DE DICHTER H. MARSMAN.

scriptie nederlands

Verantwoording.

Mijn eerste kennismaking met Marsman had ik op de kostschool.
De leraar Nederlands verlangde van ons, dat we een gedicht 
helemaal uit het hoofd leerden.

Na verschillende boeken doorgebladerd te hebben
– het moest wel ‘mooi’ maar niet te lang zijn –
vond ik ‘Paradise regained’.
Van dat ogenblik dateert mijn voorliefde voor Marsman.

 

In deze scriptie wil ik als volgt te werk gaan:

Het eerste hoofdstuk zal handelen over het leven van Marsman.

In hoofdstuk twee wordt zijn poëtisch werk behandeld 
aan de hand van een indeling van Marsman zelf. 
Daarnaast zal zijn laatste bundel 
Tempel en Kruis” 
in dit hoofdstuk aan de orde komen.

Hoofdstuk drie zal bestaan uit een korte samenvatting
Tevens zullen in dit hoofdstuk enige stijlkenmerken van Marsman weergegeven worden.

 de gedichten zijn in "marsman dichterbij" terug te vinden.

Ik meen op deze wijze Marsman als dichter het beste te kunnen benaderen.
Moge de Europese Geest van Marsman U deelachtig worden.

 

Jan van Hensbergen.
noordwijkerhout
1967


 

Hoofdstuk 1:
 

GROOTS EN MEESLEPEND WIL IK LEVEN

 

Marsman werd geboren op 30 september 1899 te Zeist. 
Hij was de zoon van een boekhandelaar en een onderwijzeres.

Ongeveer zes jaar oud bezocht hij de lagere school van de 
Hernhutterse Broeder Gemeente. 
Hier ontmoette hij Arthur Lehning, met wie hij jarenlang bevriend zou blijven. 
Beiden bezochten na de lagere school de Rijks-H.B.S. te Utrecht.

Op deze school ontmoetten zij een leraar, 
een der weinige uitzonderingen in deze woestenij”, 
die zijn leerlingen hevig wist te interesseren voor de literatuur. 
Hij heette Dr. Klaas Later of, zoals Marsman hem noemt in 
“Zelfportret van J.F.”: Dr. du Pon.

 

Tijdens zijn H.B.S. tijd schreef  Marsman zijn eerste gedichten.
In dit verband moet het dagboek van Arthur Lehning wel genoemd worden, omdat hier alles in staat opgetekend, wat Marsman in die eerste jaren, vanaf 1916, heeft geschreven. In een volgend hoofdstuk zullen wij nader op deze gedichten ingaan.

In februari 1918 werd Marsman ernstig ziek. 
Zijn gezondheid had altijd al te wensen overgelaten (op zesjarige leeftijd had hij al enige maanden het bed moeten houden), maar nu dwong een verwaarloosde bronchitis hem, langdurig rust te nemen.

Tijdens zijn ziekte begon de dichter zich te ontpoppen. 
Het gedicht “Dageraad” dicteerde hij 4 maart aan zijn vriend Arthur Lehning.

 

Hij was zelf van mening, dat zijn dichterschap nu gekomen was.

Zijn vorige werk beschouwde hij slechts als een virtuoos voorspel.
Groot was dan ook zijn teleurstelling, toen “Het Getij” zijn gedicht niet plaatste en
het maandblad “Elsevier” evenmin.
Uiteindelijk werd het geplaatst in het decembernummer van “Stromingen".

In “Het getij” heeft Marsman in tegenstelling met wat nogal eens beweerd wordt
ook later nooit gepubliceerd.

Begin  1919 zoekt hij contact met Albert Verweij, wat resulteert in
een plaatsing van vier gedichten onder de gezamenlijke titel ‘Omtrekken’:
 De twee schilders, Vrouw, De verhevene en Schaduw,
in het julinummer van ‘De Beweging’.

Door deze gedichten wordt de aandacht van de Nederlandse literaire wereld op hem gevestigd.

Van deze gedichten is ‘Schaduw’ het enige, dat ongewijzigd is gebleven.

Het is een evenwichtig gedicht vol spanning.

Onder de titel “Brieven aan die zeer ver en  zeer nabij is
verscheen een handschriftenuitgave van enkele pagina’s in 1920.

De colofon vermeldde:

“Deze enige handschriftenuitgave der Brieven bestaat uit vijfentwintig exemplaren.”

Er werd slechts één exemplaar van de Brieven verkocht.
Daarom kwam het goed uit, dat niet alle vijfentwintig exemplaren waren vervaardigd.

In die tijd ontmoette Marsman Jan Havermans
Deze zou enkele gedichten in hout snijden voor een luxe editie. Toen er echter niets van deze uitgave terecht kwam, opperde Havermans, het grootser aan te pakken en meer gedichten volgens hetzelfde procédé uit te geven, waaronder:
’Vrouw’, ‘Heerser’, ‘Schaduw’, ‘Brieven’ en ‘Triptiek’.

 Zowel ‘Brieven’ als ‘Triptiek’ waren gedichten, waarvan de versregels aaneengeschreven waren.

Ook zouden enkele verzen door Havermans geïllustreerd worden met houtsneden.

De bundel zou onder de titel ‘Ruimteschemer’ verschijnen. Hoewel de houtsneden klaar waren, is er van deze uitgave ook niets terecht gekomen.

Enkele ervan vindt men terug in
‘Marsman en het Expressionisme’ van Arthur Lehning.

In de zomer van 1921 maakte Marsman zijn eerste buitenlandse reis.
Op het eiland Hiddensoe in de Oostzee woonde hij een maand met vrienden in een vuurtoren. Van hieruit gingen ze een week naar Berlijn, waar hij veel expressionistische schilders ontmoette zoals: Kandinsky, Marc, Klee.

Na een korte rondreis langs omliggende steden, ging Marsman weer naar Berlijn, vanwaar hij regelmatig zijn dagboekfragmenten naar Arthur Lehning stuurde.

Tegen het eind van de zomer keerde hij naar Nederland terug en ging in Leiden rechten studeren. 
Om gezondheidsredenen vestigde hij zich in Noordwijk. 
Ook hier is hij –evenals op Hiddensoe – weer in zijn  element:

Noordwijk! Misschien leef ik hier nog zekerder, hechter samen met lucht en
water dan daar, op H: dat is een schip , hier is het wijde strand, 
brug tussen land en zee.
Maar waartoe vergelijken?  Ik leef.   
Mijn God, kan dat alles?
"

In juni 1922 werd hij weer ziek en moest rust nemen in Zeist.

Na zijn staatsexamen vertrok Marsman naar Zwitserland. 
Van hieruit trok hij tien dagen naar Berlijn en ging vandaar
naar Parijs, dat hem ‘omhelsde en verzwolg':

            Oh! Montmartre, walmende honingraat aan de korf der Sacre Coeur!
            Dit werd de onstuimigste aller nachten. Dans! ….. De absolute vreugde.

            Lied en wijn en nergens ter wereld is déze vreugde, kramploos, vrij, zwevend,
            zo mogelijk als daar
.”

Zijn reis door Zwitserland, Duitsland en Holland inspireerde hem
 tot de gedichtenreeks ‘Seinen’:
Berlijn, Potsdam, Stralsund, Freiburg, Milo, Bazel, Dordrecht, Delft, Scheveningen en Amsterdam.

Hij sloot zijn Europese reizen af met een rondreis door het westen van Nederland. 
Ook hier trekt hij alle romantische registers open; hij ontdekt Holland, 
zoals uit de gedichten blijkt.

Hoewel Parijs dus een overweldigende invloed op hem had, schreef hij toch geen ‘Sein’ hierover. Hij heeft hier blijkbaar nog niet die verwantschap gevoeld, die hij in Duitsland ervoer.
Zijn romantiek is niet alleen verwant, maar ten dele ook door het Duitse expressionisme ontstoken. 
(Lehing, A., H. Marsman, de vriend van mijn jeugd. Amsterdam 1960. blz. 66.)

Vanuit Parijs schrijft hij Arthur Lehning:

Frankrijk is kortzichtig, Duitsland ruim en donker, diep daarentegen.”
(Arthur Lehning: H. Marsman, de vriend van mijn jeugd. Amsterdam 1960, blz. 66.)

Rond september 1922 begon Marsman reeds met de voorbereiding van een
uitgave van zijn verzen, die als “Het rode boekje” de literatuurgeschiedenis zou in gaan.
Een jaar is er overheen gegaan, voor het uitkwam:
een jaar, waarin Marsman vreselijk hard gewerkt moet hebben.

Er werden nieuwe gedichten geschreven, veranderd, teruggenomen, weer erin gezet.

De oorspronkelijke titel van “Het Rode Boekje” zou luiden:

"Droomkristal:
Synthese tussen het Franse en het Duitse,
dag en nacht, droom en helderheid – een goede naam
."

De bundel zou uit twee delen  bestaan met als deeltitel
‘Seinen’ of ‘Signalen’
en ‘Ruimteschemer’, dat andere verzen zou bevatten.

Arthur Lehning zou de lay-out verzorgen.
In verband met de uitgave ontstond er nog een omvangrijke correspondentie.
Iedere nieuwe brief bevatte weer andere suggesties en nieuwe verzen.

De titel ‘Droomkristal’ wordt echter veranderd in ‘Verzen’(1923).

                  In februari wordt Marsman weer ziek, nu een paar maanden.
Het kandidaatsexamen, dat hij al had moeten doen zat hem, evenals zijn ziekte erg dwars.
Ongedurig wachtte hij echter op het eerste exemplaar van zijn bundel, die in september eindelijk uitkwam.

Door deze bundel werd Marsman’s naam als dichter definitief gevestigd.
In de herfst van 1923 werkte hij hard aan zijn juridische studie.
Ook hield hij zich bezig met ‘De Vrije Bladen’,
 het tijdschrift, dat in plaats van ‘Het Getij’ zou verschijnen.

Hoewel men het reeds in september 1923 wilde laten verschijnen,
werd het in januari 1924 pas uitgegeven.

 Begin 1924 voltrekt er zich een verandering in Marsman, die gezien kan worden
als een afsluiting van zijn Duitse expressionistische tijd.
We kunnen reeds een stuk onzekerheid bij hem waarnemen, als 
hij dobbert tussen ‘Droomkristal’ en ‘Verzen.

Oorspronkelijk zou het een synthese zijn tussen Frans en Duits; het is uiteindelijk Frans geworden, hetgeen ondermeer blijkt uit het terugnemen van ‘Gertrude’, waarmede hij had willen openen. 
Nu heeft hij de stap gezet en schrijft Arthur Lehning:

    “… dank met mij de muze, dat zij mij niet liet omkomen in de spelonken van modern |
     Duitse aspiraties en affiniteiten…….

En als hij het heeft over de meesterwerken der jongere Fransen:

     “(die) kunnen eenvoudig daar (Duitsland) niet ontstaan, een adel! een cultuur!

            Ondertussen behaalt hij in juni 1924 zijn kandidaats en in
de herfst van datzelfde jaar begint hij met de reorganisatie van ‘De Vrije Bladen’,
dat toen nog onder redactie van Herman van de Berg,
J.W.F. Werumeus Buning en Constant van Wessem verscheen.

De 2e jaargang zou uitkomen onder redactie van Marsman en R. Houwink. 
Het tijdschrift zou "minder omvangrijk en meer agressief” worden. 
Zeer enthousiast en hoge verwachtingen koesterend
zet Marsman zich in  hopend,
de jeugd te stimuleren.

Het loopt echter uit op een diepe teleurstelling.

Waarvoor werk je hier?
Zonder klank- en voedingsbodem, zonder werkelijk
krachtige kerels om je op hun beurt kracht en vaart te geven.
Holland is en blijft ellende; een tijdschrift is en blijft ellende; 
een Hollands tijdschrift is en blijft dus een aller-ellendigste ellende
.”

Omdat hij de medeverantwoordelijkheid voor ‘De Vrije Bladen’ niet langer wilde dragen, 
besloot hij zijn redacteurschap neer te leggen.
In het laatste nummer van de 2e jaargang -eind 1924- plaatste hij zijn artikel
De Tweesprong”,
 waarin hij verklaarde, dat ook de 2e jaargang geen ‘orgaan’ was geweest,
omdat de eenheid en vooral het leven ontbrak.

Na zijn redacteurschap van ‘De Vrije Bladen’ werkte Marsman ook mee aan
‘De Gemeenschap’,
een tijdschrift van de katholieke jongeren ,dat in 1925 was opgericht.
Uiteraard was het vreemd, dat de ‘Paganist’’en de ‘Vitalist’, zoals men hem noemde,
meewerkte aan dit
Maandschrift voor Katholieke Reconstructie’.
Hij was echter bevriend geraakt met Gerard Bruning, de apologeet van de groep,
en deze probeerde hem ervan te overtuigen,
dat hij zijn gaven niet ontvangen had om het vuur van zijn zichzelf verslindend vitalisme brandend te houden,
maar het vuur van de Heilige Geest.

Hij stelde Marsman voor zichzelf aan te sluiten bij de Katholieke Kerk en
zijn gaven in  dienst te stellen van de gemeenschap. 

Hoewel Marsman zich aangetrokken voelde tot het katholicisme, 
al moeten we hierbij opmerken, dat het dat van de
‘Kathedralen en Kruistochten’ was, 
heeft hij zich toch niet bij de Katholieke Kerk aangesloten. 
Hij heeft wel enige gedichten in ‘De Gemeenschap’ geplaatst.

Toch moet zijn meewerken meer geweest zijn, 
dan alleen maar een ‘flirtation’ met Rome, zoals het wel eens genoemd wordt.

In ‘De Gids’ van september 1959 schrijft P. Calis, 
dat Marsman in een geestelijke worsteling verkeerde, 
die niet gebagatelliseerd mag worden tot een ‘flirtation’.

Ook voelt Marsman verwantschap met het fascisme.
Hij stond sterk onder invloed van Erich Wichmann, medewerker aan
het fascistische weekblad ‘De Bezem’.

Het was Wichmanns vitalisme, dat de jonge Marsman trok. 
Hij is echter nooit op de uitnodiging ingegaan om in ‘De Bezem’
te schrijven en later, toen het fascisme extreme vormen begon aan te nemen
heeft hij fel geprotesteerd tegen deze 
plebeïsche opstand der horden’, 
heeft hij de catastrofe ingezien, waarop dit zou uitdraaien.

De tijd van 1926 tot 1936 is er een geweest van zoeken.
Hier komen wij later nog op terug.
Van 1929 tot 1932 is hij weer redacteur van ‘De vrije bladen’,
maar hierna stapt hij over naar ‘Forum’, waaraan hij drie jaar meewerkt. 
Ook is hij als criticus werkzaam, voornamelijk in ‘De Gids’, de ‘Nieuwe Rotterdamse Courant
en “De Groene Amsterdammer” 
In 1933 en 1934 maakte hij een reis door Spanje en Italië.

In 1936 woonde hij enige tijd in Brussel en in hetzelfde najaar brak de inspiratie opnieuw los.
Er komt een herboren Marsman. Eerst nu is er een periode afgesloten:

            Ik ben als een stroom door een vrij geaccidenteerde bedding
en er is geen zweem van twijfel.
De rivier die ik ben, maakt dit jaar haar eerste grote bocht
."

 Marsman maakte in 1937 een reis door Zwitserland en vestigde zich een jaar later in Frankrijk.

In december 1939 legt hij de laatste hand aan een nieuwe bundel, die 
..als Adolf het toelaat  begin april verschijnt.” 
In februari 1940 schreef hij dit aan Arthur Lehning.

Enige maanden later werd het vrachtschip ‘De Bernice’ 
uit Bordeaux op weg naar Engeland, 
in de vroege ochtend van de 21e juni in het Kanaal getorpedeerd. 
Marsman, die zich in verband met de oorlog 
op dit schip bevond om zich in Engeland te vestigen, vond de dood in zee.

            De enige vrouw, die ik nooit verried, mijn onsterfelijke geliefde,
de enige die mij niet verraden zal en die ik niet zal verraden
.”

Op een boot, zoals hij tot zes maal toe heeft voorzien.

 Aantekening bij dit eerste hoofdstuk:

Alle in dit hoofdstuk voorkomende brieffragmenten zijn ontleend aan 
Marsman, de vriend van mijn jeugd”, van Arthur Lehning.


Hoofdstuk II:

De dichter H. Marsman.

 

Nauwelijks vijfentwintig jaar heeft de tijd geduurd tussen de
eerste twee "wereld-oorlogen" van de twintigste eeuw.
Toch zijn deze jaren van groot belang geweest voor de literatuurgeschiedenis.
Een nieuwe stroming wordt na de eerste wereldoorlog ingeluid: 


Het expressionisme.

Deze stroming is ontstaan in de schilderkunst 
(Césanne, van Gogh, Munch), maar al ras door andere kunstvormen overgenomen.
Ze is ook te zien als tijdverschijnsel, 
dat nauw samenhangt met de ellende en wanhoop in en na de eerste wereldoorlog.

In de letterkunde ontwikkelt het expressionisme zich allereerst in Duitsland. 
Om enkele namen te noemen: 
August Stramm (1887–1914), George Heym (1887–1913), Georg Trakl (1874–1914). 

In beginsel ging het expressionisme dus al vooraf aan de eerste wereldoorlog. 
We kunnen hier echter spreken van
"expressionisme avant–la–lettre"

omdat deze stroming tijdens,
maar vooral na de oorlog zo’n grote vlucht genomen heeft.

Doodsangst en vitalisme, emotie, geladenheid, een kosmische en visionaire symboliek 
zijn kenmerken van het expressionisme
Het is volledig subjectief, het geeft het innerlijk van de dichter, ‘het hart’.

Enkele uiterlijke kenmerken van het expressionisme zijn:

  1. geen veelheid van details, maar een sobere stijl.

  2. korte zinnen, soms één woord, ’n kreet die intensiviteit
    van het gevoel moet uitdrukken.
    Verzen als zweepslagen,
     elektrische schokken, revolverschoten.

  3. het vrije dynamische vers overheerst.

  4. De  beeldspraak is vaak ontleend aan de grote stad.

De kiem voor het Noordnederlandse expressionisme werd gelegd in ‘Het Getij’ 
opgericht in 1916, het jaar, dat Marsman zijn eerste gedicht schrijft.
Jongeren als Herman van den Bergh, Hendrik de Vries en Slauerhoff publiceerden hierin. 

Het expressionisme kwam echter pas tot volle bloei, nadat 
‘De Vrije Bladen’
 in 1924 werd opgericht door
H. v.d. Bergh, Werumeus Buning, C. van Wessem en C.J. Kelk.

Zoals we reeds hebben gezien, is ook Marsman redacteur van dit tijdschrift geweest.

 

Na deze korte inleiding over het expressionisme,
zullen we de dichter Marsman gaan bespreken.

 

  1. Eerste Periode ( 1923 – 1926.)

           De dichtenbundels, die in deze periode zijn verschenen zijn: 
Verzen’ & ‘Paradise regained’.

            De meeste invloed op zijn eerste werk heeft H. v.d. Bergh, 
voor Marsman de grote geest van ‘Het Getij’, uitgeoefend. 
Deze wilde het woord weer terugbrengen tot zijn oerkracht.
Hij wilde kracht en spanning, directheid en samengebalde plastiek (Nocturne). 

Dit duurt echter niet lang. In 1920 schrijft Marsman:

            Het Getij is allermiserabelst. Waarom spreekt van den Bergh niet meer,
            de Vries niet meer?
            Godverdomme, mijn enige equivalente collega’s in die richting?"

Ook door de expressionistische beeldende kunst is Marsman sterk beïnvloed. 
Onder de titel “Over Franz Marc” wijdt hij een uitvoerige beschouwing aan 
de Duitse expressionistische schilders.

            In deze tijd schrijft hij zijn bekende stedengedichten. 
In verband hiermee willen wij het kubisme noemen, waarvan Marsman schrijft:

            Het geeft het wezen der dingen in een veelal volkomen van de verschijning 
afhankelijke vorm; in sober overwogen vorm:

strak, klaar, beheerst, naakt, nieuw, totaal."

In deze gedichten is de persoon helemaal uitgeschakeld. 
Zijn  ‘Seinen’ waren ‘Prachtig, maar leeg’.
Het wezen der dingen moest spreken.

Hoewel Marsman geprobeerd heeft dit te paren aan gevoel
– Droomkristal - ,
is het hem toch niet gelukt.
Als laatste en meest volmaakte van deze kubistische gedichten schreef hij ‘Val’.

Na dit gedicht schrijft hij enige tijd niet. 
Er is bij hem een verandering op komst. 
De laatste paar jaar van zijn ‘Eerste periode’ gaat hij een andere weg.
Hier wordt de invloed van A. Roland Holst merkbaar:
een ontvluchten aan tijd en ruimte. 
Een levensdrift om zich van het heelal meester te maken bevangt hem.

heerser & vreemdeling

De felheid en strijdvaardigheid van Marsman roepen de gedachten op aan de Tachtigers.

  De dichter is vóór alles de intens -en overvloedig- levende’.

Evenals de Tachtigers keerde ook Marsman zich tegen epigonen, schijnvorm en sentimentalisme.
De karakteristiek die Marsman aan de Tachtigers gaf, was de zijne:

 …een jong, wild lichaam stond op. Duizelend heeft het zich in het leven gestort
  in de tastbare realiteit: met de natuur heeft het feesten gevierd, dronken en
dionysisch….. De jonge dichter van Tachtig was een prachtig wild dier.

 In plaats van de natuur koos Marsman de Kosmos.  
Deze wilde hij omvatten en beheersen en in zijn vaart, 
bruisend en kolkend als een wilde stroom,
hoopte hij, 
de jongeren mee te sleuren,
weg uit de amorfe massa.

Is het een wonder, ontgoocheld door hen die hij gedacht had te inspireren, 
dat Marsman geen voldoening meer vond in het vitaliseren en ‘omsloeg’ naar, 
men betrachte voorzichtigheid met de term, 
het mortalisme ?

(We komen in het volgende hoofdstuk, bij het bespreken van
de volgende periode terug op deze term.)

 

B. Tweede Periode  (1929 – 1933)

 In 1934 verscheen Porta Nigra.
Deze bundel bevatte ook reeds eerder verschenen gedichten.
Er stonden ook ondermeer gedichten in uit 1926, zoals bijvoorbeeld:

Lex Barbarorum.

Van Arthur Lehning weten we, dat Marsman van 1926 tot 1936 een
zeer moeilijke tijd gehad heeft. 

De middelste vier van deze tien jaren geeft Marsman aan als zijn
‘tweede periode’. 
In deze jaren kunnen we twee aspecten onderkennen. 
Enerzijds de krampen van het mortalisme, anderzijds
 – en misschien daarmee samenhangend – 
de aanvaarding van de dood.

Het eerste vinden we o.m. in ‘Vrees’ en ‘Ontmoeting in het donker’; 
het tweede in ‘Berusting’ en ‘Twee Meeuwen.’

      Het mortalisme mag niet gezien worden als alleen maar doodsangst die 
ontstaat door een grote gehechtheid aan het leven. 

Ook een geestelijke dood speelt hier een rol, 
een angst vergeten te worden en niet meer iets nieuws te kunnen schrijven.
Marsman was in deze tijd ook bang, dat zijn dichterschap in  hem gestorven was.

In ‘Phoenix’ zien we een smekend verlangen:

Vlam in mij, laai weer op;
het nest is goed, maar het heelal is ruimer
.”

In 1935 schrijft Marsman:
Vergelijkt men mijn bundel ‘Paradise regained’….. vooral met ‘Porte Nigra’, dan
valt het op, dat de stormachtige jeugd ten dele heeft plaats gemaakt voor een over-
heersend doodsgevoel; (doodsangst, die soms omslaat in doodsverlangen); de lich-
tere tonen zijn minder schel en blinkend, milder en ingetogener geworden.
Mijn ontwikkeling ging in die jaren, 
op enkele zonnige uitzonderingen na, 
inderdaad door een ‘donkere poort
".

 Marsman heeft de grenzen van het vitalisme ontdekt en 
zijn verzen worden nu een getuigenis van een wanhoop, die 
even fervent is als het vitalisme in zijn oudere verzen.

Hij schrijft over ‘verrotten in vergetelheid’ en schreeuwt daartegen, 
hartstochtelijk en ‘met overslaande stem’:

Groots en meeslepend wil ik leven!
hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!

 Na deze hartskreet stapt hij weliswaar zonder zich te beraden over
de raad van de grijsaard de wereld in, maar valt echter spoedig weer terug;
moedeloos, teleurgesteld en geslagen, toch nog strijdlustig:

Neem mijn laatste bezit mij niet af:
mijn zonden gaan mee in mijn graf
.”

De inertie en zelfs de apathie van zijn tijdgenoten hebben ongetwijfeld 
grote invloed gehad op de dichter. 
Zijn smeken om  begrip en weerklank is als 
het roepen van de eeuwig verdoemde uit de Griekse sage:

Verzwelg mij, smeek ik   
maar zij drinken niet;
wees mijn klankbodem, 
maar zij klinken niet.
"

 

De bundels die in deze tijd verschenen:

Witte vrouwen  (1930)
Porta Nigra       (1934)

 

C. 1936 – 1967. Derde Periode

 Zijn tweede periode laat Marsman zelf eindigen in 1933, 
het jaar dat hij begon met zijn reizen door Spanje en Italië.
De "Germaanse landen" keerde hij de rug toe.

Zijn derde periode begint hij met
Voorschrift

Er moet geheel opnieuw begonnen  worden, 
alles moet in de steek worden gelaten:

   Trek de woestijn in, 
laat de karavaan de groene rijkdom der oasen,  
U zij de dorre oceaan
van zand:…….

De gebieden die nog niemand heeft betreden moeten ‘ontgonnen worden’, 
ook al zullen ze ogenschijnlijk geen vruchten afwerpen. 
Zeer goed komt dit tot uiting in 
‘Afscheid van een dorp’:

“…zonder u
kan ik niet verder gaan….
"

Het uitzichtloze mortalisme begint plaats te maken voor een nieuwe levensverwachting.
Marsman begint zich te bevrijden van zijn ‘ípsisme’

Hij ontsluit zijn eigen wereld, alhoewel 
– of misschien juist daarom – 
er nog een toon van onzekerheid in zijn gedichten klinkt:

“…hoelang zal de heug'nis aan het dal nog kunnen duren?

  … want reeds nu zijn de uren 
doorgebracht op de hoogten,
tot tijden geworden die niet meer kunnen verstrijken
.

In een bliksemzweep ziet hij nog de God die hem vellen zou. 
Zijn reeks over Vrouwen 
(Leda, Paula slapend, De wijnpers, Annie, Paula in een droom) 
eindigt nog in 
‘het lachen van de dood’ 
‘den wimpers van den dood’
 ‘een voorgolf van den dood’.

Hoe verschillend is echter ‘Holland’ van ‘Herinnering aan Holland’;
 ‘Terugkeer uit den vreemde’ van ‘Afscheid van het dorp' ?

Het landschap gaat geleidelijk over van Hollands 
(Landschap, Polderland, Herinnering aan Holland)
 via Spaans 
(Kerkhof te Carmone, Los campis Elisios, Maannacht in Elche, Mallorca, Basi bij avond)
 naar klassiek 
(Paestum).

Er vindt een steeds sterkere interactie plaats. 
Naast het ‘ik’ zijn er nu ook andere rechten. 

Toch zijn deze gedichten veel meer dan alleen maar een
dichterlijke plaatsbeschrijving, 
het blijft Marsman:

 dertig eeuwen dreven in een regen voorbij’

Ze konden de ‘zuilen’ echter niet deren.

Hoewel hij nog één ster, een onaanzienlijk teken nodig heeft om 
te geloven in ‘streken, voorbij het moeras van deze tijd
smaalt hij toch om hen, die dat niet willen inzien, want hij is nog jong…….:

kent gij de verborgen wegen?
het roer kan nog zesmaal om!

 Zijn tweede periode eindigde met ‘Breero’, 
de derde met ‘Willem Kloos’.

Beiden waren ongetwijfeld persoonlijkheden, recht uit Marsmans hart gegrepen. 

Hoe geheel anders zijn ze echter weergegeven: 
Breero, gedoemd tot ondergang, levend met een angst voor de dood; 
Willem Kloos, ook tot ondergang gedoemd, maar
geheel onverschillend hier tegenoverstaand, omdat hij
één uur Gods gelaat geschroeid heeft, 
heerser en prooi.

 

 

Tempel en Kruis. (1939 – 1940)

De derde periode tekent al de grote veranderingen,
die zich in Marsman aan het voltrokken zijn. 

Je zou kunnen zeggen, dat hij, uitgeput door zijn strijd 
en ook het bijna onmogelijke inziend van zijn
dionysch bezig zijn, bezadigder wordt. 
Hij wordt evenwichtiger en beheerst:
apollonisch.

 December 1939. 
Klaar voor verschijning liggen eenenvijftig genummerde verzen, 
die gebundeld de titel “Tempel en Kruis’ meekrijgen.

Deze bundel vormt een cylus, die te onderscheiden is in vijf delen:

De dierenriem                        (12 gedichten)

De boot van Dionysus            (23 gedichten)

De wanhoop                            (21 gedichten)

De onvoltooide tempel           (12 gedichten)

De zee                                     ( 1 gedicht     )

 

      Na de proloog ‘De Dierenriem’ behandelen deze delen 
een dichterleven in drie perioden met als slotvers:

‘De Zee’

De overeenkomst met de drie perioden van Marsman zelf zijn duidelijk. 
Het is een terugblik van hem, maar in een breder verband door de geleidelijk aan
verworven visie op de relatie tussen de individu en de cultuur.
We zullen al deze vijf onderdelen apart behandelen in de volgende bladzijden.

      

 De Dierenriem.

 Het valt onmiddellijk op, dat de beschreven persoon niet als ‘ík’ optreedt, maar als
de man van wie ik dit verhaal vertel’.

Het is episch.
Marsman herleest namelijk zichzelf en leest een grafschrift, zoals hij zegt in
‘Proeve van zelfkritiek.’   
Het graf der jeugd is leeg en als ‘hij’ terugkeert,
 hoort hij waarschuwend en bezwerend 
zijn moeders stem:

  keer nooit weerom.
  zie naar uw jeugd niet om!

 Maar hij wordt teruggetrokken naar de stad van zijn jeugd. 
En als hij  zichzelf in ‘Tetuan’ waant, 
roept zelfs een orgel hem weer terug naar zijn land.

Wanneer echter ‘het vuur der poëzie in het verzadigd vlees’ is gedaald, 
vaart hij weg met de boot en bidt hij ‘de geest’ deze te sturen naar het morgenland. 
Het schip, de boot van Dionysos.

Het kosmisch expressionisme, waarin “Verzen”geschreven is,
vinden we ook in “De Dierenriem”weer terug. 
Ook hier is de kosmos de bezielende kracht. 
De zon en de maan zenden visioenen, de inspiratie.

 

 De boot van Dionysos.

Dit deel van de cyclus is een terugblik op het vitalisme. 
Zoals reeds gezegd, is er bij Marsman geen verschil tussen 
kosmisch expressionisme en vitalisme.
Na de smeekbede uit de laatste strofe van ‘De Dierenriem’, 
is Marsman aangekomen in het morgenland en is zijn instrument gestemd.
Het nagrauw van nacht is aan het vervalen:

   Nog slechts een korte tijd en het heelal zal stromen en vlammen als een zuil, 
den   hemel in het haar, 
en ’t dyonisisch schip danst langs de rode stromen, 
dolfijnen om de kiel, de mast een duikelaar
."

 De eerste vier gedichten getuigen van een publiek vitalisme.

Na een korte bezinning,
´wat bleef er van den gloed, den walm van het genot 
dan de gebroken pijn der lenden, wrak en leeg?

zet hij zich over deze twijfel en wervelend en bruisend doet hij zijn 
vitalistische geloofsbelijdenis:

doch in het stijgend uur………..
doortrilt een rode slag het lichaam, 
blank en nieuw, 
dat in de hete nacht zijn

diepste vorm herwon,
gelouterd van het vuil dat in de smeltkroes viel,
terwijl het oerbeeld, slank, tot zijn gestalte komt.

 Deze gedichten zijn zo puur en rein, 
dat men er door wordt meegevoerd, 
weerloos, maar weerloos willend.

In het vijfde gedicht is een kentering merkbaar, 
het is of Marsman zich voorbereidt op de volgende fase. 
De eerste strofe haalt in mineurstemming herinneringen op aan zijn vitalistische tijd.

Hij had de komische reis opnieuw ondernomen, 
wetend wat hem ten deel zou vallen:

  Niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan.

Kan deze doodsdrift bestaan zonder de vaste overtuiging van een wedergeboorte?
Het kan bijna niet anders, of hij draagt, nu hij dit schrijft, 
het geheim van ‘de zee’ al bij zich.


De Wanhoop.

In dit gedeelte overziet Marsman zijn zwarte tijd, de dood van het vitalisme,
 reeds ingeluid in het laatste gedicht van ‘De boot van Dionysos’.
Hij was één met de kosmos en bekommerde zich weinig om de wereld.
Zo weinig, dat de wereld hem vreemd geworden was. 
Nu geeft hij zich rekenschap van zijn sombere tijd in die dreigende Umwelt:

De wereld werd woest en leeg ….
de duisternis viel neer in de stad

en drong in het brein van de man
die aan walging en wanhoop ten prooi,
naar het eind te luisteren lag
dat daalde in de winterse stad.

De mooie herinneringen die hij van vroeger had, 
werden verdreven door de ‘schaduwen van de nacht’, 
aankondigingen van de dood.

Ook keert hij zich fel tegen de schrijnende misstanden van zijn tijd.

Alles is immers beter dan dit!
Zou ons hart niet moeten vergaan
van wroeging en schaamte, dat dit
ongestraft kan bestaan?

 Het is duidelijk, dat hij hier wijst op het nazisme en de jodenvervolging. 
En wij willen het kwaad niet bezweren en laten toe, 
dat het ‘tuig uit de onderwereld’ ons de wet voorschrijft!

Hoe kan hij anders dan fel protesteren tegen die plebeïsche opstand der horden en
 die amorfe massa, en het betreuren, in deze tijd geboren te zijn.
En te moeten leven
met dit lauw en laaghartig gebroed, dat den droom verkwanselt voor goed.’

In deze tijd schrijft hij ook: “Ik had eerst vrijwilliger willen worden 
om op de nazi’s te schieten.
”Zoiets ligt hem niet, maar het tekent hem wel.

Ook legt hij verantwoording af van zijn ‘flirtation met Rome’. 
Het was slechts zijn vrees voor de dood, die hem tot de Katholieke Kerk bracht.

Wat deed gij binnen den muur
van het kathedrale gewelf?

  Niets anders dan den vrees voor den dood
  en de angst te verwaaien als as
  dreef mij voort met den avondval
  naar het donker verraad van het kruis.

 

Marsman wilde zich identificeren met God, gelijk Willem Kloos. 
Diep in zijn hart weet hij wat hij gedaan heeft, wat hij wil:

 “Ik wil God zijn om niet te vergaan.

 

De onvoltooide tempel.

 Zwaar weegt hem de wroeging; hij heeft verraad gepleegd. 
Hij heeft de kelk aan de mond gezet en zijn ziel is van onschuld beroofd.

Nu weer hoort hij de stem, 
die hem gebied weg te gaan en niet om te zien, 
gelijk in zijn derde periode.
Een twijfel echter bevangt hem:

Wie zegt mij dat het verraad  
niet herleeft in een ander land?
het hart zal weer te rade gaan
met wat het ervoer en misdeed.

 Wie strijdt om een eigen bestaan
Wil vallen of staan waar hij streed.

 

In het donker wordt het hem echter toch duidelijk, dat hij 
weg moet gaan, of hij zal sterven in dit heilloze land, 
dat hem heeft verzaakt en beroofd.

Hij gaat ook weg en als hij ’na maanden reizen’ op 
een Bourgondisch plein is aangekomen, zakt eindelijk de 
‘vermoeienis der jaren’ uit hem weg en kan hij 
de tocht volbrengen langs de steile kloven.

Eenmaal de berg beklommen, verschijnt de aarde hem opnieuw; 
hij hervindt Arcadië in het schuimend dal der Durance.
Zoals eens ‘ruimte hem een soepel kleed was’,
 zo woei nu om zijn schouders het azuur.

Zijn gebed in Phoenix werd nu verhoord:

Toen het middag werd, zag hij de zee;
en staand op het hete terras
in het schaduwloos zenithuur 
steeg zijn hart uit het stervende as.

En het enige teken, 
dat twintig eeuwen ademloos verstreken, 
was de zee:

…. en in zijn hart
was
antieke vrede
gedaald
.

 

De Zee.”

 ‘Hij’ heeft de moeilijke tocht volbracht.
Het kernpunt van de kosmos heeft hij bereikt: 
de creatieve geest, het scheppende ik.

De geest, die zweeft boven deze zee, 
de Middellandse Zee;
raakpunt van de klassieke, christelijke en arabische cultuur,
bakermat van Europa:
 

Hier ligt het maansteenrif, dat stand houdt,
....en regenbogen wierp naar de kusten van 
de moskee, de tempel en het kruis.

En:
wie schrijft, schrijve in de geest van deze zee
 Dit is het testament van de man van mars.

  

Hoofdstuk III.

Korte samenvatting:

 

We hebben de dichter Marsman leren kennen, 
himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt, 
berustend en herboren in zijn geweldige apotheose.

Iedere bladzijde werden we onzekerder, omdat we er steeds meer 
van doordrongen werden, dat Marsman niet in woorden te vatten is. 

Je moet hem beleven en doorleven.

Zijn gedichten lezend word je er ook door meegesleurd, 
weerloos maar gewillig.

Je voelt jezelf Marsman. En dronken van zijn gedichten overvalt je 
de machteloosheid weer te geven wat je beleeft.

Langzaam rijst er een beeld van hem voor je op:

Nobel, humaan, bezielend, een erudiet zoals er weinigen zijn.
Zijn poëzie is gegroeid van kort en fel expressionisme tot een sublieme menselijkheid.
Zijn verhouding tot God, tot de Natuur,  tot de Vrouw, was hartstochtelijk, 
maar ook volmaakt rein & rijp. 

Fel protesteert hij tegen de animale verwildering en 
het schurftig moeras van deze tijd:
"Neergedwongen in de lage zeden
van een sombere godvergeten tijd
gaan wij schichtig om tussen de beesten
die wij langzaam zijn ten prooi bereid
."

En het viel hem zwaar, alleen te staan in zijn strijd. 
Hij is de roepende in de woestijn: 
‘naamloos en ongekend, 
zonder weerklank’:

 Ik sta alleen , geen god of maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband
.”

 

Hij voelde zich niet thuis in deze wereld van materialisme en 
overschatting van de ratio. Het dreef hem naar dezelfde 
‘overluchtse streken’ van waaruit ook de stem van
A.Roland Holst klinkt.

We hebben Marsman gevolgd op zijn tocht die reeds begon 
in ‘Pardise regained’ en die hem zou voeren langs 
ongebaande wegen, afgronden en moerassen. 

De wanhoop maakte hem vaak moedeloos en 
bracht hem terug op de aarde, waar de dood hem  belaagde.

Maar altijd zag hij wel weer ‘een onaanzienlijk teken’, 
dat hem opnieuw deed geloven en dat hem uiteindelijk bracht 
tot het enige middelpunt in het heelal.

Hij heeft het geheim gevonden om de dood te overwinnen 
en in zijn hart is antieke vrede gedaald.

In 1936 schreef Marsman:

Wat staat er volgens je broer over mij in de sterren? 
Denk erom: Ik heb nog plusminus 12 jaar nodig om 
te schrijven wat mij nu voorstaat en misschien nog langer.
Dus voor 1950 sterven komt mij hoogst ongelegen!
"

(Leeuwen, W.L.M.E., van , “Drie vrienden”Zeist 1963, blz. 137.

 Loont het de moeite ons te gaan verdiepen in 
wat hij nog geschreven zou hebben, als de dood hem niet 

op zo’n tragische wijze van ons had weggerukt ? 

Het feit ligt er nu eenmaal. 
Zoals zijn werk voor ons ligt, is het een afgesloten geheel.

Ons is de taak verder te gaan. 
Met een kleine variatie zouden we willen zeggen:

"Wie leeft, leve in de geest van deze zee of leve niet."

reageren?
mail  jan van hensbergen

Geraadpleegde literatuur:

 

Auteur

Titel

Published

Marsman, h.

Verzameld werk

Amsterdam 1963

Vestdijk, s.

De poolse ruiter

Bussum 1946

Brandt corstius, j.c.

Marsman & zijn kring

Den haag 1951

Lehning, a.

M, de vriend van mijn jeugd

Amsterdam 1954

Lehning, a.

M en het expressionisme

Den haag 1959

Tintelnet, h.

Schilderkunst sinds 1906

Baarn 1962

“criterium”

Im memoriam h. marsman

Amsterdam 1940

Wispelaere, p. de

h. marsman

Amsterdam 1961

Leeuwen, w.l.m.e. van

Drie vrienden

Zeist 1963

Sötemann, a.c.

Marsman voor de spiegel

Amsterdam 1966

Carstens, j.h.

Orpheus en het lam

 

Heugten J.v.

de boekenschouw

amsterdam 1933-1941