En ik dacht: Hè, hoe kom je daar nu weer bij?” Die beelden van die donkere regenachtige herfstdag. Tram 11, die bij de eindhalte in het Statenkwartier dat lusje maakt en weer terug rijd. Net toen de naargeestigheid van de beelden bij me binnenkwamen, komt ze met die vraag. Bart zat naast me: “Zit die jongen niet zo te indoctrineren wil je!” Probeerde hij nog. Want echt vrolijk werd ik er niet van. Het was één van z’n weinige pogingen me te beschermen. “Wat nou Bart? Dit is geen indoctrinatie!” (pappa kent een moeilijk woord mamma corrigeert hem even) “Hij kan het toch proberen?” Zegt ze opgewekt. Vrijblijvend was het nooit want als zij iets leuk vond voor me, dan moest ik het proberen. Niet lang daarna auditeer ik.

Na de zesde klas van De Klarinet ga ik dan in augustus 1978 op m’n twaalfde naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag aan de Korte Lombardstraat.
In de ochtend school en de rest van de dag dansen. Kort houden die jongen. Dansen was hiervoor nooit iets wat ik bewust deed of speciaal plezier aan beleefde en wat ballet allemaal inhield wist ik al helemaal niet. Ik was zelfs nog nooit naar een balletvoorstelling geweest dus die auditie was een echte culture shock. Al die mensen die aan me kwamen zitten. Ik wist totaal niet waar ik aan toe was of wat de bedoeling ervan was. De manier waarop ze je beoordelen op lenigheid, hoever je al kan “uitdraaien”. Daarvoor moest je op je rug gaan liggen en dan kwamen ze je benen helemaal wijd uit elkaar duwen… nou dat was al vrij schokkend voor mij. Moet ik nu ook elke dag in zo’n maillot waar je m’n bult in ziet? Jazeker! Ook al stelde m’n bult nog weinig voor, ik voelde me er naakt en ongemakkelijk in. Maar zoals dat gaat, je bent met velen en als iedereen het doet, wordt het vanzelf normaal.

Op het Conservatorium waren veel mensen die door de week lekker in een pleeggezin verbleven in de stad zelf of daar in de buurt, dat had ik ook wel wat rustiger gevonden. Lekker de hele week weg van het gestress thuis. Maar natuurlijk wilde ze de controle over mij zo min mogelijk kwijt raken, dus dat werd elke dag vijf kwartier heen en vijf kwartier terug reizen. Door de blokfluitles in Sassenheim wist ik al hoe ik met de bus moest reizen. Nu moest ik ook nog de trein en de tram leren gebruiken. Op Station Den Haag Hollands Spoor nam ik een keer de tram de verkeerde kant op en het duurde even voor ik dat door had. Te bang om te verdwalen, durfde ik niet meer uit te stappen en bleef zenuwachtig zitten met de gedachte, een tram kan niet van het spoor dus hij zal aan het einde wel weer omdraaien en terugrijden. Ik vond het een te groot risico om meteen toen ik het merkte uit te stappen en aan de andere kant van het perron de tram terug te nemen. Dan maar drie kwartier in de tram.
Mijn eerste jaar was extra druk, want dankzij moederlief heb ik nu naast de brugklas in de ochtend en dans in de middag, ook nog piano- en blokfluitles. Elke dag twaalf uur van huis, van half zeven in de ochtend tot kwart voor zeven in de avond. Omdat ik het eerste jaar ook nog misdienaar was, had ik in het begin dagen dat ik 6:30 van huis vertrok naar Den Haag en pas om 20:30 aan een opgewarmde prak zat na de avondmis van 19:15. Na school ging ik dan meteen door naar de kerk. Al met al, 14 en een half uur van huis en alleen thuis om te eten en te slapen.

Bart is er nu wel achter gekomen dat hij telkens een cheque mist en ondertussen achthonderd gulden lichter is.
Ze krijgen nu pas door hoe het zit en controleren m'n kamer.
Hoe kan Eus ineens alle elpees van Kiss hebben en al die lichtspotjes en gekleurde lampen op z’n kamer?
Oh, dus daarom kregen we met sinterklaas allemaal dure dingen van Eugène!
Op school tijdens de pauze bestelde ik in de kantine eens een keer koffie, thee en chocolademelk voor de hele klas.
Opdat ze me een beetje met rust laten misschien, want van mijn prestaties of sociale vaardigheden moet ik het niet hebben.
Ook nu weer een scheldkanonnade van Bep en anderhalf uur onderwerping aan een kruisverhoor. Ik durf niet toe te geven dat ik al vier keer vaders handtekening heb vervalst. Als ze doorkrijgt dat ik zit te liegen, want ik biecht op dat ik maar 100 gulden heb gejat en de rest heb gestolen uit de winkels, gaat ze nog heftiger tekeer, alsof ze dit weer een perfecte manier vindt om mij wat “christelijke” normen en waarden bij te brengen. Oké, ik zeg dat ik ook nog mijn eigen bankrekening heb leeggehaald, zo’n zestig gulden. Maar over de rest lieg ik dat het gedrukt staat. Er zijn natuurlijk vier cheques verdwenen en ze is furieus. Ik moest alles wat ik er van gekocht had bij haar inleveren en werd van m’n zolderkamer weer teruggeplaatst naar de kinderkamer beneden, die ik eerst met Dirk deelde.
Dit moest ik allemaal terug gaan verdienen voor ze. En hoe kon ik op die leeftijd zoveel geld voor ze genereren? Begin jij maar eens met drie keer in de week de keuken de bijkeuken en de wc te dweilen. Gewoon op de knieën, met een dweil die voor mij te groot was om uit te wringen. Voor m'n verjaardag heb ik een jaar geleden van Tom Stuart een dagboek kado gehad. Daar begin ik nu, na te zijn betrapt, in te schrijven. Doelbewust met de instelling, dat m'n ouders erin moesten kunnen lezen hoe schuldig ik me wel niet voel.

dagboekfragment:
“Ik dacht dat ik vandaag de hele dag op m’n “nieuwe” kamer moest blijven zitten, maar ik moest al meteen aan de slag. Ze heeft er een nieuwe schoonmaker bij, ik. En ik heb dus niet stilgezeten: begonnen met de afwas, daarna de keuken en bijkeuken geveegd en gedweild. Daarna de gang de trappen en de overloop gestofzuigd. Daarna m’n oude kamer overhoop gehaald want die moest ik leegruimen, vegen en dweilen, nu ik naar beneden verbannen ben. 'S middags moest ik Dirk opvangen want Bep ging naar een nieuw huis kijken. De boodschappen gedaan en nog kroketten voor ma gehaald. Voor het slapen gaan nog even de douche schoon geschrobd.
Schoonmaken blijf ik drie keer per week doen, tot we weer gaan verhuizen in 1981.


Eerste serieuze dagboek, kado van Tom Stuart.
Augustus 1980 /Juli 1983.

In de brugklas begonnen, nog in het oude gebouw in de Korte Lombardstraat. En op m’n eerste dag, na de les als we naar de kantine lopen voor een drankje, voetbal kantines waren schoner, maak ik kennis met “Ome Aad” die er achter de balie hangt. Een zwetende, kleine, dikke, sigaar rokende, kalende man met bretels die alle kwartjes van iedereen omruilde voor thee, koffie of warme chocolademelk. Als ik voor de eerste keer aanschuif in de rij voor wat drinken en 25 cent op de balie leg, schuift hij mijn geld in een wolk van sigaarrook weer terug en zonder me aan te kijken zegt ie: “Ik mag jou niet, jij krijgt niks.” Verbouwereerd draai ik me om: Snap ik meneer z’n humor niet? Ik loop terug naar mijn klasgenoten, schuif aan bij een van de aftandse schafttafels en vertel wat me is overkomen. Ik had die hele ome Aad nog nooit gezien, waar gaat dit over? Gelukkig wordt hij de hele tijd bijgestaan door leerlingen en van Margus Spekkers krijg ik wel wat.

In de klas weer allemaal nieuwe mensen.
Ook hier zeg ik alleen wat, als me wat gevraagd wordt. Of ik reageer in het algemeen, zoals iedereen zich laat horen tijdens vertier en zo. Althans dat denk ik dan, volgens mij ben ik niet zo anders dan de rest. Marcel A. kende ik natuurlijk ook niet, maar hij mij wel!? Mijn gedrag wordt door hem niet getolereerd. Marcel kon iets niet hebben, hij kon ergens niet tegen, ik was maar een raar mannetje. Tijdens de lunchpauze, waarin we allemaal een kwartier krijgen om te eten, komt die ineens naar me toe en gromt in m’n oor: “Jij moet niet zo bijdehand doen, ja?!” En terwijl die dat zegt grijpt ie meteen m’n arm en draait hem op mijn rug. Ik klap daardoor met mijn linkerwang op m’n tafeltje met m’n gezicht afgewend van de rest, naar de muur gericht. Door de pijn kan ik me niet meer bewegen. Zo houdt hij mij een kwartier lang in bedwang. Pas bij het geluid van een naderende docent laat hij me weer los. Er is maar één iemand in de klas die ik er wat van hoor zeggen maar ik kon niet zien wie dat durfde, de rest heeft gewoon zitten eten.

Of die biologieles: zat ik met m’n neus in de boeken maar werd tot drie keer toe door Marcel en anderen gemaand om mee te doen met een woordspelletje dat via briefjes door de klas plaatsvond: “Eugène, je verpest het voor de rest, geef nou door!” De opdracht was simpel, alleen maar achterstevoren geschreven schuttingtaal met de vraag, wat staat hier. Het is fantasieloos maar ik beantwoord de vragen en zet er zelf nog een paar opdrachten bij waarna ik het doorgeef en doorga met lezen. Een paar minuten later zie ik dat Marcel het briefje via anderen weer bemachtigd heeft en meteen doorgeeft aan de lerares met de woorden: “Dit krijg ik net van Eugène!” Wanneer ze het heeft gelezen word ik gelijk naar Cees M. gestuurd de adjunct directeur. Als ik de klas uitloop zit Marcel te lachen en ik begrijp dat het zijn opzet was om mij erin te luizen.
Beneden krijg ik me toch een donderpreek van meneer Meijer zeg. Over het stomme spelletje dat ik zelf niet eens begonnen was. De adjunct, kale man in het zwart met bril, loopt met z’n armen op de rug ijsberend achter zijn bureau. Kijkt met z’n hoofd in z’n nek op me neer, maar probeert niet achter de waarheid te komen. Ik ben al schuldig vanaf m’n geboorte. Weerloos klap ik dicht en vertel hem niet hoe het zit. Dit zal thuis zwaar gaan wegen.
De hele terugreis naar huis staar ik bang voor me uit, ik kan wel janken en word steeds depressiever wanneer lijn 50 in Sassenheim de Heereweg opdraait. Thuis blijkt Bep al op de hoogte gebracht. Ze staat in de keuken te koken en roept me meteen bij zich: “Waar BEN jij nou helemaal mee bezig, jongeman?” “LEG me maar eens uit wat er zo leuk aan dat spelletje was! Je bent daar GODverdomme om iets te leren, Eugène, en niet om je TIJD te ver-klo-ten! Je mag al van geluk spreken dat ze je daar aangenomen hebben en dan gooi jij er met de PET NAAR?” Ze laat de pollepel in de pan vallen en haalt naar me uit. Ik schrik en deins terug. “HIER STAAN jij, als ik je wil slaan!” gebaart ze met haar hand. Ongemakkelijk neem ik m’n plaats weer in. Bam, nog een knal voor m’n kop, mijn kaak doet zeer en m’n oren gloeien na. “En als ik je verdomme zie janken, jongetje, RAM ik je de keuken uit, JA? Die krokodillentranen van jou hoef ik al HELEMAAL niet te zien!” Ik houd me in. De achterdeur gaat open en Bart komt ook thuis van zijn werk. “Pak de opscheplepels en ga de tafel dekken want het is klaar, maar ik zeg je: als ik het komende jaar nog één keer zo’n telefoontje over jou krijg, ventje, dan zul je wat meemaken, prent dat goed in dat bolle koppie van je!”

Bep probeert ook niet achter de waarheid te komen. Ze gelooft die anderen allemaal eerder dan mij. Ik kan mezelf alleen maar verdedigen, maar maak geen kans. Bart heeft het ergste net gemist. Ik denk terug aan die wandeling over de Wageningse berg tijdens onze vakantie: Als Bart, Dirk en ik huiswaarts keren, raak ik achterop en sta tussen het hoge gras dromerig om me heen te kijken. Komt er om de hoek ineens een hondje blaffend aangerend, regelrecht op mij af. Ik geloof m’n ogen niet en verstijf van de schrik, wanneer hij door het hoge gras met een sprong ineens tevoorschijn komt en me in mijn bovenbeen bijt. Ik schreeuw zoals ik mezelf nog nooit heb horen schreeuwen en het hondje verdwijnt even snel als dat het was gekomen. Dan pas zie ik zijn baasje de hoek om komen, die er niets van heeft mee gekregen.
Bep was dat hondje dat gemeen, net voor het baasje Bart binnenkomt, wat schade toebrengt waarna ze snel weer de onschuld zelve speelt.


v.l.n.r.: Thom S., Renatus H., Marcel A. en ik met m'n brilletje.

School is ook hier niet leuk. Ik word door iedereen uitgedaagd en als ik erop in ga, krijg ik de schuld. Laatst was ik m’n broodtrommel kwijt. Die hadden ze verstopt, net voor de pauze begon. Als ik m’n vinger opsteek om de juf te vragen of ze hem willen teruggeven, zie ik hem boven op de kast liggen. Ze vraagt de klas wie mijn trommel heeft gezien en iedereen ziet al dat ik weet waar die ligt. “Er komt geen pauze voor Eugène zijn trommel terug heeft!” Zegt ze. Maar niemand bekent schuld en ze worden allemaal boos omdat ik hun pauze in gevaar breng. “Je ziet waar die ligt, man! Pak hem gewoon!” Hoor ik achter me. Ik volhard, tot Johanne L. vol misbaar opstaat en hem van de kast plukt. Goeie manier om de hele klas tegen je te krijgen. Terwijl de rest zich collectief genaaid voelt, weet ik als paria al jaren hoe het is om er alleen voor te moeten staan. Allemaal rijkeluiskindjes hier.

Mijn resultaten zijn er natuurlijk naar en moeder zit er weer bovenop. En dat ballet gedoe vraagt om een hele andere instelling.
Alles is nieuw voor me en ik vind het veelste meisjesachtig allemaal. Alsof moeder een meisje van me wil maken. Snap de jongens ook helemaal niet. Waarom willen die dansen?
En dan die Franse taal; Tendu's, plié's, pirouettes, tour a l'airs, grand jeté's, piques, changement battu.
Komt nog bij dat het gebouw met de klaslokalen en de studio's waar we dansen, verre van Koninklijk is. Het is me een tochtige, vochtige, slecht geïsoleerde bedoeling zeg. In de winter zit iedereen in de gang op de stenen vloer tegen één van de weinige verwarmingen. Zo kwam ik eens terecht tussen de benen van Digna van Boetzelaar die me over mijn verlegenheid heen hielp. In de studio liggen af en toe dweilen rond een emmer tegen de lekkages.
Geen verwarming in de kleedkamers en stinkende douchecabines.

Marcel A. zelf was zo slecht met ballet, dat die het jaar daarop alweer weg was. Zijn moeder was ook danseres, had ik gehoord, met een eigen balletschool in de stad. Wat moét hij hier dan? Zal wel net zo’n kutwijf zijn als mijn moeder. Marcel A. was nog preutser dan m’n broertje en stond zich in de kleedkamer omgedraaid in een hoekje om te kleden. Waarschijnlijk net als ik door zijn moeder op ballet gestuurd, wat een tragische jongen en in feite een lotgenoot.
Hij zag dat niet, enge latente homo, kleine sadist in spé. Had ik hem maar in elkaar geslagen, dan was ik meteen van die school gestuurd.

Het jaar daarna in de lente, die maandag ochtend 14 mei 1979. Trein gemist en een kwartier te laat.
Als ik gehaast de Korte Lombardstraat inloop, zie ik dat bijna alle klassen buiten staan. Gerard M. spreekt me aan en zegt dat Tialda, een meisje uit onze klas, niet meer thuis is gekomen. Als hij me mee naar boven neemt springen de tranen me op de trap al in de ogen en ik weet niet waarom.
In de klas hoor ik het nog een keer. Maarten de Jager die Nederlands geeft en Fred Rohde, onze docent wiskunde, vertellen dat Tialda Visser sinds vrijdag niet meer thuis is gekomen en door haar moeder als vermist is opgegeven. Iedereen is zwaar aangeslagen.
Onze ouders worden gebeld en ingelicht en scholieren die dat willen, mogen naar huis. Bep belt Bart, die van zijn werk op het LEI naar me toe komt. In de gang bij de kantine wil hij me optillen waar iedereen bij is. Ik wil niet dat Marcel het ziet en stribbel tegen tot hij me weer op de grond zet. We verlaten de school en hij neemt me mee voor een ommetje. Via de Assendelftstraat en de Varkensmarkt richting de Prinsengracht en vandaar weer de Lange Lombardstraat in terug naar school. Daar loopt Marcel inmiddels glimlachend rond omdat die mee mocht in een snelle Porsche van de recherche. Klasgenoten spreken er schande over.

Die avond als ik weer thuis kom, laten Bart en Dirk me na het eten achter met moe. Ze wil met me naar “Opsporing Verzocht” op tv kijken. Het opsporingsprogramma toont een foto van Tialda, gemaakt tijdens ons paasontbijt een maand eerder op school.



v.l.n.r.: Mariëtte A., ikzelf in gesprek met Cynthia Z., Masha loopt daarachter langs en Tialda Visser luistert.

Als “Opsporing Verzocht” afgelopen is wil ze nog een blokkie om met me. Dan kan ik m’n gedachten een beetje verzetten!? Maar ik denk: Met jou zeker. Ik onderga alles met een uitgestreken gezicht. Ze probeert wel tot me door te dringen maar ik begrijp echt helemaal niets van haar medelijden, ik hoef het ook niet.
Weer thuis na de wandeling stap je de auto in en rijden we ook nog naar de Agathakerk.
Ik wil niet weg met jou en zit totaal niet op die troostende woorden van je te wachten. Het is verschrikkelijk in die vochtige stinkkerk en ik staar wezenloos voor me uit. Wat heb ik nu met die kerk, of jouw misvormde devotie?

De volgende dag Dinsdag 15 mei 1979 wordt Tialda gevonden, bij de Leeghwaterbrug in de Haagse Laakhaven, door een man die zijn hond uitlaat en haar half ontklede lichaam ziet drijven. Tialda is in minder dan een etmaal doodgemarteld in een geluiddichte kelder in een pand aan het Buitenhof naast de Hofvijver en het Binnenhof, waar ons parlement is gehuisvest. Door een sadistische, lustmoordenaar die haar mutileerde, met scheermesjes tussen de benen kapot sneed, met potloden doof stak, opdat ze haar eigen geschreeuw niet meer zou kunnen horen, verkrachtte en daarna in de haven dumpte. Ze was er zo erg aan toe, een doodsoorzaak kon niet worden vastgesteld.

Omdat Tom Stuart uit mijn groep elke dag met de tram over de Leeghwaterbrug langs de Laakhaven naar huis moet, vraagt hij me om een keer te komen logeren.
Tom laat me Nina Hagen horen.
Dit was mijn eerste jaar op het conservatorium. Mijn vertrouwen in de regering en de overheid was hiermee ook meteen weg. Echt verschrikkelijk om mensen daar te zien flaneren rond de hofvijver. De randstad werd een deprimerende, claustrofobische, volgebouwde metropool waar ik geen uitzicht meer had. Achter elke deur verwachtte ik een ander drama. Geen ruimte en vergezichten zoals in Wageningen. Bij slecht weer voelde ik me nog beroerder. Een bange, verlegen boer in de grote stad. Met elke dag de stress om goed z’n best te doen, anders roept hij de toorn van z’n moeder thuis over zich af.
Ik moest het brugklasjaar overdoen, maar voor mij hoeft het niet meer. Van school mochten we niet meer alleen reizen en ik was elke dag bang dat ik alleen zou achter blijven. Grotere jongens die naast onze school woonden kwamen wel eens achter ons aan. Anita Lebell (qua uiterlijk, een jongere uitvoering van tante Tiny) heeft hun fiets een keer in elkaar getrapt. Vloekend in haar Amsterdamse accent, beschermde ze de eerstejaars die meeliepen. Ze heeft me ook letterlijk en figuurlijk, opgevangen toen ik instortte. Met klasgenoten liepen we na het slechte nieuws over Tialda naar de paleistuinen met de koninklijke stallen. Toen we het park inliepen en ik de anderen zag, brak ik in huilen uit. Als Anita me niet had opgevangen had ik op de grond gezeten.
Tialda was twaalf jaar en is door ons op het conservatorium nooit herdacht. Geen stille tocht, geen gedenkplaats of witte ballonnen.
Het is mogelijk om op school met een psycholoog te praten, maar daar had ik dan mijn moeder voor.
Geen straat loop ik meer in zonder dat ik eerst overzicht heb. Alleen als er geen hondenuitlaters lopen of groepen rondhangen trek ik er doorheen. Ramen gebruik ik om in de gaten te houden of ik achtervolgd word, of ik strik m’n veters om mijn omgeving te kunnen scannen en mijn achtervolgers te laten passeren. Het dilemma: Als ik van deze horror school ga, kom ik weer in Lisse bij haar terecht. Ik kan niet kiezen en geen keuze maken betekent gewoon blijven.
Ondertussen voel ik me net zo kwetsbaar als Tialda. Als iemand mij op straat zou aanspreken weet ik niet of ik nee kan zeggen.

In de winter van 1979 kregen we twee weken langer vakantie omdat het Conservatorium een nieuw onderkomen krijgt en de bouw bijna voltooid is. Ik heb toen in een dag leren schaatsen en vluchtte daarna bijna elke dag het ijs op. Als het nieuwe schoolcomplex klaar is zullen we na de kerstvakantie het gebouw aan de Juliana van Stolberglaan betrekken. Alle opleidingen, de school de dans en de muziek in één gebouw, met nog een theaterzaal en een concertzaal en een hele vleugel met alleen maar studiekamers.
Mijn rapporten zijn slecht. Ik zie school ook eigenlijk alleen maar als dagopvang. Het eerste jaar in het nieuwe gebouw zijn het alleen maar vieren en vijven. Met dans twijfelen ze of ik er wel echt voor wil gaan. Door het conservatorium verlies ik langzaamaan alle contacten met de mensen die ik in Lisse heb leren kennen. Sommigen zijn nog wel eens uitgenodigd als ik een uitvoering had, maar zelf ben ik altijd te druk geweest met de training en de muzieklessen. Geen tijd meer voor hun verjaardagen.
Wel met Marco mee geweest want die wilde naar Grease in Leiden. Zaten we daar in een zaal vol luidruchtige kinderen te balen. Wat een kutfilm. En de Eugène die er in voor kwam, werd nog gepest ook. Ik ben alleen naar het horror film festival geweest in Qbus: “Suspiria” van Dario Argento uit 1977 draaien ze daar, een verhaal dat zich afspeelt op een balletschool. Daarna een nieuwe van David Cronenberg ook 1977, “Rabid” waar iedereen getroffen wordt door het rabiësvirus en ze elkaar gaan besmetten en afslachten. Horror en Hardrock, als het maar donker, zwart, zwaar en snel is, bevalt me beter.

Het is 1981. In de zomer verhuizen we zelf ook, alweer. Naar een vrijstaande woning aan de Heereweg in de engelenbuurt in Lisse, aan de rand van het dorp tegen Sassenheim aan. Zeven jaar in de Kievitstraat? Ik weet niet of ik het nog vier jaar zo vol houd, zal blij zijn als ik vrij ben van die mensen.

"Jesus, I beg of thee, don’t take my life.
Return me to the whomb from wich I was torn.
Birth is a sin and the punishment is death.
I wish you had left me unborn."

(Peter Steele, Carnivore 1962-2010)

vorige pagina - terug naar index - verder lezen.