vroegsteherinneringen


vanaf wanneer kun je de trap aflopen door je met twee handen
aan de leuning vast te houden en een diepe stap naar de tree eronder te nemen
en dan de andere voet erbij te halen, zodat je met twee voeten een trede lager staat
en de volgende tree naar beneden kan nemen?
Het is de tijd dat je al kunt lopen, maar nog niet de trap op.
Op handen en voeten ga je nog kruipend omhoog.

Rond de eerste verjaardag begint het doorsnee kind zelfstandig te lopen.

Ik herinner me zo 'n traptocht naar driehoog.
Van de begane grond naar boven waar
tante Corrie woonde met haar gezin en m'n ouders een grote slaapkamer hadden
en dan bij het zaaltje boven de bakkerij de hoek om naar
de volgende trap en daar bovenaan nog een hoek om voor
een klein trapje met vier treden.

Dan was je driehoog, waar een overloop was met drie slaapkamers.

Kruipend kwam ik boven aan en zag rechts in de slaapkamer
m'n moeder die de bedden aan het opmaken was.
Verbaasd, verwonderd riep ze me toe dat ik een grote jongen was
of iets in die richting.

Lopend, met twee handen aan de leuning,
ging ik weer naar beneden.
Elke eerste voet omlaag
gaf een angstig gevoel,
tot de tweede voet ernaast stond.

Ik zal dus zo'n 14 of 15 maanden oud geweest zijn.
Het was de tijd dat je 's morgens vroeg wel eens
wakker werd van het gebrom van de deegmachine.
Ging je dan naar beneden,
de trap afklauterend en de bakkerij in,
dan werd je op de werkbank getild en
mocht je met een stukje deeg een eigen broodje maken.


In diezelfde peuterpofbroekperiode herinner ik me, ontdekt te hebben,
dat je in ons huis een rondje kon lopen naar boven en beneden.
In de nis, tussen woonkamer en bakkerij ging je naar boven
dan via het zaaltje boven de bakkerij naar de meelzolder
en daar met de trap weer naar beneden.

Dat was een gevaarlijke trap.
Geen leuning aan de muurkant en open aan de magazijnkant.
Zo stond ik daar dus naar beneden te staren en besloot,
 achteruit de trap af te kruipen.
Bij de tweede tree van boven zag ik ineens een stoffer liggen.
"Trap vegen", dacht ik en pakte de stoffer
die bijna buiten mijn bereik lag.
Balans kwijt
en in een poging met de stoffer over de bovenste tree
m'n evenwicht te hervinden, duikelde ik achterover rollend de trap af.

Geschrokken verwonderd zat ik beneden
op de stenen vloer met de stoffer in m'n hand.
Ik veegde ermee over m'n hoofd en kleren.
Daaraan herinner ik me de blauwe pofbroek.

Ik keek naar links, de bakkerij in
en zag een knecht koekjes maken, onverstoorbaar.
Alsof hij niets had gemerkt van mijn vreselijke val.
Ik stond op en waggelde achter hem langs naar de keuken,
waar m'n moeder aan het werk was. Ik pakte haar jurk vast
en barstte in huilen uit.

Aan m'n oudste zus heb ik geen herinnering,
wel aan een voorval dat ik koppel aan de tijd dat ze verongelukte:

De inrit naar de garage en bakkerij had in die jaren nog een hek dat
aan ons huis vastzat aan een stevig scharnier
en bij Hotel van der Geest,
dat klaarblijkelijk een halve meter meer naar achter stond,
aan een kwartcirkel van spijlwerk met scharnier
waarmee de andere helft van het hek kon open draaien.

Ik kan me herinneren dat ik,
staande op de onderste rand van het hek,
met mijn handen net bij de bovenste rand kon komen
en dan een beetje  heen-en-weer kon schommelen.

Dat herinner ik me, omdat ik daar eens stond
toen er plots in grote haast
twee mensen vanuit de bakkerij kwamen aangesneld,
met kracht het hek open duwden
en richting de steeg renden.
Toen het hek tegen de keukenmuur sloeg,
 stootte ik heftig mijn hoofd.

Wie dat waren, daar heb ik van schrik geen herinnering aan.
M'n vader, Ome Antoon, een paar knechten?
Op de een of andere manier heb ik die gebeurtenis gekoppeld
aan het ongeluk van m'n oudste zus, die toen bijna 3,5 jaar oud was.

Zij was in de Dorpsstraat bij het Witte Kerkje aan het spelen.
Daar was een bushalte, waar de bus Leiden/Haarlem
 op het punt stond te vertrekken.

De chauffeur had nog even een shaggie gedraaid,
stak die op met z'n laatste lucifer,
gooide het doosje naar buiten,
sloot de deur en trok op met de bus.
M'n zus zag het doosje vallen,
zakte op haar knien om het doosje op te pakken en werd overreden.
Ze zou direct dood geweest zijn.
Ik kan me haar niet herinneren,
noch dat ze dood thuis geweest is, noch haar begrafenis.
En jaar en acht maanden was ik, toen dat gebeurde.

Mijn drie jaar oudere broer weet zich nog te herinneren,
dat Tante Truus Rietveld als troost tegen onze moeder zei,
dat ze "van Onze Lieve Heer een mooi kindje had gekregen.
Ma zei toen dat we haar ook weer mooi hebben terug gegeven.
En dat heb Ik nooit kunnen begrijpen.
Wij waren allemaal thuis,maar Ik vond het niet eerlijk
dat ik niet mee mocht naar de kerk en de begrafenis,
maar dat kan ik nu wel begrijpen.
"

Wel weet ik,
toen ik -iets ouder-
met m'n moeder meeging naar de kerk,
dat we dan na de mis even naar het kerkhof gingen,
waar Opoe Schouten en Barry een graf hadden.

Jaren later zag ik het herinneringsprentje met het gedichtje
dat m'n vader zei, zelf gemaakt te hebben:

Als een bloem te vroeg geplukt
Plotseling van ons weggerukt
Laat jij ons vol droefheid achter
Maar wij weten, hierna wacht er
Een eeuwig leven van geluk
.

En misschien heeft m'n vader gelijk,
want via Bing vond ik niets en via Google slechts
de eerste drie regels
bij een memory-verhaal over Lotte van der Zee,
die in maart 2019 is overleden.
Zelf had ik het gedichtje jaren eerder al eens gepost in het
"Huis van Hensbergen"
de familiestamboom bij <Myheritage.nl>.


Van m'n oudste broer herinner ik me
de winterfoto in de hoge tuin,

maar dat kan de inbeelding zijn van die foto.
links zie je Henk, drie jaar ouder.
Ik ben hier ongeveer 2,
in de winter van 1946-1947


"Kijk naar het vogeltje" zei de fotograaf.
Hij stond met zijn hoofd onder een zwarte doek
achter het fotoapparaat en wees met een
vinger schuin naar boven.
Daarna nam hij nog eenzelfde foto en riep
nog een keer:
"Kijk naar het vogeltje!".
Maar er was helemaal geen vogeltje!

 


 


Op zondagmiddag ging mijn moeder strijk en zet
naar Oma Duivenvoorde, haar moeder aan de Heereweg.
We liepen dan met wandelwagentje voor de allerkleinste
via het Schoollaantje naar de Heereweg, waar ze met Opa
woonde op de Oostrand van de duinen.

Soms liepen we langs de Langevelderweg en staken tussen
twee huizen van St. Bavo-artsen
 schuin door het duin naar de hoge dijk,
waar Van Herwaarden, de kalksteenfabriek in Hillegom
de duinen aan het afzanden was.
De zanderij heette de sloot die heel gevaarlijk was
en "de hoge dijk" lag er naast.

Op een dag, Greetje liep mee en Sammie zat in het wagentje,
stopte m'n moeder bij de bewaarschool.
Ze wilde het hek opendoen, maar dat was op slot.
Ze stak haar hand door de spijlen en wees naar een deur.
"Kijk, daar moet je morgen naar binnen".
En we liepen verder naar het duin om naar Oma te gaan.
Halverwege de hoge dijk waren greppels gegravend
en stonden houten paaltjes.
"En hier bouwen ze de grote-jongensschool,
waar Henk volgend jaar en jij later ook naartoe gaan".

Die maandag ging ik voor het eerste naar de bewaarschool.
Ik wist waar ik zijn moest.
Het hek was nu open en ook de deur van de school.
Daar naartoe liepen moeders met huilende kinderen.
Bij de klasdeur stond een jongetje alleen en sprak me aan.
"Poeh, wat een kleine kinderen", zei hij wijzend naar de huilers.
"N.n.nou", zei ik en kon nog net mijn tranen bedwingen.
Keessie in der Rieden, heette hij.

Tot en met de lagere school hebben we in dezelfde klas gezeten.
Later ontmoetten we elkaar weer op de Pedagogische Academie.
 

"Bah, alweer twee sneetjes brood met eiwit'",
iets in die richting dacht ik,
toen m'n moeder het bordje neerzette op het kussen.
Ik zat in het blauwe kinderledikant
met dat gefiguurzaagde jongetje op het hoofdeind.
Dat het bed daar stond, achterin op de meelzolder boven het magazijn,
verbaasde me niet, daar was ik klaarblijkelijk aan gewend.
Waarom ik daar zat wist ik toen ook niet.

Later begreep ik,
toen het bedje in de huiskamer achter de winkel stond,
dat ik erg ziek was geweest.
Ik heb geen er herinnering aan hoe die ziekte begonnen is.

Wat ik wel weet, is dat op een van die dagen
dat ik beneden in de huiskamer nog in het bedje zat,
m'n moeder me een grote rol Rang gaf,
groter dan wij zelf in de winkel verkochten.
Die waren een paar klasgenootjes van de bewaarschool komen brengen
als cadeautje van zuster Asa, die een jubileum had gevierd.
Voor dat feest had ik met Maria Kolkman een hoofdrol in een klompendans.
Bij Ben van den Hoorn hadden we een paar klompen gekocht.
Die stonden daar linksachter in zijn winkel Huishoudelijke Artikelen.
Maar die klompen heb ik verder nooit gedragen of gezien.
Waarschijnlijk ben ik in die tijd ziek geworden en heeft een klasgenootje
de hoofdrol met die klompen overgenomen.

Ook herinner ik me uit die tijd dat het ledikant in de huiskamer stond,
dat ik buiten het bed zat te spelen op de vloer.
Dat mocht niet, maar m'n moeder was in de winkel.
Plots zag ik voorbij het raam de lichtgebogen gestalte van dokter Wsten.
Snel stond ik op, pakte met n hand de bovenrand van het bed en
sprong er met een grote zwaai in.
Stomverbaasd over die reuzensprong keek ik even later
de dokter in het gezicht.

Hoe lang ik ziek ben geweest, weet ik niet.
Wel dat het een besmettelijke leverziekte was en
dat de dokter tegen m'n moeder had gezegd,
dat ik de twintig jaar waarschijnlijk niet zou halen.
"Dat is niet aan U",
 had zij hem geantwoord,
"dat is aan God".

vliegveld

Het drong eigenlijk pas tot me door
toen de zuster vol verbazing met haar handen
voor haar mond "o, wat mooi" begon te zeggen,
naar de deur liep, de klas uit en even later
met haar collega zuster naar binnen kwam.

We hadden allemaal een eigen tafeltje met een stoeltje,
vier, vijf rijen in de klas.
Die ochtend lag er een grote blokkendoos
op elk tafeltje.
"Niet aankomen, netjes gaan zitten", had de zuster gezegd,
"oogjes dicht...In de naam van de vader,
de zoon en de heilige geest".
Zo begon iedere ochtend de dag op de bewaarschool.

We prevelden allemaal halfautomatisch de gebeden mee,
maar zaten ook stiekem te gluren naar dat
mooie grote schuifdeksel van de blokkendoos.

Na het bidden kregen we een vrije opdracht.
Zelf bedenken wat je er mee kon doen!
Vrij snel had ik een plan: een vliegveld.
Ik denk, dat het op een maandag gebeurde en dat
we met de familie het weekend daarvoor
een oom naar Schiphol hadden gebracht.
Dat was toen nog een bescheiden vliegveld waar je
vanaf het dakterras de mensen kon uitzwaaien die
beneden onder jou de hal uitliepen richting vliegtuig.
Op weg daarheen werd er nog veel toegeroepen
en zelfs achter het raampje zag ik Oom Jozef nog zwaaien.
Hij ging naar Afrika om kindjes te dopen en, naar
later bleek, ook schooltjes te bouwen.

Maar het tafeltje was te klein
en de blokken waren niet genoeg..

In de rij naast mij zat Ad van Alphen.
De zuster las in haar brevier.
"Stil...aanschuiven", zoiets fluisterde ik
hem toe, "vliegveld bouwen"
en zachtjes schoven we de tafeltjes naar elkaar.
Vertrekhal, vliegtuigen,
het schuifdeksel werd dakterras.

Plots stond zuster Lamberta bij ons:
"Wat is dat nou...?"

Toen ze even later met zuster Asa terugkwam,
hadden onze twee voorburen
hun tafeltjes al omgedraaid
en bouwden enthousiast mee.

pulken

Nico Zandbergen kwam naast me zitten
op het muurtje bij de Reus,
schuin tegenover de kleuterschool.
"Wat heb je daar", vroeg hij
wijzend op een onder mijn arm
vastgeklemd iets dat in winkelpapier
was gewikkeld.
"Zelf gebakken". zei ik trots,
"Brood voor de zuster".
Hij kon niet geloven,
dat ik dat zelf  had gedaan en
dat het nog lekker kon zijn ook.
"Nou, proef maar" en ik pulkte
rechtsonder in de hoek
een stukje brood tevoorschijn
en nam zelf ook een stukje.

Het smaakte zo lekker, dat we
nog wel een keer of twee voorzichtig
een stukje brood uit het gaatje pulkten en
verder liepen naar school,
het broodje weer netjes ingepakt.

De zuster was heel blij met het brood,
maar toen ik de dag erna vroeg of ze nog eens
een zelfgebakken brood wilde, zei ze
heel hartelijk "Nee, hoor, dank je wel".