DE TOEKOMST IS NIET MEER WAT HIJ GEWEEST IS.

 

Rede bij de installatie van de Raad voor Jeugdbeleid Noord-Holland op 1 juli 1983
G.P. Hoefnagels
professor jeugdrecht & criminologie.

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst…,
maar de toekomst is niet meer wat hij geweest is.

  1. de toekomst van de jeugd beantwoordt niet aan het beeld van de toekomst dat ouderen vroeger hadden.
  2. de toekomst van de jeugd ziet er anders uit dan de jeugd zelf verwacht of anders dan de toekomst die zij zelf ontwerpt.

 

Het onderscheid is van belang.
Er bestaan minimaal drie soorten toekomst, twee subjectieve en een objectieve.

  1. de toekomst die de volwassenen (voor de jeugd) zien of ontwerpen.
  2. de toekomst die de jeugd voor zichzelf ziet
  3. de objectieve toekomst.

Indien volwassenen willen weten wat zij voor de jeugd doen, moeten zij hun eigen subjectieve toekomstbeelden & -waarden onderkennen.

Ik begin dan ook met de subjectieve toekomstontwerpen.

 

 

A.  De toekomst die de volwassenen (voor de jeugd) zien of ontwerpen.

 

Dit toekomstbeeld is niet zelden geënt op de beelden & waarden van de eigen jeugd van die volwassenen. Die beelden en waarden zijn verschillend voor de verschillende generaties.

Ouderen die de crisis van 1930 nog hebben meegemaakt, hadden en hebben als beelden en waarden o.a. “Je boterham”: “Je boterham zelf verdienen”, arbeid, een baan en zo mogelijk een loopbaan of carrière, die zelfs gepland kan worden. Dat verdienen doe je voor een gezin.
Als de man dat niet kon, deed de vrouw het. “Mijn vrouw nam er een paar werkhuizen bij, om de kinderen te laten doorleren.”

 

Deze mensen die in de crisis van de dertiger jaren zelf nog gesappeld hebben, zijn nu bejaard.
Hun beeld van een economische crisis klopt niet met het beeld van de huidige crisis, waarin,
ik citeer: “de mensen met armen vol inkopen de winkel verlaten”, waarin geen enkele controle is op de besteding van bijstandsgelden en waarin bijstandsgelden nagenoeg moeiteloos verkregen worden, vergeleken bij de lange rijen uit hun jeugd die wachtten op een armoedige fooi waarvoor ze dagelijks hun hand moesten ophouden en moesten stempelen.
Deze mensen zijn nu (1983) vijfenzestig jaar en ouder. Zij zien de verdwijning van de armoede en bedelarij als een grote verbetering: zij zien de verdwijning van het arbeidsethos doorgaans als een verslechtering.

 

Deze generatie volwassenen zit, zo is mij gebleken, niet in uw Raad voor Jeugdbeleid.

Iets minder oudere volwassenen, zoals ik, hebben de armoede of soberheid van de naoorlogse jaren gekend.
De waarden en beelden worden hier wat relatiever gezien, omdat we door de oorlog geleerd hebben hoezeer waarden veranderen. We bulkten van de idealen tijdens de oorlog en na de bevrijding, maar we moesten er mee leren leven in de werkelijkheid.


Ik schreef in de novelle Het afscheid van de Bevrijding:
“Het was de zomer van de bevrijding. De eerste zomer in vrijheid. We waren er zeker van dat alles kon. We konden gaan en staan waar we wilden. Dansen, jazz-spelen voor Amerikanen, Engelsen, Canadezen. Alles kon. We leefden van idealen. Dat hadden we tijdens de oorlog geleerd.

Daardoor hielden we het vol.
“Hier Radio Oranje. De stem van Herrijzend Nederland”

Die stem worstelde zich heldhaftig door het krakende golvende geluid van een geheime radio in de kelder.

Als je wegens luisteren naar de Engelse radio gesnapt werd, kreeg je de doodstraf. Dat maakte het ideaal nog mooier. Je hoorde de zee door het geluid van Radio Oranje. De zee was de weg naar de vrijheid. Ik dacht erover naar de Zeevaartschool te gaan, maar deze was nog gesloten.

 

Na de bevrijding werd het allemaal nog mooier. Het ideaal van de bevrijding werd waar. Tastbaar. We zagen de Engelsen en Amerikaanse soldaten. Ieder kaki-uniform was een zichtbaar ideaal. Ik wilde daar ook bijhoren. Oude en nieuwe beelden vermengden zich met oude en nieuwe idealen. Alles kon… Soldaat worden, toneelspelen. Dokter worden. Varen. De zee. Naar Indië gaan. Mensen bevrijden van de Jappen. Alles kon.

Nu ja, niet àlles kon. Ik was te jong om soldaat te worden. Ik moest een jaar wachten. Wachten? Niets kon wachten. We hadden vijf jaar gewacht. Op alles. Nu leek alles voor handen. De bevrijding. Eten. De Engelsen, de Amerikanen, de Canadezen. De bevrijdingsfeesten. De Koningin. Nederland was één. Alles was goed en zou nog beter worden. Alles kon. Met de bevrijding en een diploma lag de wereld voor je open. Indië moest nog bevrijd worden. Maar daar kon je aan meehelpen door soldaat te worden. Wereldwijde dromen werden overgoten met dat wonder van de bevrijding van de Duitse tirannie.
Een vrijheid zonder grenzen. Verblindende mogelijkheden. Dromen die werkelijkheid werden. We waren dronken van vrijheid. Alles kon.

 

Maar alles kon niet! Er kwamen steeds meer praktische bezwaren. Niets kon eigenlijk, als je aan je toekomst dacht. Langzaam werd je gewaar: er kon niets, in ieder geval niet veel, eigenlijk maar heel weinig….

 

“Ik moet u namens de minister meedelen dat uw verzoek niet kan worden ingewilligd. Er worden nog geen studiebeurzen verstrekt. De afdeling bestaat nog niet.” 1).

 

Maar er waren nog veel idealen over.

Wij ontdekten hoezeer onze idealen afketsten op de werkelijkheid, de langzame opbouw van Nederland, hoe onze idealen hier en daar een beetje vorm kregen in de werkelijkheid, maar meestal niet. We hebben geleerd echte van onechte idealen, authentiek en inauthentiek goed te onderscheiden.
Uit deze generatie komen o.a. Jan Blokker (1927), Harry Mulisch (1927) Michel van der Plas (1927) Dick Hillenius (1927) Henk Hofland en Lucebert.
Ik voel me met hen verwant, niet alleen omdat ik in hetzelfde jaar geboren ben, maar om het doorprikken van onechtheid, zoals ik dat bij Blokker en Lucebert herken.
Wij behoren tot een generatie, zegt Jan Blokker: “die in 1940 mans genoeg was om te zien wat er in de wereld gebeurde, maar net te jong om er actief aan te hoeven deelnemen. Zo’n generatie lijkt gedoemd, vroeg oud te worden.” 2)

 

Relatief onbedreigd de bezetting meemaken tussen je dertiende en je achttiende:
dat betekende knusse HBS-jaren in het volle besef dat er buiten de deur een oorlog woedde,
dat joden uit de straat via de Hollandse Schouwburg naar Westerbork en vandaar naar verder werden getransporteerd,
dat tussen Aken en Dresden geen steen meer op de ander diende te blijven staan,  en
dat een atoombom op de vijand maar een fractie was van wat hij eigenlijk verdiende.


Het betekende bovendien een snel afnemend vermogen om (zoals Hofland het onlangs ongeveer formuleerde) “ooit nog, over wat dan ook, van verbazing echt om te vallen”. 3)

 

Wij hebben geleden onder knellende dogma’s en geprotesteerd tegen de zuilen van de vijftiger jaren. Wij hebben in de zestiger jaren vaak genoten van de bevrijding in denken en doen.
Wij hebben geglimlacht bij de overdrijvingen, want echte bevrijding is niet te overdrijven; het is een feest.
Wij zijn teleurgesteld in de nieuwe dogma’s en de nieuwe zuilen van de zeventiger jaren. Wij zijn een beetje boos bij nieuwe onechtheid, vooral als eigen belang zich hult in het kleed van de progressiviteit.

Deze generatie zit met een kleine minderheid in Uw Raad voor Jeugdbeleid.

 

Tenslotte is er de derde generatie van volwassenen die Nederland uit eigen ervaring alleen maar gekend hebben in tijden van economische groei en uitbouw. De tijd van “Nodig?”

Nodig?
Niets is nodig. Alles luxe en overdaad.
Dit is in kwantitatief opzicht, ook in Uw Raad, de belangrijkste groep.
In kwalitatief opzicht is zij belangrijk, omdat deze groep de heersende mening van vandaag vertegenwoordigt. Ik ga er dan ook wat uitvoeriger op in, zij het nog niet uitvoerig genoeg. Dat zal de geschiedenis doen.

 

Overbodig te zeggen dat bij de bespreking van de meningen en opvattingen, waarden en beelden van elke generatie hier slechts grote lijnen worden geschetst. Iedere generatie is een generalisatie.
Sprekende over een generatie en zijn waarden, gaat het mij er niet om een sociologisch overzicht te geven van alle variaties van meningen die daarbinnen bestaan.
Het gaat om een schets van een meervoud van meningen en waarden.

De huidige generatie komt uit de periode dat Nederland een verzorgingsstaat werd in een mate die in de geschiedenis van de mensheid onvergelijkbaar is en in de wereld zijn gelijk vrijwel niet vindt.
Deze generatie heeft van jongs af aan ervaren dat “de overheid overal voor zorgt”, alle zinvolle en zinloze (al naar gelang je standpunt) activiteiten en behoeften van burgers subsidieert, betaalt of tenminste de voorwaarden daarvoor schept.

 
Het is de generatie die gunsten en gaven leerde omzetten in rechten, die ging spreken van “recht op gezondheid”, “recht op recht” en soms zelfs van “recht op geluk”.
Het is de generatie die meemaakte hoe in de jaren 60 de zuilen werden gesloopt en de dogma’s werden vervangen door vrijheid, die in de zeventiger jaren onmiddellijk weer werd ingeperkt door nieuwe dogma’s en nieuwe zuilen.
Deze laatste zuilen en dogma’s zijn weliswaar niet van confessionele aard, maar vertonen wel alle karaktertrekken van Hollands Calvinisme: beginselvastheid, overtuiging en prediking. Nieuwe kerken ontstonden, zij het buiten de kerkgebouwen, en de oude godsdienstige rituelen waren herkenbaar in de acties en demonstraties bij Dodewaard, op het Binnenhof en elders.

De nieuwe kerkdiensten werden gehouden in de “plenaire vergadering” en de “massale demonstratie”.
Haar nooit voldoende te waarderen verdiensten liggen bij haar ontstaan:
Het verzet  tegen de dirty-dirty war in Vietnam. Massaal en toen voor het eerst met manipulatief gebruik van politie en publiciteit: Duitse kranten aan wie door Provo rellen “verkocht” werden mèt en zonder politie. Dat systeem van actie en persgebruik werd in de zeventiger jaren in vaste rituelen voortgezet.
Zoals in iedere kerk werden beginselen gehandhaafd: gelijkheid, emancipatie, solidariteit, feminisme, antifascisme, ontplooiing (ik gebruikte slechts de woorden die door de nieuwe leden van de Raad voor Jeugdbeleid in hun korte geloofsbelijdenis bij het Beleidsplan 1983 – 1987 op de bladzijden 36 en volgende zijn neergeschreven).
Zoals in elke kerk, in ieder geval in Holland, zullen de bedoelingen en interpretaties van al deze beginselen voor de generatiegenoten variëren. Voor ons betoog is van belang dat in de generatie van de heersende mening variabele opvattingen over arbeid bestaan en arbeid een los-vaste verbinding heeft met het recht op inkomen, desnoods, desgewenst of zeer zeker een recht op arbeidsloos inkomen.

De periode van 1960 – 1980 is niet alleen de periode waarin de huidige generatie volwassenen met de heersende mening ontstond, maar ook de periode waarin de jeugd van nu groot werd en wordt.
Daarom zetten we de beschrijving van deze periode voort onder B.

 

B. De toekomst die de jeugd voor zichzelf ziet.

 

Nederland veranderde tussen 1960 en 1980 als was het een snelle film.

Kerken werden gesloopt. Nederlandse grootouders verdwenen in bejaardenflats. Oude gebouwen werden gesloopt. Nieuw onheil werd in 17 woonlagen verzekerd.
Pubers werden nozems, nozems werden punks. Het lyceum werd een scholengemeenschap.
De Mulo werd Ulo. De Ulo werd Mavo.
De persoonlijke zorg van de autoritaire leraar werd vervangen door de onveilige zekerheid van de “Mammoet”. Allemaal aan één grote leerspeen in één groot gebouw.
Niemand meer kansarm en iedereen verplicht gelukkig.

Oude wijken werden gesloopt. De snuisterijen die daaruit overbleven, verdwenen in de winkel op de hoek. De winkel op de hoek verdween. De antiquair werd nostalgie-shop.
De atoombom werd neutronenbom, waardoor de 17 woonlagen worden gespaard.

Alles stond in het teken der verandering. Nederland werd herbouwd, gereorganiseerd en geherstructureerd.
Terwijl er al lang geen conducteur meer is om de zwartrijders te controleren, gaat de politie bonnen uitschrijven voor de dronken rijders. De persoonlijke verontwaardiging van de autoritaire officier van justitie werd vervangen door de onveilige zekerheid van de politiële transactie. Alles werd geautomatiseerd, maar wel zo dat elke dienstbaarheid verdween.
De automatisering kwam ten dienste van de staat en het grootbedrijf en meestal ten nadele van de mensen.

De periode 1960-1983 zit vol paradoxen. Het is de tijd van

 

Het is de tijd van

“Doe Maar” èn van Freek de Jonge
 van Freek links en Freek rechts,
van Kooten en van Bie.


Het is de tijd van ritueel protest tegen de overheid èn van kritiekloze aanvaarding van de staat als kapitalist, van de grootst mogelijke oppervlakkigheid èn van de humorloze calvinistische ernst; van voorgewende armoede èn stiekeme overdaad; van verborgen nood èn de luidruchtige labelling van de underdog (de laagstbetaalde gedetineerde Marokkaanse gehandicapte bijstandsmoeder met maatschappelijke achterstand);
van het aanbidden van idolen èn het miskennen van kwaliteit; van de ontplooiingsideologie èn het gestructureerd verwaarlozen van talenten; van het verlangen naar eerlijkheid èn de hypocriete manipulatie van dogma’s; van de grootste verwenning der mensen aller tijden èn de in optocht beleden nood.

In deze paradoxale periode groeit de jeugd van nu op.

 

Overheid en macht werden in de  zestiger jaren onder kritiek gesteld, en in de nieuwe kerken werd de kritiek voortgezet door wie niet op de eerste en tweede rij zaten. De regenten werden afgezet en vervangen door de anti-regent-regenten van Nieuw Links en Jong Rechts.

 

Nederland stond nooit meer stil, zou eeuwig veranderen en altijd progressief zijn of moest zo heten. Iedereen in Nederland werd progressief of noemde zich zo.

Als iemand zegt dat hij conservatief is dan weet je tenminste dat het waar is.
De jeugd werd via de Mammoet gereorganiseerd; iedereen moet doorstromen, maar het werkt als een zeef: wie niet mee kan komen valt uit de boot en in de Mavo, en wie dit niet haalt heeft pech gehad, want de LTS (vroeger als Ambachtsschool een hoge sport op de maatschappelijke ladder) raakte uit de gratie.
Alle talenten moesten ontwikkeld worden, maar de ambachtsschool werd LTS en de LTS werd schromelijk verwaarloosd en onderontwikkeld.

 

De kraan van oma drupt. Er moet een kraanleertje in.
De loodgieter kost minimaal 52,50 voorrijden, dus nog zonder leertje. Oma heeft ook een kastplank nodig. De timmerman kost minimaal 42,50 voorrijden zonder kastplank.

 

De kraan van oma drupt nog steeds. Ze heeft nog steeds haar kastplank nodig.
De kozijnen moeten geverfd worden. De schilder kost minimaal 42,50 per uur.
Oma leest in de krant dat het aantal werkloze loodgieters, timmerlieden en schilders weer is gestegen.

 

De kraan van oma drupt. Ze heeft een kastplank nodig. Haar lamp in de slaapkamer maakt kortsluiting. Ze leest in de krant, dat de BTW en de premie op arbeidsloon enkele procenten is verhoogd. Het andere kozijn moet ook eens flink geschilderd worden.

 

De kraan van oma drupt. Ze heeft een kastplank nodig. Ze gaat op de tast in het donker naar bed. Het hout van de kozijnen begint te rotten.

Ze leest in de krant dat Nederland tot de technisch hoogst ontwikkelde landen van de wereld behoort. Het aantal werklozen onder loodgieters, timmerlieden, elektriciens en schilders is weer gestegen.

 

Zo kregen we een geautomatiseerde technische hoog ontwikkelde samenleving waarin oma géén kraanleertje meer op haar kraan kan krijgen omdat de Nederlander géén timmerman of loodgieter meer kan betalen, niet omdat deze zoveel verdient, maar omdat hij inclusief 18% BTW, sociale lasten en premies, die ooit eens voor oma bedoeld waren, zijn werk alleen kan doen voor ministeries en grote bedrijven.
Daar lopen de kranen dus goed!

 

Hoe ziet de jeugd die in deze periode opgroeide en opgroeit haar toekomst?

Het eerste dat opvalt is dat we daar weinig van weten. Natuurlijk kan evenals bij de eerder genoemde generaties t.a.v. de beleving van de jeugd niets gegeneraliseerd worden. Zelfs niet haar beleving van werkloosheid.

In 1978 (toen de jeugdwerkloosheid nog de vriendelijke omvang had die we nu graag als streefgetal zouden aannemen) sprak de Europese Commissie van Sociale Zaken van

“vervreemding, verpaupering & verwildering”

als dreigende maatschappelijke gevolgen van jeugdwerkloosheid. 3)

 

Dat is flinke taal die meer lijkt op autoriteitenretoriek dan op wijsheid, want de commissie sprak niet op grond van feiten. Je kunt de beleving van een verschijnsel anderen ook aanpraten, zeker als je de massamedia tot je beschikking hebt.

Wat de beleving van de jeugd betreft: uit een onderzoek van tien jaar geleden (oud dus al voor een jeugdonderzoek) bleek dat zowel onder werkende als werkeloze jongeren slechts een kleine groep werd aangetroffen met een alternatieve arbeidsattitude, gezien uitspraken als:

-         Je zou eigenlijk vrij moeten zijn om wel of niet te werken;

-         Je kunt beter in de WW lopen dan vervelend werk doen;

-         Je moet alleen werken als je geld nodig hebt. 4)

De auteur meldt hoopvol dat deze kleine groep in de toekomst misschien gaat groeien.

In 1975 blijkt uit onderzoek dat 57 tot 80% van de werklozen, zowel ouderen als jongeren, de nadelen zwaarder vinden dan de voordelen.
Nadelen zijn verveling, financiën, minderwaardigheidsgevoel, minder sociaal contact en onzekere toekomst.

Voordelen: meer vrije tijd, zelf indelen van tijd, meer hobby’s en studie. 5)

Het krachtigste komt de verveling naar voren in deze onderzoeken.
Bij langdurige werkloosheid worden de nadelen versterkt.
Een deel van de jongens wordt drop-out of beroepswerkloze. Voor meisjes wordt dat versluierd als zij huisvrouw worden. 6)

Help je jongeren aan een baan dan maakt dat de overstap van school naar arbeidsmarkt gemakkelijker. 7)

 In het rapport “Jeugdwerkloosheid”van het Sociaal Cultureel Planbureau (1980) wordt geconcludeerd dat over de beleving van werkloosheid door jongeren weinig empirisch onderzoek bestaat en er geen eenduidige resultaten zijn.

Over de houding van de jeugd tegenover arbeid signaleert het SCP een aantal verschijnselen. In Denemarken ontwikkelt zich een patroon waarbij jongeren zonder diploma het onderwijs verlaten, dienst weigeren en in elk geval het werk in de industrie zoveel mogelijk vermijden of helemaal geen werk meer zoeken.

Een zo radicale afwending van het maatschappelijk bestel komt in Nederland alleen in kleine subculturele groepen van jongeren voor. Toch zijn er wel enkele culturele veranderingen te signaleren, die erop wijzen dat de houding van jongeren ten opzichte van de arbeid verandert.

 

In 1971 blijkt uit onderzoek door van Delden dat de gerichtheid op de arbeid bij jongeren (15 t/m 25 jaar) veel zwakker is dan bij ouderen.

Van Delden spreekt dan ook over een generatiegebonden verschil in waardering van werk en vrije tijd. Het onderzoek “Kwaliteit van de Arbeid” (IVA, 1977) levert een soortgelijk resultaat op.

Het onderzoek “Culturele Veranderingen in Nederland 1958-1975” van het SCP toont aan, dat de waardering van de vrije tijd tussen 1966 en 1975 vooral bij jongeren (onder de dertig jaar) is toegenomen.

Philipsen noemt in een recente studie een modern cultuurpatroon een van de oorzaken van kortdurend ziekteverzuim. Dit cultuurpatroon wordt gekenmerkt door een zwakkere werkoriëntatie, een grotere behoefte aan vrije tijd en een minder strikt plichtsbesef ten aanzien van werk. 8)

 

C. De objectiva van de toekomst van de jeugd.

 

In 1980 telde Nederland 2.379.400 jeugdigen van 15 t/m 24 jaar.
Volgens vooruitberekeningen van het CBS zullen er in  1985 2.414.800 15 t/m 24 jarigen zijn.
Pas in 1990 zien we een demografische omslag (vermindering). In 1981 waren bijna 150.000 jongeren t/m 24 jaar werkloos. Eind april 1983 waren 118.980 jonge mannen en 99.670 jonge vrouwen beneden de 23 jaar werkloos.
De jeugd maakt nu 29% uit van de totale werkloosheid. 9)

Alleen al op demografische gronden, kunnen we voorspellen dat vanaf nu tot 1990 de criminaliteit zal toenemen, met name door de toename van het aandeel van de mannelijke 15 t/m 24 jarigen. 10) Het druggebruik zal bij hen toenemen. Vanouds gaan werkloosheid, verveling en alcohol hand in hand.
De hogere prijzen daarvoor zullen worden betaald via nieuwe vermogenscriminaliteit.

Vanaf 1995 zal Nederland vergrijzen.

Als de economie voor 1990 niet meer banen zal opleveren (en niemand beweert dat; àls de economie aantrekt kan de automatisering het meerdere aan banen vervangen 11), dan zal het aantal jeugdwerklozen tot ongekende hoogte stijgen.

 

 

a. Definiëren van werk.

We moeten wel goed weten wat we onder werk en werkloosheid verstaan.

Van Dale omschrijft ‘werkeloos en werkloos’ als:

  1. ‘niets doende, niets verrichtende …, zijn tijd werkeloos doorbrengen; haar handen lagen werkeloos in haar schoot.
  2. Zonder werk (buiten eigen toedoen) geen werk kunnen vinden; hij is al geruime tijd werkloos.

De omvang van de werkloosheid wordt mede bepaald door de definitie ervan. Voor ons kan het verhelderend zijn een onderscheid te maken tussen werkeloosheid en werkloosheid.
Werkeloos is iemand die met zijn handen in de schoot zit, die niets uitvoert. Bijvoorbeeld: na het werk zat hij er werkeloos bij.

Werkloos is iemand die door de overheid geregistreerd is als iemand die geen betaalde arbeid verricht. Deze overheidsdefiniëring van werkloosheid maakt het officiële cijfer van werklozen groter dan het aantal werklozen, indien een aantal geregistreerden:

  1. wèl betaalde arbeid verricht.
  2. niet betaalde arbeid verricht.

Het officiële cijfer der werkloosheid wordt kleiner dan het aantal werklozen, indien een aantal mensen via andere dan werkloosheidsuitkeringen niet aan het arbeidsproces deelneemt (door WAO, studieverlenging e.a.).
Het is een aparte vraag in hoeverre het van belang is of in vergrijzend Nederland zal zijn, het werk van boven 65-jarigen een plaats te geven in dit onderscheid.

 

De officiële of overheidsdefinities van werk, werkloosheid en werkgelegenheid kloppen niet meer met wat er feitelijk door de mensen ondernomen wordt. Het totaal van werk dat door een onbekend aantal mensen naast een officiële baan of een gehele of gedeeltelijke uitkering wordt verricht is van onbekend grote omvang. De werkster en de klus zijn veelal “zwart”.

 

Al dat werk, beneden de maat van zijn kwalitatieve betekenis samengevat onder de term “klussen”, ontglipt aan de overheidsdefinities van werk, werkloosheid en werkgelegenheid. “Het feit dat het ‘zwarte circuit’ in de economie de sterkst groeiende sector is binnen een aantal OESO-landen, getuigt van de veerkracht en verbeeldingskracht van de mensen tegenover een versteende werkmaatschappij.


Tegelijkertijd vormt het zwarte circuit niet meer dan een overgangsverschijnsel, een ontspanningsmogelijkheid voor diegenen die op zoek zijn naar activiteit ….12)
De arbeid in dit circuit is zowel voor de werkende als voor de consument vaak van kwalitatief hoge betekenis en behoort tot het materiële welzijn.
Het is ook zonder verhitte economie en hoge welvaart bereikbaar en het past goed bij een ‘repairing society’.

De feitelijke werkgelegenheid ontsnapt nog op een andere manier aan de officiële definities. Er is arbeidstekort en er is werkloosheid, tegelijkertijd en op dezelfde terreinen.
Wij noemen dit het “verwerklozen” van een samenleving.

 

Verwerklozen is het onnodig uit het arbeidsproces halen van werknemers,
waardoor arbeidstekort ontstaat tot schade aan de consument.

Een enkel voorbeeld: Er is minder dienstverlening bij PTT, NS en Stadsvervoer door gebrek aan personeel.

 

Dit waren enkele voorbeelden, waarbij het arbeidstekort door werkloosheid en uitkeringen vervangen werd. De kosten van deze ‘automatiseringen’lijken in termen van bedrijfsboekhouding wellicht besparingen, maar zij zijn veel hoger dan de uitgespaarde personeelskosten, zeker als men de uitkeringen, de vernielingen, de sloop en de ongemakken meerekent.

 

Een ander type werkgelegenheid kent de hoofdonderwijzer die graag een van de vele werkloze jonge onderwijzers zou aantrekken om voor hem een aantal organisatorische klusjes in de school op te laten knappen en, bij ziekte van een leerkracht, in te vallen.
Een stage met behoud van uitkering. De wet verbiedt dat thans in plaats van het te bevorderen.

Er zijn vele functionarissen die veel te hard moeten werken en die hun taak graag verlicht zagen door het werk van anderen. Zij drijven nog op een arbeidsethos dat tot een voorbije geschiedenis behoort.
Deeltijdarbeid is daarvoor geen oplossing. Er moet een nieuwe verantwoordelijkheid ontstaan betreffende arbeid. Want het hoofd van een school, afdeling of fabriek kan niet slechts veertig uur of een deeltijd in dienst zijn; zulke banen en verantwoordelijkheden zijn verweven met het bestaan.

Over het algemeen denkt de overheid te veel in het groot (en niet groot genoeg) te veel macro en toch te zeer in compartimenten (NS werkt ‘goedkoper’, maar de betaling wordt door sociale zaken gedaan en de sloop van een goed gebouw dient men af te trekken van het Bruto Nationaal Product), te veel in officiële cijfers zonder zicht op de feiten en betekenissen die de mensen eraan geven.
De mensen zijn al in zo grote getale bezig met eigen creatieve, kleinschalige oplossingen, in elk geval met zulke andere opvattingen en definities van werk, dat de overheid daaraan niet meer voorbij kan gaan.


Nu de benoeming door de overheid van werkgelegenheid en werkloosheid
niet meer overeenstemt met de feitelijke werkzaamheden en betekenissen van
grote groepen mensen,
doet de overheid er goed aan minder te heersen en meer te stimuleren
wat al door de mensen gevonden is.

 

b. Voorstellen.

Er is voor iedere Raad voor Jeugdbeleid alle reden om de jeugdwerkloosheid als het hoofdprobleem te zien. Niet alleen vanwege de sombere kanten. Niet alleen met de waarden en het arbeidsethos van de oudste en één na oudste generatie.
Willen we de harde feiten te lijf gaan dan moeten we ze aanvaarden om ze te kunnen veranderen, de feiten anders te kleuren en er een verschuiving en dynamiek in aan te brengen.

 

Ik aarzel bij het doen van voorstellen, maar kom tot de volgende concrete bijdrage:

 

  1. Herstel de technische en sociale dienstverlening in onze samenleving,
    teneinde de onderlinge dienstbaarheid en de kwaliteit van het bestaan te bevorderen.
    De kraan van oma lekt nog steeds. Er is een enorme behoefte bij de mensen aan loodgieters, timmerlieden, gezinsverzorgers, reparateurs in alle soorten en maten.
    Er is behoefte aan werk voor mensen die werkloos zijn.
    Er is kortom een enorm arbeidstekort dat regelrecht te maken heeft met de kwaliteit van ons bestaan, waaruit de dienstverlening is weggestructureerd door sociale premies, BTW, loonvorming en automatisering.
    De bijdrage van de overheid kan hier zijn deregulering. Ik weet zeker dat iedere Nederlander mij zevendertig redenen kan opnoemen waarom dat niet kan. Zevendertig redenen die in vrijwel alle landen buiten West-Europa niet bestaan. Dan is Nederland één interdependent systeem waarin niets meer kan of mag veranderen. Dan veranderen we, op weg naar een miljoen werklozen, niets.
    Dan is Nederland klaar, vol en af.
  2. Herstel de funktie en status van de LTS.
    De talenten van de jeugd vragen niet alleen om de driedeling Mavo/Havo/VWO. In dit doorstromingssysteem gaan de getalenteerde handwerkers en technici naar de MAVO die zij voor een groot gedeelte niet afmaken. Herstel de LTS in de oude glorie met moderne technieken en leer jonge mensen iets maken. Ons onderwijs is altijd nog vele malen beter dan dat in andere landen.(Al doen alle nota’s en reorganisaties die van bovenaf komen er alles aan om die kwaliteit te verminderen.)
    Het is een taak van de Raad voor Jeugdbeleid om op plaatselijk, provinciaal en lan
    delijk niveau het lagere technische werk en de lagere technische scholen in ere te herstellen.
  3. Creëer arbeidsplaatsen waar de automatisering haar negatieve effecten doet gelden.
    Bij zwartrijden in de tram, bus en metro, vandalisme in onbemande spoorwegstations, gebrek aan koffie in spoorwegstations en op haltes etc., etc.,
    dus overal waar arbeidstekort is, kunnen we arbeidsplaatsen creëren. Dat kan natuurlijk weer niet, als we ervan uitgaan dat het systeem Nederland klaar is, vol en af. In een hoog geïndustrialiseerd land als Japan zijn voor de dienstverlening vele banen gecreëerd in supermarkten e.d. 13).

 

Deze drie suggesties, kleine bijdragen (ik ken de omvang niet, ik zie wel de kwaliteit van het bestaan groter worden), verminderen de lasten voor de staatskas niet.
Ze kosten waarschijnlijk enig geld (ofschoon minder zwartrijders en minder vandalisme ook weer geld opbrengen).

 

Mijn vierde uitweg kan wel economisch rendement opbrengen.
Ik heb dit voorstel in januari 1982 in korte vorm gedaan, heb er tot nu toe in kleine kring nog slechts positieve reacties op gehad, maar wil het nu iets meer body geven.

 

We noemen het plan:

 

 4.     Banen in buitenland:

Het zal tot in de negentiger jaren voor de meeste jeugdigen zeer moeilijk zijn om een zinvol perspectief in Nederland te vinden. Er zijn in de wereld vele landen waar grote behoefte bestaat aan lager, middelbaar en hoger technisch personeel. Deze landen missen meestal de opleidingsinstituten daarvoor. Onze opleidingen vormen een uitstekend exportartikel dat wij aan die landen te bieden hebben.
Indien beroepen en functies in het buitenland een regelmatig algemeen bekend aanbod en alternatief in Nederland worden, dan is dit een outlet voor de Nederlandse jeugd die kan kiezen tussen het onbekende of minder bekende buitenland en een vergrijzend Nederland.

Het tableau van dit plan ziet er als volgt uit:

 

A. In het buitenland:

- Systematisch signaleren in verschillende landen, onder andere via ons geregeld overleg met vele ontwikkelingslanden, zowel in het bedrijfsleven als via regeringen en ambtelijke kanalen, welke beroepen en functies er nodig zijn, in het bijzonder op lager, middelbaar en hoger technisch onderwijs.

- Te denken valt aan een kwartaalaanbod, waarvoor met ieder land telkens een overeenkomst gemaakt wordt over de aantallen functionarissen. Bij de Directie Emigratie wordt al de plaatsing van een computer voorbereid die geprogrammeerd is op banen in emigratielanden.

Over dit plan “Banen in het buitenland” ben ik in overleg met de Directeur voor de Emigratie van ons Departement.
In de adviesaanvraag van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de SER over tijdelijke emigratie van jeugdigen wordt op hetzelfde thema gezinspeeld.

 

B. In het binnenland.

- Geregelde (ster-)reclames en voorlichting met aanbod van functies, dus bijvoorbeeld:

Indonesië: 612 loodgieters, 322 timmerlieden, 15 elektrotechnisch ingenieurs.

Nigeria    : 118 timmerlieden, 73 autogenisch lassers, 2 medisch internisten, 25 planologen.

- Selectie, training en instructie van drie weken tot drie maanden, waarbij gegadigden worden voorbereid. a. Op het land van bestemming. b.Op de functie.

Geselecteerd wordt telkens een melange van functionarissen met meer praktijkervaring en functionarissen met minder praktijkervaring.

 

C. Het loon en de uitzending worden in beginsel betaald door het ontvangende land, maar kan mede ondersteund worden door de financieel betrokken Nederlandse ministeries (Sociale Zaken, Werkgelegenheid en Ontwikkelingssamenwerking).

 

Effecten.

 

  1. De voornaamste doelstelling: het aanbieden van een zinvol perspectief voor de jeugd.
  2. Het beantwoorden aan de behoeften van andere landen die qua opleidingingsinstituten en techniek minder infrastructuur hebben dan Nederland.
  3. Enige financieel-economische opluchting voor het Nederlands uitkeringsbestel, het Nederlands onderwijs en het woningbestand.
  4. Ons lager-. middelbaar- & hoger technisch onderwijs zal, bij meer vraag en aanbod van functies, weer beter worden, een doorstromingsfunctie krijgen en een hogere status, bijvoorbeeld de status die de ambachtsschool had.

e.       Het plan “Banen in Buitenland” sluit aan bij behoeften en verlangen van Nederlanders. Een onderzoek van het Ministerie van Sociale Zaken wees uit, dat de motieven van Nederlandse emigranten waren: bevolkingsdichtheid in Nederland behoefte aan vrijheid en ruimte, eigen ontplooiing en de toekomst van de kinderen. Volgens een recent Intomart onderzoek koestert 23% van de Nederlanders latente emigratieverlangens.

f.        Er ontstaan, indien meer Nederlanders in een ander land wonen, betere bilaterale verhoudingen tussen die landen en meer feitelijk inzicht van gewone Nederlanders in niet-Nederlandse verhoudingen.

g.       Gezien de demografische samenstelling van Nederland zou (tijdelijke of blijvende) emigratie van een deel van de 18- tot 23-jarigen gunstig zijn.

h.       Indien het zou lukken dat een aantal banen in het buitenland door Nederlanders wordt vervuld, dan zal dit een heilzame werking hebben op de Nederlandse cultuur, haar waarden en normen. Het is ook in de geschiedenis van de literatuur en de beeldende kunst voor elk land steeds van bijzondere betekenis geweest dat zo’n land regelmatige contacten had met andere werelden.

 

Maar het gaat niet alleen om deze cultuur, maar ook om de cultuur van het dagelijkse leven. Ik weet niet welke jeugd op banen in het buitenland afkomt. Waarschijnlijk de jeugd die zijn/haar toekomst niet wil laten bepalen door de onbekende determinanten van een onzekere toekomst.


Er zal jeugd zijn die de onbekende toekomst tegemoet gaat om haar te leren kennen. Deze culturele betekenis van het dagelijkse leven wordt ook wel aangeduid met de woorden:

“frisse wind” & “avontuur”.

 

Dat wensen we Nederland en de jeugd dan ook toe.
In deze geest wens ik de nieuwe Raad voor Jeugdbeleid veel geluk bij zijn belangrijk werk.

 

G. Peter Hoefnagels
Hoogleraar Jeugdrecht en Criminologie
Erasmus Universiteit Rotterdam.

 

Rede bij de installatie van de Raad voor Jeugdbeleid Noord-Holland op 1 juli 1983
toespraak gedeputeerde m.j. (rinus) haks



literatuurverwijzing:

 

1.      Peter Hoefnagels: “De Vleesheuvel”, Ad Donker, Rotterdam 1982.

2.      Jan Blokker: “Als de dag van gisteren”. De Volkskrant 17 juni 1983.

3.      De Volkskrant, 11 april 1978.

4.      Cf. Bert van der Leeden e.a.: “Jeugdwerkloosheid in Leiden I” en R. Cravelotte e.a:
“Jeugdwerkloosheid in Leiden II”, projectgroep Jeugdwerkloosheid van de vakgroep klinische psychologie, RU Leiden 1974 en 1976; zie ook P.L. Stroink en F. Andries;
de LTS-er van scholier tot werknemer, NIPG, Leiden 1977, p. 102 tot 108.

5.      Cf. J.A.M. van Wezel: “De beleving van werkloosheid” in M.R. van Gils (red.)
“Werken en niet werken in een veranderde samenleving”, Amsterdam 1975, pagina 109 – 119 en G.J. Engels e.a.:
“Evaluatie-onderzoek interim maatregel jeugdige werklozen”, projectgroep.

6.      Maarten Elling: Jeugdige werklozen: een overbodige generatie,
Jeugd en Samenleving, september 1978.

7.      Idem: pag. 534

8.      Rapport “Jeugdwerkloosheid, achtergronden en mogelijke ontwikkeling”,
Sociaal Cultureel Planbureau 1980, pag. 12

9.      Directie Werkgelegenheid, Ministerie van SoZa & Werkgelegenheid, 1983

10.  G.P. Hoefnagels: Werkloosheid en criminaliteit, in de bundel “Werkloosheid, verwording en verwachting”, Uitgeverij Keesing 1982

11.  Cf:  De nadagen van de verzorgingsstaat. Kansen en perspectieven van morgen.
Rede Ph. A. Idenburg. Meulenhof Informatie 1983

12.  R. Dahrendorf: “Na de sociaal-democratie”, Socialisme en Democratie nr. 7/8

13.  .A.F. van de Bunt: Japanse management Methoden. Organisatie Handboek 1983


jeugdbeleid     custodians     younger policy

jeugdcultuurparticipatie

werken in de toekomst


ict: honne tatemae