vorige pagina - terug naar index - verder lezen
September 1984, Statenlaan, Den Haag.

De Verloren Zoon, Verliest Zich.

18 jaar, eindelijk vrij. En sinds afgelopen maandag ook verlost van m’n trainingsschema.
Iwan Kramar, destijds de docent die onze jongensgroep op het conservatorium les gaf, is nu bij het Nederlands Danstheater de junioren opleiding begonnen. Een vooropleiding met mogelijk uitzicht op een betrekking bij het gezelschap. Maar op een examenfeest in Rotterdam afgelopen weekend, had Sarah d.K. uit Dordrecht het eerste gaatje in m’n oor geramd voor een ringetje. Bij de training die maandag daarop, viel het Iwan meteen op: “Uigène wat gep je nu, iek gep jauw toch gezegd, iek gou niet van dat dingen!” Ik hoefde niet meer terug te komen. Over en uitgedanst. Geen trainingen meer, geen huis, geen inkomen en geen beroep of diploma. Schulden die zich opstapelen door al het zwart rijden.
Ik zie mensen van mijn generatie allemaal genieten van hun nieuw verworven vrijheden na de examens en vrolijk uitgaan met vrienden en een leuke tijd hebben. Ik zit behoorlijk in de put en ben verknipt door m’n opgedrongen levenshouding al die jaren. Slapen doe ik heel slecht, dus kort, 7 uur slaap haal ik niet. En altijd blijven lachen, hoe erg het allemaal ook is. Zorgen dat je geaccepteerd blijft en jezelf niet buiten spel zet door te gaan sikkeneuren. Maar ik hoor nergens bij. Iedereen leeft door en het voelt alsof mijn bestaan op z’n einde loopt. De afgelopen 14 jaar had duidelijk moeten worden waar m’n mogelijkheden en interesses lagen, maar ik ben alleen maar bezig geweest met de opdrachten van m’n moeder. Geen last meer van een school of dansgezelschap en geen last meer van het thuisfront nu, maar dus wel behoorlijk gestrest en opgefokt. Geen ambities meer, geen zelfvertrouwen meer en een doodsverachting waar ik totaal depressief onder was. Weglopen van huis leek de ultieme oplossing om onder de greep van Bep uit te komen. Nog altijd herdenk ik deze dag op 25 september, maar nu op dit moment maakt niemand zich zorgen over mijn van huis weglopen, zelfs de familie vertelt ze wat anders. Voor mij hoeft het ook allemaal niet meer zo. Ik moet echt even een paar jaar bijkomen. Rust en regelmaat en laat die orde maar ff zitten. Ik waai met iedereen mee, maar echt rustiger wordt het niet. Ik weet niet meer wat ik wil… ik weet wel, wat ik niet wil.

Time slips away, and the light begins to fade.
And everything is quiet now.
Feeling is gone, and the picture disappears.
Everything is cold now.
The dream had to end. The wish never came true
And the girl starts to sing.

(The Cure: “Seventeen Seconds” 1980)

Gezellig blijven hangen in het studentenhuis aan de Statenlaan waar altijd mensen zijn.
Nou, dat moet ik anders verwoorden. Vorige week nog, heeft een depressieve Japanse student zich hier van het leven berooft. Naast de kamer van Henk.
De jongen studeerde luit en heeft zich met de snaren van z'n instrument opgehangen.
Nu zijn kamer vrij komt, verhuist Jan A.S. van z'n kleine kamertje naar deze grotere.
Maar ikzelf heb jaren uitgekeken naar de dag dat ik weg kon lopen voor de verschrikkingen uit mijn jeugd en voel me bevrijd.
Zo'n studentenhuis is heel gezellig en voor mij te vergelijken met het tehuis waar ik zelf heb gewoond.
Maar in dit huis dus wel elke dag om acht uur wakker.
Naast ons klinkt de cello van Dick van Gasteren die elke ochtend steeds weer diezelfde acht maten repeteert en aan de andere kant zit Timo een pianist.
Op de gang dan nog trompettist Henk en daarnaast Jan A.S. die operazanger is en lopend van de keuken naar de douche zijn toonladders zingt om de stem los te krijgen. Boven ons zit een meisje met viool.
En dat klinkt dan vanaf half negen allemaal door elkaar heen.
Omdat ik geen geld heb teer ik op Clau en maak het huis schoon. Ik stofzuig de afdelingen, maak wc’s schoon en dweil drie verschillende kamers.
Ook de kamer van Jan-Willem helemaal boven. Hij speelt basgitaar. “Jan-Willem, mag ik op je kamer die elpee van Tears for Fears draaien?” Hij heeft een goede geluidsinstallatie en de elpee waar “Shout” op staat, maar hij vindt me een nietsnut: “Ledigheid is des duivels oor kussen, en verveling ligt ernaast.” schreef hij me, dus liever niet.
“En als ik ook meteen jou kamer dweil?” Nou, dan mocht het wel. “Shout, Shout, Let It All Out”.
Eten voor de hoofdmaaltijd en het ontbijt steel ik. Niemand doet moeilijk over m’n gratis verblijf, ik mag zelfs de huisvergaderingen bijwonen. Als met kerst en oud & nieuw iedereen naar huis is, kan ik gewoon in het studentenhuis blijven. Liever alleen hier, dan terug naar huis.

Maar Claudio is een paar maanden geleden al van het conservatorium gestuurd, dus hij is binnenkort ook dakloos en genoodzaakt uit te kijken naar nieuwe woonruimte. Nou ja, niet echt gestuurd, eerder geschopt. Begin deze zomer tijdens een les klassiek stapte ineens de adjunct, Marianne S. de studio binnen. Dwars door de oefening heen loopt ze regelrecht op Claudio af, plukt hem van de barre en zet hem linea recta de school uit. Van hem wisten ze dat hij wiet rookte, van mij nog niet. Zo moeilijk was daar ook niet achter te komen: Als je in de vleugel waar alle studiekamers zich bevonden een gang in liep, zag je meteen op welke kamer er gerookt werd. Alle rook dreef gewoon onder de deur door de kamer uit en de gang in. Ik moest nog blijven meedoen tot het einde van het jaar, tenzij ze erachter komen natuurlijk.
Tijdens de generale repetities van mijn laatste eindejaarsvoorstelling voor caractère, trokken een paar jongens zich tussen de bedrijven door ook terug in een studiekamer op de muziekafdeling om er te gaan zitten roken. Gerard M. had een pijp bij zich en zat stoer te doen. Ik hing er bij en had geen contact met ze.
Liep ik terug naar het toneel, bleek ik te laat te zijn voor mijn onderdeel.


v.l.n.r.: Boudewijn, Johanne L., Rob S., Bettina v. W., Renatus H., ?, Norbert T., ?, Rick B., ?, Thom S. en ik met achter mij Geke R. of José de Nobel.

Als ik tussen de coulisses door het toneel op loop, komt Tom Bosma me al boos tegemoet en als we elkaar naderen ruikt hij ook nog dat ik uit een rookhol kom.
Nu is hij kwaad en kijkt me vernietigend aan. Ik word in het midden van het toneel gezet en hij eist dat ik het hele stuk alleen dans. De rest wordt naar de zijkant gestuurd. Maar nog geen vier maten onderweg en hij schreeuwt alweer vanuit de zaal dat de muziek moet stoppen. Opgefokt komt ie op me af gestampt. Hij slaat me drie keer op m’n reet: “EN NU GOED! JA?” De hele zaal vol met leerlingen die zaten te wachten en te genieten van de danskunsten van de hoogste groepen en ik twijfel tussen doorgaan of meteen van het toneel aflopen terug naar de kleedkamers. Ik had niet eens meegerookt.
Tja, dat was het conservatorium hè, met mij hadden ze iemand waarmee ze iedereen al jaren konden laten zien hoe het niet moest.
Die mensen zijn ook nodig. Thuis ben ik ook het zwarte schaap.
Oh, dat is natuurlijk discriminerend! Dat ik de kleur zwart associeer met iets negatiefs.
Ik heb altijd gediscrimineerd en word zelf, als bastaard, boer en binnenvetter ook mijn hele leven al gediscrimineerd. Ik ben het zo onderhand wel gewend en zie er weinig kwaad in, het vergelijk met een ander brengt je zo juist dichter bij elkaar. Het beslecht grenzen als je wat van elkaar kunt hebben.
Dat is één van de eerste dingen die ik van m’n moeder heb geleerd natuurlijk, dat je een bijzondere dikke huid moet hebben in (haar) Nederland.
Begin geen discussie, als je niet kan incasseren.
Belediging vraagt natuurlijk weer om een hele andere reactie.

Claudio wil ondanks dat hij van school gestuurd is, wel gewoon door met dansen. Hij ballet nog niet zolang en dat zie je aan z’n uitstraling. Het is niet de bedoeling dat mensen merken dat het zwaar voor je is. Bij mij heeft het jaren geduurd natuurlijk, maar ik draai nu stoïcijns m’n barretje en bij de oefeningen in het midden lach ik routineus en veins nonchalance. In Claudio’s gezicht zie je de constante strijd en concentratie waar ik doodmoe van word. Maar door hem gaan we dus wel in Rotterdam bij de dansacademie trainen, om in vorm te blijven. Een aangepast rooster, we volgen zoveel mogelijk lessen, tot de audities weer worden gehouden volgend jaar. Ik ben gewoon met Claudio meegegaan en dat zal ik de komende jaren blijven doen… Achter hem aan hobbelen.

Zoals Jimmy v.V. een keer subtiel opmerkte in Het Krocht in Bussum: “Het lijkt wel of je honing aan je reet hebt Clau, hij loopt de hele tijd achter je aan!” Dat deed Jimmy zelf ook natuurlijk. Maar Jim kon z’n handen niet van me afhouden, waar en wanneer die maar kon, zat ie aan me. Ik die radicaal gebroken had met familie en thuisfront, word door deze twee jongens die het wel naar hun zin hadden in het dorp waar ze beiden vandaan kwamen, gewoon aan m’n lot overgelaten. Je weet toch waar je kunt slapen? Ga maar vast terug. Ze waren de enige die ik hier kende in Bussum, verder niemand. Maar het leek wel of ze van me af probeerden te komen. Ze dachten dat mijn vlucht van thuis gewoon ondeugend was. Die wil gewoon een tijdje voor zichzelf en dan gaat hij wel weer terug.
Het zal even duren voor mensen doorkrijgen hoe desastreus mijn leven tot nu is verlopen. Tot vandaag denkt iedereen ook dat ik weinig te klagen had met zulke ruimdenkende, progressieve, jonge ouders. Ik worstel ook al jaren met de vraag of, hoe en bij wie ik dit moet gaan aankaarten. Ik heb altijd meegespeeld met het gelukkige gezinnetje, dus niemand zal me geloven. Maar er moeten toch wel mensen zijn die hebben gezien hoe ze is? Van mij mag ze dood.

Als ik meteen was begonnen met aftrainen, had ik rigoureus met dansen kunnen kappen en aan iets anders kunnen beginnen. Gelijktijdig in therapie gaan en/of me op één of andere manier laten opnemen in een beschermende omgeving om tot rust te komen. Het liefst zou ik terugkeren naar de veiligheid van het internaat.
Maar door vrouwen wil ik niet meer geholpen worden en mannen pakken ook niet door. De enige plek met zo weinig mogelijk vrouwen is de gevangenis. Dat hangt binnenkort ook boven m’n hoofd. Met m'n Junior Blauw Spaarrekening sta ik altijd 500 gulden rood, maar ook de boetes die ik verzamel met al het zwartrijden in bus, trein, tram en metro zijn al meer dan 2.000 guldens en niet terug te betalen.
Met de strippenkaart gaat het wel goed, ik plak al tijden doorzichtige tape op m’n strips, die kan je er weer afhalen als je gestempeld hebt.
De trein is klote… Laatst zijn we onderweg van Rotterdam naar Dordrecht gesnapt. Het was al avond en pikkedonker toen de conducteur ons voor de keus stelde, of betalen of eruit. Net voor de trein de Oude Maas naar Dort zou oversteken, trok de fluitende gaatjesknipper de deuren van de rijdende trein open.
Terwijl we langzaam tot stilstand komen, vult het balkon zich met de koude buitenlucht. We mogen uitstappen. Of, nou ja, uitstappen er is geen perron, we moeten springen en worden ver weg van het laatste station in een weiland tussen de koeien achtergelaten.
Jan zorgt dat ik de oproep om voor te komen bij de rechtbank niet negeer. Onder de radar blijven is moeilijk en ik ben allang blij dat hij me vergezelt naar Delft. Mijn houding is simpel; “Van een kale kip ken je nie plukken”. Jan verklaart mijn gedrag en situatie aan de rechter en ik kom er met een schuld zonder strafoplegging vanaf.

Zaterdag word ik na het concert van de “Virgin Prunes” in Tivoli, Utrecht door Jan overgehaald om zondag toch nog een keer thuis te gaan praten op de Heereweg. Hij was deze week door Bep gebeld op z’n werk. Ze deed alsof ze helemaal overstuur was omdat ik de “kuierlatten” had genomen.
Als Jan haar vertelt dat hij me dit weekend weer ziet zegt ze: “Oh, dan kan ik hem meteen vertellen dat z’n vader nog leeft.”
Ik hoor het Jan zeggen en meteen gaat het broeien, ik krijg het warmer en benauwd. Wat zegt hij nou precies?
Een paar seconden later besef ik wat er hier gebeurt en ik ben echt furieus, ze gebruikt Jan om me weer thuis te krijgen. Ik probeer me in te houden. Als iemand anders me dit had verteld, zou ik compleet door het lint zijn gegaan. Wat wil ze me nu duidelijk maken? Waar komt ze nou weer mee? En waarom nu pas? Ze heeft me altijd laten geloven dat m’n biologische vader was overleden. We hebben aan het graf gestaan van de man waarvan ik de naam draag. Die had zich in een bepaalde bocht in het land van Maas en Waal met vrienden dood gereden, toch? Ze probeert me gewoon binnenboord te houden. Ik word helemaal niet goed van dat mens. Ik heb in dit leven maar één verhaal tot nu toe. Ik kan daardoor altijd vrijuit spreken. Geen geheimen, geen samenzweringen. Zij komt al jaren met steeds weer andere versies, maar één consistent verhaal is er niet uit te krijgen. Dat KANKERWIJF moet DOOD, IK WIL MAAR 1 VERHAAL!!! Ik heb totaal geen vertrouwen in het gesprek morgen, maar doe het voor Jan. Ze zal helemaal uit haar dak gaan. Meer niet. Waarom LUISTER ik nog naar haar? “… and the moon looked down and laughed!”

De volgende morgen merkt Jan bij het ontbijt dat ik nauwelijks eet en na een paar happen, eerst door wat maagkrampen heen moet.
Ik ontbijt al jaren niet goed, zeg ik hem.
Even later als we op de Heereweg in de salon zitten, moet ik ze uitleggen waarom ik niet naar hen ben toe gekomen met mijn problemen.
"Wil je met me praten? Dan moet ik je zien als de buurvrouw!" probeer ik.
(Want bij andere vrouwen kom ik wel uit mijn woorden. Wat ik eigenlijk bedoel te zeggen is; als je een normaal gesprek met me wil, doe dan net zo rustig en normaal als al die anderen mensen en niet zo opgefokt de hele tijd.
Wil je mijn reactie, terwijl je zo blijft schreeuwen en vloeken? Dan kunnen we beter meteen stoppen want dat word geen leuk gesprek. Met alle opgekropte woede, na al die jaren vol vernederingen, is daar bij mij geen ruimte meer voor. Ik zal dan dubbel zo hard naar je uithalen, kutwijf. Ik zal je boertige gevloek overschreeuwen, je inboedel slopen, dit huis afbranden en je in blinde razernij helemaal overhoop steken, kankerwijf.)
Maar goed, ze wil dus geen gesprek, want ze struikelt al meteen over mijn vergelijking van haar met de buurvrouw en het drama begint hoor.
Bep huilend: “Dit heb ik niet aan jou verdiend!” Snotter, snotter: “Ik denk dat je het spel niet eerlijk speelt, jongen.” Ze had zich nog nooit zó beledigd gevoeld.
“Eugène, jij bent nog niet volwassen genoeg om je zelfmedelijden tegenover jouw functioneren te zetten. Het zal je niet verbazen dat er bij mij grote twijfels zijn.”
Natuurlijk domineerde ze verder de hele middag het gesprek en wij: Bart, Jan en ik, lieten de hele storm zonder noemenswaardige tegenspraak over ons heen razen.

Ik speel “het spel” niet eerlijk? Dat spel wat jij al jaren met me speelt? Vind je de afgelopen 14 jaar dat we een spel gespeeld hebben? Ja, jij was lekker bezig ons de hele tijd te bespelen. Dus je bent toch een sadist, want je vond het gewoon lekker! Nou ik ben niet langer je speeltje, het houdt hier op. Ik ga wel ergens anders spelen.
Dat agressieve kankerwijf zit ieders dag weer te vergallen, waar komt die behoefte bij haar vandaan? Ze heeft het nooit doorgekregen, wat veertien jaar leven met haar betekent. Ze moet toch d’r bek houden en opgenomen worden? Is het nou eens afgelopen met al dat dramatische gedoe van haar?
Ze luistert ook helemaal niet. En wat bedoel je nou, dit heb ik niet aan jou verdient? Dat denk ik al tien jaar!
Mijn zelfmedelijden? Door wie zal dat nou komen? Jij met je kutjeugd, waarom als je het zo goed weet, heb je dat ons niet bespaard?
Een losgeslagen ongeleid projectiel ben je.

Maar het is tragisch, zelfs nu Jan erbij zit, durf ik nog steeds niet te reageren of iets te zeggen. Dat ik al vanaf de eerste dagen dat ik achtergelaten werd op de Nolensstraat moeite met haar heb. Moeite, werd onbegrip. Machteloos en hopeloos werd ik onverschillig. Uitzichtloos kwam de walging en de vrouwenhaat.
Het Komt Nooit Meer Goed. Dat mens heeft m’n hele leven verziekt, kon geen stap zetten zonder haar goedkeuring.
En hoe gaat ze dit nu allemaal weer goed maken? Haar oplossing na uren gekanker, want alleen zij kent mij en weet hoe ze dit “varkentje moet wassen”, was dat ik gewoon weer lekker thuis kwam wonen, en huur ging betalen!?
Huur betalen? Betalen voor nog wat gezellige jaren bij jullie in gevangenschap?
De kramp slaat om mijn hart, het lijkt wel of ik interne bloedingen heb. Een week geleden ben ik weggevlucht van hier en Jan brengt me weer terug naar m’n beul. Het is raar dat deze twee zien hoe ze me aanvalt en kapotmaakt, maar me niet beschermen, ontzetten of bijvallen als ik probeer me te verweren. Zien jullie niet dat ze me haat? Waarom doet niemand iets? Ik wil dood. Er valt gewoon totaal niet met haar te praten. Hoe ze blijft volharden in haar eigen gelijk. Ze komt me nauwelijks tegemoet en doet echt totaal geen moeite de zaken eens van een andere kant te bekijken. Waarom schakel ik haar niet uit, maak ik haar niet onschadelijk? Voor dat m’n leven goed en wel begint, heeft ze het al onmogelijk gemaakt. Op zo’n manier haal ik de dertig niet.
Het verlossende nieuws over mijn biologische vader? Dat kwam er niet natuurlijk, geen woord, nix!

Ik sta in de eetkamer de tafel te dekken en voel me in de steek gelaten door Jan. Alle richting voor de rest van m’n toekomst ben ik kwijt. Jullie huizen zijn nooit een rustplek voor me geweest en dit hier wordt zeker niet m’n laatste. Ze denkt toch niet, dat ik nu weer schijnheilig hier thuis kom elke dag? Ik ben allang blij dat ik de eerste achttien jaar overleefd heb. Helemaal opgebrand en rijp voor het gesticht. Maar dat waren er wel meer in m’n “vriendenkring”.
Lisse! Moet ik dat dorp afbranden? Ik blijf hier echt niet wonen, dan nog liever onder een brug. Of boven het airco rooster in de zijstraat bij de V&D waar het laden en lossen van alle goederen gebeurt, die plek is 24 uur per dag lekker warm. Binnen eten jatten en buiten op het rooster ontbijten. Thuis dus nog even de schuldbewuste, verloren zoon gespeeld en braaf meegegeten, want ik kon door een vergadering van Jan niet meteen mee terug rijden, maar zo snel als ik kan zal ik weer terugkeren naar m’n onderduikadres op de Statenlaan.

Catch me if I fall, I'm losing hold.
I can't just carry on this way.
And every time I turn away.
I lose another blind game.
The idea of perfection holds me.
Suddenly I see you change. Everything at once the same.
But the mountain never moves.

(The Cure: fragment “Faith” van gelijknamig album uit 1981)

   
Claudio lethargisch (stoned) in Bussum, op de muur een foto van zijn oudste broer Domenico.

Clau en ik schelen twee dagen. Hij is twee dagen jonger dan ik. En lang niet zo opgefokt als de rest. Hij schreeuwt nooit, hij scheld niet. Heeft nooit ergens haast mee.
Ik laat hem grotendeels de dag bepalen. Dit gaan we eten, daar gaan we uit, zo laat gaan we slapen. Hij bepaalde wat we gingen doen. Laat mij maar even met rust, verwacht van mij niets. Mijn inbreng was nihil. Ik stuurde zo weinig mogelijk en verwachtte eigenlijk dat Clau, die zo'n onverantwoord risico liep door z'n drank en drugs gebruik, wel makkelijk te verleiden zou zijn tot een overdosis. Als hij dan toch niet verliefd op mij was, wilde ik het liefst dood met hem door een overdosis.
Claudio verloor zichzelf graag, ik was alles kwijt en had niets meer te verliezen. “Jij bent de enige waar ik het langer dan twee weken mee uit hou!” zei die, nadat ik me een week of wat rustig had gehouden. Die anderen waren zo veeleisend. Dus ik bleef hangen en hoopte zo dat hij zou zien hoe gek ik op hem was. Na die nacht dat hij aan me begon te zitten.
Die nacht dat ik juist naast hem ging liggen, omdat ik na twee slapeloze nachten een keertje wilde slapen.
Twee nachten hiervoor had ik Tiddo B. en Martin L. meegenomen naar de verjaardag van Dirk. Tiddo wilde ik vanaf de eerste keer dat ik hem zag zitten in de kantine van het Conservatorium beter leren kennen. Martin was tijdens pauzes op het Conservatorium en café bezoek in de buurt, verliefd op mij geworden, maar hij was net als Carmen zo lekker close met Bep dattie dus geen kans maakte, Toch bleef hij rond mij hangen en met deze uitnodiging schiep ik naar hem toe wel wat verwachtingen. Maar deed er verder niks mee. Het werd een ongemakkelijke nacht.
Terwijl ik geïnteresseerd was in Tiddo en naast hem op de grond ging liggen, draaide Martin zich in mijn bed verongelijkt om en ging liggen toekijken. Er is daardoor verder niets gebeurd. Maar hier brak wat bij Martin; voor hem was “het” over tussen ons twee. Wat mij betreft was er nooit wat aan geweest. Alleen hij leed hieronder, mij deed het niets. Ga maar lekker in therapie bij m’n moeder als je problemen met me hebt. Hij moest eens weten. Tiddo was veel interessanter.
Tja en dan die nacht daarna. Jimmy die niet van me af kan blijven, ondanks dat ik hem zeg dat ik doodmoe ben van de nacht ervoor.
Daarom dacht ik na een nacht lang door Jimmy aangerand te zijn geweest, ik ga lekker naast die saaie Claudio liggen, want als die horizontaal gaat dan slaapt die meteen. Maar toen begon Claudio ook nog eens. Totaal niet verwacht, maar wel de bevestiging waar ik naar uit keek.

Het bleek allemaal een beetje eenzijdig, toch bleef ik hopen dat hij er over een tijdje wat serieuzer in zou staan, want voor mij was er vanaf toen maar één.
Hij is er, tot ik er expliciet om ging vragen, niet op terug gekomen en blijft na mij gewoon zijn eigen lul achterna lopen.
Ik dacht door zijn toenadering juist een bevestiging van onze vriendschap te zien en werd meteen serieuzer, zeker nu m’n toekomst zo onduidelijk was.
Maar hij wil niet in z’n vrijheid belemmerd worden en ik moet me niet bemoeien met z’n vriendjes. Ja, alleen als ie er weer vanaf wil dan.
Komen ze met mij praten als Clau ze negeert en niets meer tegen ze zegt.
Voor hem is het leven en de wereld één grote speeltuin. Hij ziet me liever als een broer en ik bleef hangen.
Dus dat werden meer vrienden, doorgaan met dansen en muziek, veel uitgaan en vergeten met alcohol en drugs. Ik dook onder in zijn wereldje en conformeerde me bij gebrek aan eigenwaarde en visie op een toekomst aan de nieuw ontstane werkelijkheid: Werk-, dak- en thuislozen, schnabbelaars, nachtbrakers, kruimeldieven, drugsgebruikers, oplichters, zwartrijders, hoerenjongens, draaideurcriminelen. Ik kan niet elke avond uitgaan om te roken en te zuipen, daar heb ik het geld niet voor. Claudio werd nog financieel ondersteund door z’n ouders in Amerika en leidde een leuk leventje maar echt voor z’n tweeën gaan wilde hij niet. Hij was een vrije, zelfstandige jongen en ging “nog” niet voor die ene ware. En zijn vriendenkring was groter dan die van mij…
Alleen met Jan kan ik praten. Verder heb ik de eerste achttien jaar door die drie verhuizingen geen vriend overgehouden. Het is me in die tijd niet gelukt ook maar één relatie uit te bouwen tot iets normaals. Hier zie ik dat Clau nog steeds omgaat met mensen waar die mee op de lagere school heeft gezeten. Van mij zijn alleen Marco v.d.H. en Berend v.A. nog een keer op de Statenlaan geweest, verder zijn de meesten natuurlijk te dik met moeder en daar heb ik dus helemaal niets meer aan. Veel mensen vinden dat ik een leuke moeder heb.
Mijn vader leeft nog?

Claudio viert z’n comming-out en leert aan de lopende band nieuwe mensen kennen: Niek uit de politiek, Hans en Zü van de kunstacademie en nog een andere Hans van het conservatorium, Martin die op mijn enge gymleraar lijkt, Jan-Bart de tandarts, Jan-Ate, Mark, Arthur. Ik moest zaken serieuzer aanpakken. Maar ik was ook de ex die, zonder toekomstperspectief, het langst bleef hangen. Ga je mee naar Hans en Joep? Hij kende Hans nog van het Conservatorium en die was nog steeds gek op hem. Volgens mij weet Claudio niet, hoe die van hem af moet komen. Met mij ernaartoe was makkelijker omdat ie niet zo’n prater is. Hans wilde verder met Clau, maar dat was dus niet wederzijds. Na drie uur lamlendig op de bank hangen naast Joep, de vriend van Hans, had ik het wel gehad. Maar Claudio zei niet: kom we stappen eens op. Hij bleef. Wat heeft Clau rare, onaantrekkelijke vrienden. We zijn zonder te slapen de volgende morgen pas terug naar de Statenlaan gegaan. Ik begreep niet waarom die het zolang heeft uitgehouden. De hele tijd nix doen, het nergens over hebben en wachten tot ze moe van ons worden? Alsof hij pas na dertien uur durfde te zeggen dat we weer op huis aan zouden gaan. Tragisch en doodvermoeiend. Hele ongemakkelijke nacht. Maar ik heb die Hans niet meer gezien.
Na de training bij het NDT nog voordat Iwan me wegstuurde, had ik Mark een keer uitgenodigd s’avonds bij ons te komen eten, bij mij en “m’n vriend”. Wordt ie vervolgens door Claudio vol gegoten met wijn, waardoor hij wel moest blijven slapen. Begint Clau vervolgens met Mark te friemelen, terwijl ik er gewoon naast lig. Als ik er niet bij betrokken word, voel ik mezelf overbodig en vertrek naar de halte om in het tramhokje buiten verder te slapen, het blijft zijn kamer. Om vijf uur al weer wakker, door de bel van de eerste tram die de hoek om komt. Naar de President Kennedylaan gelopen en vroeg op het werk van Bart verschenen om te kijken hoeveel geld hij bij zich heeft. Daarna via de koffieshop en de supermarkt weer terug naar de Statenlaan met stuff, drank en iets lekkers. Mark snapte er achteraf weinig van: “Ik dacht dat het serieus was tussen jullie!” Ik wou dat het waar was, schoot er door m’n hoofd.
Ik kreeg inderdaad geen bevestiging dat Clau alleen met mij verder wilde. Maar dan ga je toch niet liggen vozen met jongens die ik meeneem? Voor hoe hij met me omging had ik gewoon moeten passen. Ik heb met hem ook nooit over m’n hachelijke situatie kunnen praten. Die problemen van mij waren allemaal te heftig voor hem. Hij heeft nooit het gesprek met me willen aangaan of hij een toekomst met mij zag. Zelfs een verklaring waarom hij, die nacht aan me begonnen was heeft ie nooit kunnen geven. Nou ja, hij vond me wel leuk, dan. Maar “leuk” was niet echt een leuk antwoord. Van huis uit kreeg ik dat al vroeg mee natuurlijk: “leuk” is niet wat ze wil horen als ze je een vraag stelt. “Leuk! Leuk! Niet alles in het leven is altijd maar "leuk", Eugène!” Zij, die zich overal mee bemoeide, toont interesse in hoe mijn dag was verlopen. Dat doe je dan niet af met een simpele "leuk". Aandacht voor de vragensteller, aandacht voor de vraag. Gebruik je intellect en probeer haar mee te nemen op de avontuurlijke reis die de leergang je ook vandaag weer bood. Ze verwachtte minstens een goed onderbouwd, overtuigend betoog over je progressie op school. En dus niet dat je dan euh, de hele tijd als een euh, een stamelende boer staatuh, te stumperen. “DENK NA, Eus!!! Voor je iets gaat zeggen! Kun je nou niet iets diplomatieker zijn?”
Claudio zit als een jongetje van 10 een gevechtsvliegtuigje in elkaar te lijmen. Als ik hem wat meewarig aankijk, laat hij blijken me een beetje zat te zijn. Daar geeft ie verder geen woorden aan maar hij zit me gewoon weg te kijken. Ik maak misbruik van zijn onvermogen, hij durft me niet weg te sturen. Ik kon nergens naartoe, maar waarom ben ik niet weg gegaan? Ik was het wel gewend hè. Gekleineerd te worden, geridiculiseerd. Ik lach alles gewoon weg en maak cynische grappen. Maar beter zou het er niet op worden. Ik ben alleen maar op zoek naar rust, reinheid en regelmaat en iemand waarmee ik mezelf opnieuw kan uitvinden, maar laat die reinheid maar even zitten.

Tijdens het bezoek van Clau z’n moeder uit Amerika, werd hem gezegd dat ie nog kon kiezen om mee terug te gaan naar San Francisco, als het hier met dansen niet zou lukken. Maar als die in Holland wilde blijven, hoefde hij niet meer te rekenen op een financiële bijdrage van pa en moe. Na dat gesprek heeft Claudio wel voor “verder leven met mij” in Nederland gekozen. Misschien ook wel omdat z’n moeder zo arrogant tegen me deed toen we haar gingen afhalen op Schiphol. Wat een uitgestreken smoel. Toen ze haar zoon zag was het één en al opgewekte vrolijkheid, maar toen Claudio ons aan elkaar voorstelde zei ze met een Amsterdams/Amerikaans accent en afkeurende blik: “Hè? Oh! ben jij Eusjèn, hello!” Ja, lelijk wijf, ik ben die knul die op je zoon teert.

Vroeg opstaan was voor mij eigenlijk helemaal niet meer nodig en die dansacademie in Rotterdam vond ik helemaal niet zo leuk. Wel naar alle anatomie lessen geweest, dat kwam hier uitgebreider aan bod dan in Den Haag. Modern en jazz of volksdans hoefde voor mij niet meer, schminken deed ik ook al zelf dus bij grime liet ik me ook niet zien. Maar waarom doorgaan? Ik snap het nog steeds niet Ja, ik was doodop. Gewoon doen wat je elke dag doet, vasthouden aan het verslavende, trainingsritme en in vorm blijven is wel het minimale. Als ik geen barre gedraaid heb, ben ik niets waard. Na al die jaren is het een eerste levensbehoefte geworden, je bent pas klaar en wakker als je een warming-up hebt gehad. Dan kun je moe maar voldaan de hele dag weer aan. De twijfel of het nog wel nodig is groeit maar langzaam. Ik durf de knoop niet door te hakken.
Maar wat een verlossing toch, weg uit dat huis waar geen gezelligheid meer heerste. Niet meer die continue sluimerende onderhuidse spanningen die te pas en te onpas de sfeer konden bepalen. Ik heb er zo’n genoeg van. Maar ik besef ook dat het ervan weglopen nix oplost. Ik heb een lage uitkering, geen vaste woon- of verblijfplaats en geen serieuze vriend. Sommigen kijken me meewarig aan. Blijf toch niet bij die jongen, hoe hij met je omgaat is toch niet normaal, je verdient beter. Het was mede te wijten aan de liefdeloze situatie waar ik uit gevlucht was, dat ik volhardde in deze relatie. Terug naar huis keren is geen optie. Zal ik een overdosis nemen? Moet ik “haar” afmaken? Zal ik weggaan van dit alles en gaan lopen tot ik het land uit ben? Wie moet mij nou? Ik kan wraak nemen op Hans K., hem terugpakken op een onbewaakt moment. De lijst die ik samenstel van mensen die m’n leven hebben verpest is lang. Ik ben eindelijk sterk en kwaad genoeg om m’n wraak te botvieren. Genieten van de voorbereiding en het excelleren tijdens de uitvoering, tempert m’n agressie weer een beetje, gelukkig. Hoe meer de mensen riepen dat ik moest kappen met Claudio, hoe sterker mijn afhankelijkheid zich presenteerde en ik terugdeinsde. Depressief door m'n minderwaardigheidscomplex, voelde ik me een loser. Ik ben overschot, een vertrapte punk, een bastaard zwerver en verslaafd. Het kan me niet veel schelen. Ik heb nooit ergens bij gehoord.

When the room is quiet.
The daylight almost gone. It seems there's something I should know.
Well I ought to leave but. The rain it never stops.
And I have no particular place to go.
Just when I think I'm winning. When I've broken every door.
The ghosts of my life Blow wilder than before.
Just when I thought I could not be stopped.
When my chance came to be king.
The ghosts of my life Blew wilder than the wind.

(Japan: “Ghosts” album Tin Drum 1982)

Onze uitzet stelen we door de jaren heen stukje bij beetje bij elkaar. Loop bij warenhuizen via de parkeer garages naar de lift, die stopt vervolgens op elke etage in de winkel. Pak wat je nodig hebt en neem de lift weer terug naar beneden. Verlaat via de parkeergarage het warenhuis. Bestek uit de Bijenkorf en V&D, glazen nemen we mee als we uit zijn geweest in “Het Paard” op de Prinsengracht. Punk attributen haalde ik in de dierenwinkel. Bij de hondenhalsband voor om m’n nek, gejat op een drukke zaterdag, kreeg ik de beveiliging achter me aan en moesten we vluchten door de winkelende mensenmassa, dat was kantje boord.
Al het geld gaat op aan stuff, donkere maroc of polm. We haalden bij Het Ei op het Spui, of De Theezeef en De Bulldog in het centrum.
Boodschappen voor het ontbijt doen we bij de Konmar. Proletarisch winkelen was hier toegestaan (heel makkelijk dus). Mijn lange jas was groot genoeg voor een kilo kaas, brood en een fles Stroh Rum om te mixen en voor in de thee. Op een zaterdagochtend als ik weer ontbijt wil gaan scoren, kom ik bij de ingang van de Konmar de moeder van een meisje van school tegen. Ze staat drankjes uit te delen aan winkelend publiek en ik ga beleefd met haar in gesprek. Daarna durf ik het risico niet te nemen dat ik opgepakt word en in haar zicht tussen twee agenten de zaak moet verlaten, dus nog even geen ontbijt.

Jan Ate, twee deuren verder, was een charmeur van de eerste orde. Operazanger en entertainer. Hij had ook wat met taal en vermaakte ons meerdere keren met leuke cryptorijmen en zo. Thee erbij opera muziek op de draaitafel en de ene na de andere kwamen voorbij:
Een tanige tante uit Twente
met sproeten zo groot als rozijnen
was met haar gebrek toch nog hevig in tel
maar ze barstte dan ook van de kwartjes.

Wat hebben we veel thee gedronken bij hem.

Hij vraagt ons mee naar het verjaardagsfeest van z’n beste vriend, Wim K. in Rijswijk. Hier ontmoeten we Hans en Zü (check youtube: DJ Zubrowka). Hans schildert op de Kunstacademie hier in Den Haag en Zü laat zich over enkele jaren ombouwen. Eerst heette hij Wim uit Leiden, nu wil hij al jaren als Zü verder. We lijken sprekend op elkaar en zouden als broer en zus door het leven kunnen gaan. Nadat Hans en Zü ons dronken hadden gevoerd met cola-vieux, weet ik alleen nog dat Hans vast kwam te zitten aan de handboeien die Saskia, punker uit Dort, van een agent had gejat. De sleutel had ze natuurlijk niet dus die hebben verder de hele nacht aan elkaar vast gezeten en zijn de volgende ochtend bloedsacherijnig een politie bureau binnen gelopen om er maar vanaf te raken.
De zwaar benevelde heer des huizes heeft die nacht op de kamer waar ik met vier anderen lag, nog gepoogd mijn piemel tevoorschijn te krijgen. Zü zei nog: “Laat hem ff joh.” Maar mijn punk uitrusting was een goeie bescherming gedurende mijn dronkenschap en na een hoop gesjor en geduw taaide hij af, op naar de volgende kamer. Doorgewinterde mannenjagers hebben een broek zo van je reet en dit voorkomt zo enorm veel gênante momenten. Je hoeft in ieder geval niet te gaan slaan. De volgende dag toen ik onder de douche stond op de Statenlaan, kwam Wim me een bos bloemen brengen met een kaartje: (geschreven met koude handen) Sorry dat ik dronken was. Dat verandert -mijnerzijds- niets aan de warme vriendschap die ik voor je voel. Wim.
Hij wilde duidelijk z’n tweede kans veilig stellen. Die avond was pas de eerste keer dat ik Wim K. meemaakte. De tweede keer was toen ze me mee uit namen. Naar een gezellige, rustige oude-herenclub. Vooraf kreeg ik een smoking aangemeten want dat punkertje ging natuurlijk zó niet mee. Charmeurs. Zaten ze met me te pronken en me vol te gieten. Jan Ate heeft zich na veel drank die nacht in bed met m’n sluitspier bezig gehouden waardoor ik heftig klaarkwam en dronken in slaap viel. Het kan best zijn dat ze toen van de situatie geprofiteerd hebben om me een nachtje te gebruiken en/of foto’s te maken.
Maar een paar weken verder komt Jan-Ate zwaar aangeslagen onze kamer binnen vallen. Wim was afgelopen nacht vermoord.
Hij deelde het bed met een jongeman. Maar de vriend van die jongeman is zijn huis binnengedrongen en toen die de twee naakt in de slaapkamer aantrof, liep het uit de hand. De jongen sprong het bed uit en probeerde achter de gordijnen te verdwijnen, maar zijn vriend stak hem door het gordijn heen en sneed z’n buik open. Daarop vluchtte hij met z’n darmen in de handen de trappen af en het huis uit. De ambulancebroeder vond hem ineen gezakt achter een geparkeerde wagen. Hij heeft het overleefd, maar Wim is in zijn slaapkamer afgemaakt en aan zijn verwondingen overleden. Jan Ate verloor hiermee z’n beste vriend. We hebben hem vergezeld op de begrafenis. Norwin die als pleegzoon bij Wim leefde wilde weer terug naar z’n geboorteland. Een hele vriendengroep viel uit elkaar.

Claudio was ondertussen achter de bar in coffeeshop “Downtown” terecht gekomen. Als ik langs kom voor een cappuccino vindt Wouter, de eigenaar, mij veel leuker en niet lang daarna sta ik er ook. Clau en ik wisselen elkaar nu om de week af. De eerste week hier, lunch ik met een cappuccino en een snuif speed. Michel, de bewoner van de kamer boven de shop dealde en had een vuilniszak vol op z’n kamer staan. Bij het aanbreken van zijn dag, zo rond twaalven, kreeg hij van mij een cappuccino en liep ik naar plee om zijn twee gram van de bril te snuiven. Ik vond het een goede deal. Maar volgens mij maakte hij gebruik van de kassa als ik stond te snuiven, want hij was ineens verdwenen met z’n achterstallige huur.
Down Town werd bezocht door een trouwe kliek. Homo’s natuurlijk: eigenaren van sauna’s en andere clubs, de knappe beveiligers van het Vredespaleis in Den Haag, jongens van een boorplatform op de Noordzee, jongens die een travestieten act hadden, pedo’s en natuurlijk de stamgasten. In de vakanties kwamen daar nog wat verdwaalde toeristen bij. Met een baantje heb je geen tijd om geld uit te geven zou je denken, maar op dat geld moet ik vaak wachten.
De eigenaar van de Olympic, een leerbar, komt voor zijn werk begint bij ons wat eten en nodigt me uit een keertje zijn club te bezichtigen. Als Down Town sluit, gaat hij open.
Er is een Fist Fuck Festival volgende week en ik ga langs met Wouter. Vooraf had hij me op het hart gedrukt dat ik gewoon bij hem achter de bar mocht staan, als het wat te heet werd aan de reet. De naam zegt het al, er verdween zo her en der een vuist in het achterste van één van de aanwezigen. Aan het plafond tv toestellen waar zware sm video’s op draaien. Beneden de kelders, één grote Darkroom: kettingen aan het plafond, een vrij staande toiletpot, wat badkuipen en een muur met gaten erin, glory-holes. De lucht van bleekwater waar alles elke ochtend mee schoongemaakt werd, was niet te harden. Wat een donkere wereld. Hij is open van tien uur s’avonds tot de volgende morgen. Tot vroeg in de ochtend is hij dan nog druk met alles schoon maken en opruimen voordat ie kan gaan slapen. In de middag komt die dan bij ons in Down Town ontbijten. De koffieshop is wat dat betreft een stuk rustiger.
Het is natuurlijk niet altijd pais en vree. Op een ochtend komt Piet, ook een stamgast, binnenlopen met een ochtendhumeur en als ik hem te snel probeer te verleiden tot een cappuccino, merk ik dattie zo vroeg op de dag niets moet hebben van de naïeve blijmoedige jongeling die ik ben. Hij blokkeert de uitgang bij de bar en voor ik weet wat er gebeurt haalt hij uit met z’n rechter. Ik word met een vuistslag op links bijna gevloerd achter de cappuccino apparaten. Ik blijf overeind en zie dat de hele bar is opgestaan en Piet wordt eruit gezet. Ik schrik me wezenloos maar de aanwezigen nemen het stuk voor stuk voor me op. Een paar dagen later komt er een kerel aan de bar zitten en bestelt een sperma shake banaan. Hij vind zichzelf zó grappig, schaterlachend zit ie op z’n kruk heen en weer te wiebelen: “Hahaha, of nee doe toch maar een spermachino en kom er zelf ook even in!” Meneer, een witte nicht van in de vijftig, sportschoolhouder, heeft gisteravond na sluitingstijd “mijn vriendje” mee naar z’n huis gelokt. Hij wil me deelgenoot maken van zijn avontuurtje in z’n “schooltje” met m’n promiscue maatje. Niet wetende hoe ik met deze zielepoot om moet gaan, loop ik met wat afwas de trap af naar beneden achter. Wouter stelt me gerust: “Hij doet dat alleen maar om je op de kast te jagen. Er is niks gebeurd joh!” Maar Clau was dus wel met die engerd mee geweest. Wat nou als die de verkeerde tegenkomt? Als m’n baas me niet had getemperd had ik zo die sportschool in de fik gezet…
Hoe moet ik omgaan met die agressie? Waarom kan ik niet lekker met iedereen meedoen? Ik ben een slappeling. Bij gebrek aan daadkracht ga ik me te buiten aan drank, drugs en kruimeldiefstal. Mijn zwaarmoedigheid maakt me ook besluiteloos en ontoerekeningsvatbaar.

Een week lang slaapt Martin hier nu al. Alleen maar omdat Clau hem niet wil zeggen dat het niet zo “aan” meer is tussen hen. Hierdoor is de sfeer niet te harden. Na een week genegeerd te zijn, is het genoeg voor Martin. Hij zit met een mes in Clau z’n kamer opgefokt het meubilair te vernielen en agressief te wezen. Hij verwacht dat Clau eindelijk eens in gesprek met hem gaat en hem niet de hele tijd ontloopt. Clau sluit zich met hem op en weet erger te voorkomen. Claudio laat een spoor van exen achter zich, die allemaal denken dat ze speciaal voor hem zijn. De ene gaat er beter mee om dan de ander. Claudio speelt ongestoord verder en heeft nauwelijks door wat ie allemaal teweeg brengt of achterlaat. Ik vind het gevaarlijk als je zo met mensen omgaat. Voor Clau is het allemaal love, peace and happiness. Keep it cool and take it easy. Misschien ben ik bij hem gebleven omdat we lotgenoten waren, samen van school gestuurd. Geen diploma’s, geen ouderlijk gezag. Die naïeve blijmoedigheid van hem, waarmee die door het leven stapt.

Twee dagen nadat Martin is verdwenen, komt ineens Edwin v.G. de kamer oplopen. Claudio zijn kamer zit vaak vol met gezellige visite uit het huis. Edwin speelt hoorn en is hier net komen wonen met z’n kat. Hij is op zoek naar iemand die bij ons zit. Wanneer ik de volgende dag in de tuin een kat zit te aaien, blijkt het die van hem te zijn. Hij hangt ondertussen uit zijn raam en vraagt in z’n Amsterdamse accent: “Ben jij Eusjèn?” Ook al zo’n charmeur.  Meer dan vijf keer met hem naar “Amadeus” van M. Forman geweest, maar ik ben alleen z’n Statenlaan vriendje en ook hij “doet” het met wie die maar wil. Dit hoef ik ook niet en we stoppen er al snel mee. Als ik hem weer een keer niet kan bereiken schrijf ik een uitmaak brief en bezorg hem. Daarna steel ik met Marion een spuitbus bij het benzinestation en zet de wekker op vier uur in de nacht voor de zon weer opkomt. Als de eerste vogels weer beginnen te fluiten, neem ik de tram naar Ternoot en loop naar het Conservatorium. Op zeven plekken spuit ik zijn naam in hoofdletters op het gebouw. De leraren kamers, de liftschacht en op de vloer bij de hoofdingang voor de schuifdeuren. Heel lelijk, enkel een naam, niet eens een big cap gebruikt, gewoon skinnies. Skinnies gebruik je als je wat secuurder te werk wil gaan en big caps gebruik je voor het snelle (invul) werk, throw-ups. M’n bus was nog lang niet leeg en terwijl de zon de kou van de nacht verdrijft, loop ik terug naar het tramstation. Als de tram begint te rijden, kijk ik naar wat ik heb aangericht. Ik wil er over schrijven in m’n dagboek maar door de actie met de spuitbus trilt mijn hand als een gek en is m’n handschrift onleesbaar.

dagboekfragment nu al woensdag 6:30, 12 juni 1985 Den Haag.
Het leed is geleden, de strijd is gestreden.
Door wind en regen, als overkwam mij de zegen.
(mijn handschrift is niets meer waard na zoiets, komisch wel vind ik. maar de spuitbus is nog niet leeg)

Eugène.

Als klap op de vuurpijl wilde ik hem wat dagen daarna ook nog een fles gejatte jenever overhandigen in de kantine als afscheid, opdat die zichzelf maar kapot moge drinken. Maar die ochtend voel ik al bij binnenkomst dat niemand twijfelt over wie er verantwoordelijk is voor de schade aan de gevel. De portier kijkt al bedenkelijk en in de kantine word ik er door verschillende mensen op gewezen dat ik maar beter “op kan rotten.” Hier en daar wat boze blikken. Het schoonmaken heeft de school bijna 1.500 gulden gekost en dat wordt me niet in dank afgenomen. Persona non grata. Pariah Procursu. Ik maak dat ik weg kom.

Clau z’n zus Roos is zwanger en zal weldra bevallen. Hij wil dat ik met de hele vrienden- en familiekring in Bussum kennis maak dus op de dag dat Mimmo geboren is gaan we op kraamvisite in het ziekenhuis. Door omstandigheden is hij al in het ziekenhuis bij z’n zus maar ik ben iets later en zal op hun huisadres de vader ophalen en met hem naar het ziekenhuis komen. Voor ik van de Statenlaan vertrek maakt Dick van Gasteren een overlevingsmaaltijd voor ons beide… In crisis tijd heb je maar een paar ingrediënten nodig en Dick z’n macaroni-kerrieschotel was vermaard. Toen ik wat later arriveerde op de Landstraat in Bussum bij Flavio de vriend van de zus van Clau, werd me duidelijk dat we niet meteen doorgingen naar het ziekenhuis. Hij wil nog een joint roken voor we gaan en Italiaanse porno met me doorbladeren. De stuff maakt me zo misselijk en ik ren al snel naar de plee om me te ontdoen van de macaronikerrie die onverteerbaar als een baksteen op m’n maag lag. Toen ik uitgekotst was brande er alweer een nieuwe joint en Flavio sleept me mee naar bed. Ik voelde me inderdaad snel geaccepteerd. Nog misselijk van daarnet, word ik door de aanstaande vader klaar gepijpt voor we naar zijn net bevallen vrouw gaan. Hij was een goeie gastheer, maar komen lukte me niet. Clau was dus niet de enige die zonder enige schaamte een promiscue seksleven leidde. “Iedereen weet dat Flavio zo doet, joh.” Zei Claudio me achteraf.

Standing waiting for a man to show
Wide eyed one eye fixed on the door
This waiting's killing me, it's wearing me down
Day in day out, my feet are burning holes in the ground
Darkness warmer than a bedroom floor
Want someone to hold me close forever more
I'm a sleeping dog, but you can't tell
When I'm on the prowl you'd better run like hell
You know it makes sense, don't even think about it
Life and death are just things you do when you're bored
Say fear's a man's best friend You add it up it brings you down

(John Cale: “Fear’s A Man’s Best Friend” album “Fear” 1974)

Ik ben zo depressief als een deur en verdwijn na het gedoe om Edwin zonder een cent op zak voor een paar dagen naar Dordrecht. Onderduiken bij Sarah d.K. die het eerste gaatje in mijn oor heeft geprikt. Sarah gaat ook niet zo graag naar huis dus we slapen bij haar stoere punkvriendje Arnout die aan het spoor woont. Overdag proberen eten en drank te jatten. Peuken uit de asbakken en van de straat verzamelen om er nieuwe van te draaien. Maar in deze week heb ik ook geholpen om het verjaardagsfeestje van iemand grondig te verpesten. Sarah nam ons mee naar het huis van een klasgenoot die allemaal vrienden van school had uitgenodigd in het weekend. Onderweg er naartoe lieten we al een spoor van vernielingen achter: Over auto’s gewandeld, spiegels afgetrapt, een Mercedesster gescoord van een “kapitalist” (Er waren een paar trofeeën waar elke punker voor ging: Handboeien van politie jatten, of zijn pet. De Mercedesster natuurlijk van die “kapitalistische varkens” en een wagonsleutel om overal in de trein binnen te kunnen komen.) Verschillende tuintjes omgeploegd, meubilair gesloopt, tuinkabouter onthoofd.
Sarah vond het maar een saai feest. Helemaal toen ze hoorde, dat de jongens apart van de meiden moesten slapen. Dat was voor haar de druppel. Ik kwam de hoek waar ik zat niet uit en heb zitten wachten tot zij en d’r punker klaar waren met hun strooptocht door het huis, langs alle spullen van de gasten. Sarah had zo de schijt aan alles. Toen we vertrokken heb ik alle chocolade repen uit de koelkast gesnaaid voor op de terugweg. Dat durfde ik dan, maar hun buit was aanzienlijk. Een naambordje van de muur getrokken, badschuim, make-up, handtasje met geld, paspoort, medicijnen en OV-jaarkaart, het scheerapparaat van de vader des huizes, parfums. Met het geld hebben we de taxi terug naar Dort betaald.
De volgende dag gaan Arnout en ik met Sarah mee naar haar school in Rotterdam. Zien we op de eerste verdieping in de verte een huilende jongen omringd door z’n vrienden op ons afkomen. Hij was degene wiens feest we gisteren hadden verpest. En er knapt wat in me, wat ben ik een klootzak. Ik heb dan wel niets uit zijn huis gejat, behalve de chocola, maar de klachten die hij uit de buurt had gekregen logen er natuurlijk niet om. Sarah loodst ons de schoolbibliotheek binnen. Nadat ik de popencyclopedie van OOR heb gevonden, vluchten we het gebouw uit.
De volgende dag zijn we weer terug in Dort en sluiten ons aan bij een actie van het Jongeren Advies Centrum in Dordrecht. Ze wilden, na eerdere acties, hun kruistocht tegen “Oorlogsspeelgoed” afronden met een laatste, wat meer in het oog springend bezoek op 5 december sinterklaasavond aan de V&D. De locatie dit keer was hun speelgoedafdeling in het centrum van Dort, op een drukke koopavond. We zullen de hele nacht vastzitten op het bureau.
Het plan was dat we eind van de middag de boel zouden bespreken op het JAC. Daar werd duidelijk dat we een Sinterklaas en wat pieten hadden. Sint is er met z’n pieten om de boel af te leiden en de petitie te overhandigen, zodat wij op de speelgoedafdeling de vuilniszakken kunnen vullen met het oorlogsspeelgoed. Dat alles gaan we dan met Sinterklaas inleveren bij de klantenbalie alwaar hij de verklaring overhandigt. Leuk plan en ludieke actie, we doen mee. Later die avond verspreiden we ons met vuilniszak onder het winkelend publiek en proberen zo onopvallend mogelijk de speelgoedafdeling te bereiken. Een half uur voor sluitingstijd zal Sint met de pieten verschijnen en kunnen wij gaan verzamelen. Maar als de Goedheiligman en z’n hulpjes naar boven komen met de roltrap, gaat alles ineens heel snel. Het lijkt wel of de beveiliging van tevoren is ingelicht. We kunnen nauwelijks een vuilniszak vol krijgen. Als we bezig gaan met vullen, zien we dat Sinterklaas al half gemolesteerd wordt tijdens zijn arrestatie, terwijl de pieten de boel proberen uit te leggen en te sussen. Wat een komisch gezicht. We dachten nog dat doen ze niet waar al het winkelend publiek bij is. Maar dan zien we ook beveiligers op ons afstormen en die keken niet blij. We worden bijna gevloerd. Ik sta weer op en probeer alsnog met m’n zak bij de klantenbalie te komen, maar de kleerkast tackelt me aan het eind van het gangpad en ik laat me gewillig in een kolom van opgestapelde staafmixers vallen. Nadat de stapel tot rust is gekomen word ik opgeraapt en met de handen op de rug afgevoerd naar achter. De V&D in Dort heeft een groot, glazen trappenhuis aan de zijkant van het warenhuis. Wanneer de politiebusjes zijn aangekomen, worden wij via de zijkant afgevoerd, gadegeslagen door al het winkelend publiek op het plein. Wat een idioot gezicht om Sinterklaas aangeklaagd te zien worden. Sinterklaas die in het politiebureau ondervraagd wordt en de verantwoordelijkheid op zich neemt. We hebben tot half vier in de nacht vastgezeten, een half uur te lang eigenlijk want na zes uur moeten ze met een proces verbaal komen om je langer vast te mogen houden. Voor de zon opkomt worden we vrijgelaten. Het haalde de plaatselijke kranten natuurlijk. De reden voor het harde ingrijpen bij onze vredelievende actie, bleek de angst voor iets dat in een ander warenhuis was gebeurd. In Amsterdam had een zwarte piet namelijk een week eerder de kassière van de Bijenkorf op de dam overvallen. Na alle kleine criminaliteit en de vertoning in de V&D heb ik ook hier in Dort de verkeerde aandacht op me weten te vestigen dus, ik vlucht weer terug naar Den Haag.

Aangekomen op de Statenlaan zie ik dat Jimmy er is. Hij bereidt zich voor op een tocht naar zijn tante in Zwitserland. Op de schouw van de open haard zie ik ook een reactie van Edwin op m’n brief aan hem staan. Wat een kutbrief zeg. Over hoe ik zwelg in zelfmedelijden en jaloezie. Zo van, verman je zelf een beetje. Nou ja zeg, we kenden elkaar pas een paar maanden. Wat een verwend ventje zeg, wees blij dat ik er in al mijn ellende zo mee omga. Ik kan dat kut leventje van jou zo uittekenen. Waar zou ik me na zo’n reactie nog druk om maken? Met plezier verstoor ik al je openbare optredens, sukkel. Als ik nog iets van je hoor of zie maak ik dat simpele leventje van je tot een hel, uitgewoonde castraatzanger, kankerflikker! (Edwin was countertenor)

(Ja, ik weet het: net als m’n moeder kan ik ineens omslaan. Van normaal, naar super grof in één kankerzin. Waarom voelen mensen zich zo beledigd als je het K-woord gebruikt? Iedereen heeft het zowat. Maar er is altijd een groot verschil geweest in hoe ik me thuis gedroeg en hoe ik daarbuiten functioneerde. Thuis heb ik nooit gevloekt of ben ik nooit uit mijn dak gegaan. Zeker niet tegen Bep, Bart of Dirk. Bij hen was ik natuurlijk het slachtoffer: voor Bep was ik bang; Bart en Dirk hebben me nooit geholpen of gesteund. Maar weg van deze drie, ben ik net zo agressief, recalcitrant, grof en ongevoelig voor andermans zielenroerselen als m’n moeder. Ik vloek net zoveel als m’n kankermoeder. Bep, Bart en Dirk hebben er totaal geen weet van. Ik heb meerdere persoonlijkheden. Zelf zie ik dit gedrag als een uitlaatklep voor de heftigheid waar ik thuis mee word geconfronteerd. Ik kom er later ook achter dat het niet enkel het resultaat of een reactie is op m’n verschrikkelijke jeugd, maar meer een eigenschap die ik gewoon van haar heb. Ik haat Eugène, omdat ik mezelf herken in haar. Manisch depressief, borderliner, verslavingsgevoelig, kleptomaan, jaloers, egocentrisch, echt een ongelooflijke klootzak. Maar zij is het die dit alles bij me versterkt heeft. Ze is, met haar eigen overbelaste verleden, nooit bescheiden of terughoudend geweest. Bep heeft alles jarenlang aangewakkerd en veroordeelt me al jaren voor wat ze zelf bij me teweeg brengt.)

Om escalatie te voorkomen besluit ik na het lezen van Edwin’s reactie, van het ene op het andere moment om Jimmy te volgen. Ik zie wel hoever ik mee zwerf. Dat vindt Jimmy wel leuk… Ik heb geen rust in m’n gat en wil zo snel mogelijk weer weg van hier, voordat ik het plan opvat om te gaan rellen bij een optreden van Edwin. Diezelfde avond zitten we al in de intercitytrein naar België. We reizen zwart en krijgen onze eerste boete voor we goed en wel in Brussel aankomen. De conducteur verwacht dat we bij aankomst in het station naar hem toekomen. Maar we dachten: hij heeft onze gegevens uit ons paspoort al dus waarom nog terug naar die man.

Zodra de deuren van de trein openspringen, zetten we het op een rennen, richting de uitgang. Iedereen kon ons zien en horen. De pannetjes die aan onze rugzak hingen, maakten een hels kabaal in de stationshal, maar we werden gelukkig niet achterna gezeten. Het is inmiddels al donker en in een parkje in het centrum komen we even op adem. Dit was niet echt een plek om onze slaapplaats in te richten dus bleven we doorlopen tot we buiten de stad de natuur in konden. Verder richting de Ardennen. Diep in de nacht rond de klok van drie vinden we een bunker die naar pis stinkt en een ongelijk dak heeft. Doodmoe, dus dan maar op de grond in de open lucht. De volgende ochtend worden we wakker van het gekriebel. We zijn naast een mierenhoop in slaap gevallen. Opspringen, even poedelnaakt dansend de kleren uitschudden en weer door. Het geleidelijk opwarmen met de opkomende zon is lekker. Bij het huis beneden aan de weg kunnen we onze jerrycan met water vullen. Als we goed wakker zijn, vervolgen we al weer snel onze tocht. Jimmy wil proberen een lift te krijgen en dat lukt met één lifter beter dan met z’n tweeën vindt ie. Dus ik moet me niet laten zien en de rugzakken achter een boom zetten. Je kunt wel raden hoe de eerste wagen reageerde, toen ik met de rugzakken tevoorschijn kwam. Dat werd geen gezellige rit, maar het geklaag van de chauffeur deerde Jimmy geen moer, die zat stoïcijns voor zich uit te staren en deed ineens of die moeite had met het Frans, wat de man sprak. Ik zat me te generen en was blij toen hij ons eruit zette. We eindigen die tweede avond in een veldje op een heuvel in Wavre, met uitzicht op pretpark Walibi, dat beneden ons lag. Met wat beschutting van een struik brandnetels vallen we in slaap. Weer wakker worden door de zon die ons om vijf uur opwarmt. En het eerste wat ik zie als ik m’n ogen open doe zijn drie stieren die met hun kwijlende bek boven ons hangen. Ze hadden hun kop door de brandnetelstruiken gestoken en stonden nieuwsgierig aan onze haren te snuffelen. Langzaam dringt het tot me door. We zijn in een bullenwei gaan liggen. Jimmy krijgt het ook door en met oplopende hartslag proberen we zo snel mogelijk weg te komen. Verderop gaan we een klein dorpje in waar ze een zwembad hebben. Daar kunnen we ons wassen tijdens het zwemmen.
Alleen Jimmy heeft wat geld bij zich, ik niets. Na een week survivallen in de Ardennen ben ik in Luxemburg weer op de trein terug naar Den Haag gestapt. Geen zin om met hem verder mee te reizen naar zijn tante in het truttige Oostenrijk, waar alle rijke Nederlanders naar toe gaan voor hun skivakanties. Johanna L. heeft me ook al een keertje meegevraagd op vakantie naar het hotel van haar ouders in de bergen. Ik moet er niet aan denken. De hele weg terug hoef ik maar één keer een bataljon controleurs zien te ontwijken en weinig over te stappen. Ik word vijf uur lang niet gecontroleerd in de trein maar voor we Utrecht Centraal binnenrijden komt de conducteur ineens binnenstappen hoor. De laatste minuten van weet ik hoeveel uur in de trein en ik krijg een boete van over de 75 gulden. Toch blij dat ik weer terug ben.

Claudio is nog niet van Martin af of Richard S. met een vriendin van hem, Viviana, en hun rat Gorbatsjov uit Rotterdam komen logeren. Ze zijn dakloos en blijven een tijdje. Op één van de laatste examenfeesten in Rotterdam kwamen we ze samen met Sarah d.K. en Simcha tegen. Elizabeth die weer een collega van Carmen is, gaf dat feest. Elizabeth, een pianiste, woonde in een villa aan de Bergse Plas in Rotterdam Hillegersberg.
Het is lekker blowen en zuipen met Richard en Viviana maar als we elke dag met ze door moeten brengen gaat het van kwaad tot erger. We stelen als de raven, en zodra het avond is gaan we uit tot middernacht en daarna alle nachtclubs in het centrum af. Hier op de Statenlaan met vier mensen op één kamer wordt het al snel ongezellig. En het mag natuurlijk niet. Maar Clau is ook niet zo’n held in de communicatie en wil ze helemaal niet wegsturen. Hij maakt z’n one night stands ook niet altijd duidelijk dat het maar eenmalig is. Dus ik schrijf hem dat ik er aan denk om zelf maar een kamer te gaan zoeken. Maar Richard en Viviana maken ons wijs dat het in Rotterdam helemaal niet moeilijk is om een woning te vinden/kraken. Claudio en ik gaan mee, kijken in Rotterdam. We kunnen overnachten bij Frans W. Zwaar depressief volg ik ze door de lelijkste wijken van Rotterdam, maar een leuke plek die ook nog goed te beveiligen is, was er wat mij betreft niet te vinden. De tweede avond daar, wilde ze naar een feestje. De vriend van Viviana, Robbie was jarig of zo.
We komen daar binnen in een junkie hol. Robbie blijkt coke dealer. Muziek van The Doors. Iedereen onder invloed van iets. Geen beweging in te krijgen. Ik ken ook verder niemand hier. Ik kom terecht op de bank naast Barbara, lang blond haar en helemaal in het wit gekleed. Na een uurtje nixen wil ik gedag zeggen en Richard, François en Claudio aansporen mee te gaan. De gastheer en z’n vriendin Viviana zijn er niet meer. Ik ga ze zoeken om ff te melden dat ik vertrek maar die twee liggen gewoon boven op bed te gebruiken. “Nee, ik hoef nix, joh, ik kom niet voor je dope!”, zeg ik en probeer te begrijpen wat er speelt. Waarom zonderen ze zich af? Krijg ik me daar toch een onsamenhangend verhaal voor geschoteld… Viviana was al een beetje verknipt, Robbie is gewoon gestoord. Mijn gevoel zegt: “Wegwezen hier!!!” Zonder gedag te zeggen taai ik af naar beneden en probeer Claudio, François en Richard te pushen tot vertrek. Maar wat ik al dacht. Totaal geen beweging in te krijgen, wat een lamlendig gedoe. Wat een mistroostige kutzooi, waar ik in ben beland. Ik plof weer naast Barbara op de bank neer. Niet veel later hoor ik Robbie en Viviana toch weer naar beneden komen. Als Robbie in de woonkamer de boel overziet, lijkt hij nerveus te worden. De plaat van The Doors wordt omgedraaid en scratchend met de naald zoekt hij naar Light My Fire. Dan wordt het onoverzichtelijk voor me. De muziek gaat voluit en Robbie schijnt een plek te zoeken, maar z’n “huis”-kamer zit bomvol. Hij begint te schreeuwen om boven de muziek uit te kunnen komen. Dan ineens, slaat hij zijn bierflesje kapot en voor ik weet wat er gebeurt drukt hij het flesje zo in het gezicht van Barbara die naast me zit. De chaos daarna is moeilijk te beschrijven… Barbara die schreeuwt en probeert te ontkomen, terwijl Robbie uit zijn dak gaat. Haar witte kleding doordrenkt met bloed. Zwaar gewond aan haar kaak, kruipt ze bloedend het huis uit. Robbie blijft kwaad en Viviana spoort hem aan te vluchten, voor de politie en de ambulance arriveren. Iedereen vlucht het huis uit en de meeste verdwijnen met hem in de nacht. Wij blijven bij Barbara op straat onder de lantaarnpaal zitten tot de ambulance er is. Claudio en Richard vinden dat het te lang duurt en willen al snel weg. Het is nu elf uur. Ze willen uit, de rest van de nacht. Voor mij was het wel weer even genoeg zo. Zij willen lekker tot 5 uur in de ochtend naar de “Gaypalace”. Hij gaat dus gewoon met Richard achter de mannen aan. Was ik maar niet meegegaan naar Rotterdam.

In mei wil Clau het in Parijs gaan proberen, bij het “Theatre National Opera De Paris.” Audities en werkervaring opdoen. Jan leent me geld voor de eerste week. We nemen de nachttrein en staan net voor de grens van Frankrijk nog zo’n drie uur stil. In de ochtend rijden we Gare du Nord binnen. Als we het station uitlopen is het half zeven en de eerste uitdaging is het verkeer. Alles gaat hier harder dan 60, wat een chaotisch gestrest gedoe. We hebben de hele dag om een slaapplaats te zoeken, maar gaan eerst even kijken of we bij de Opera zicht krijgen op een rooster of info over tijdstip van audities. We lopen achterom het theater binnen en komen in de vertrekken waar de studio’s zijn en alle dansers elke dag trainen. Terwijl we de roosters bekijken en polsen of we hier kunnen trainen als studenten vers van Conservatorium, of misschien auditeren binnenkort, word ik door een paar jongens meelijwekkend aangekeken. Ja maar blonde mensen maken hier geen kans hoor. Kijk maar, we zijn allemaal zwart. Echt je hoeft het hier niet eens te proberen. Ze zullen je niet kiezen. Ik sta echt met m’n oren te klapperen na deze Franse vooringenomenheid. Dat was meteen lekker duidelijk. Nog geen barre gezien, geen tour a l’air of pirouette gedraaid en we kunnen al weer vertrekken. We krijgen het adres van het Centre de Danse Du Marais, aan de Rue du Temple. Daar kan iedereen terecht. Dan maar een hotel vinden in Le Marais. Als we uit de metro stappen en naar boven gaan, staan we ons even te oriënteren waar we zijn. Een klein gedrongen mannetje die sprekend lijkt op Raiko Pakaski, onze leraar op het Conservatorium, gaat in gesprek met Clau en terwijl die hem met z’n ogen staat uit te kleden, draait Clau zich naar mij om en zegt: “Hij bied ons een slaapplaats aan, ga je mee?” Dit is waar ik me bij die jongen zo’n zorgen om maak. “Nee, Clau. Laten we dat maar niet doen, oké?” Alsof die de eerste nacht al meteen gedrogeerd en misbruikt wil worden, waar zit die jongen met z’n hoofd?

We nemen een kamer helemaal op de bovenste verdieping van Hotel Voltaire République aan de Boulevard Voltaire bij Place de la République. Een slapeloze nacht omdat er naast ons een stel gepassioneerd de liefde bedrijft. We hebben het er twee weken uitgehouden. Vroeg opstaan, baguette paté de noix en cappuccino aan de overkant, naar danscentrum du Marais voor een les, terug naar het hotel, danskleding wassen in de douche bak en de rest van de dag toerist spelen. Jammer dat we geen fototoestel bij ons hebben. Als we bij Monmartre drie bussen met Hollanders zien uitstappen naast de gelijknamige begraafplaats, gaan wij liever verderop naar Père La Chaisse.
Hier komt Jan ons ook ophalen als we aan het eind van ons geld zijn en geen hotel meer kunnen betalen. We spreken af bij het graf van Chopin. Jim Morrison ligt hier ook, maar zijn graf en omgeving zit elke dag vol met junkies, we hebben er wel onze tag bijgezet tussen alle andere. De eerste keer dat we de plek verlieten hadden we meteen een dealer achter ons aan: Hé, waar gaan jullie naartoe, hebben jullie wat nodig, ik geef je adresje en wat lijk jij op David Bowie zeg. Mijn blonde kop valt op hier. Een Japans toeristenechtpaar wil ons op de mooie begraafplaats fotograferen en we gaan ergens stil zitten op een driesprong. Hier staat ook de tombe waarvan een foto prijkt op het album van Dead Can Dance: “Within the Realm of a Dying Sun” uit 1987, maar daar zijn we nog niet langs gekomen. Het is hier ook zo groot, dit dodendorp. Maar wat ben ik blij als we met Jan de stad uitrijden. Hij brengt ons veilig terug naar Den Haag.


Dagboek Maart/September 1985.

Nog steeds ben ik depressief en ik merk dat het met de problemen en zorgen om Claudio alleen maar erger wordt. Maar het uitzicht alleen verder te moeten is verschrikkelijk want ik heb niemand anders. Daar komt nog bij, Clau is geen goede danser en overal waar ik met hem terecht kom werk ik onder m’n niveau. Ik met zes jaar Conservatorium en hij maar één. We zijn geen partij voor elkaar. En wat misschien alleen Iwan Kramar een beetje heeft aangevoeld, is dat ik dan wel een goede opleiding had genoten maar er klaarblijkelijk niet zoveel plezier aan beleefde. Door de moeilijke communicatie heb ik er met hem nooit uitgebreid over gepraat, maar hij had natuurlijk wel gelijk. Het is nooit mijn keuze geweest om te gaan dansen en ik miste het plezier al vanaf het begin.
De eerste avond sinds we terug zijn uit Parijs wil ik naar het Paard gaan op de Prinsengracht maar ze zijn nog niet open. Dan maar even een joint draaien in een portiekje ergens. In Parijs hebben we twee weken niet gerookt maar hier kun je gewoon weer overal en nergens een joint draaien, dacht ik.
Nog voor ik hem kan aansteken word ik ingesloten door twee agenten. “Zo wat zijn we hier allemaal aan het gebruiken? Kom maar even staan!” Ik moet m’n spullen inleveren en voor hij me fouilleert vraagt die of ik geen naalden of andere scherpe dingen in m’n zak heb. Nou ja zeg… Ik harddrugs? Had ik het maar. Coke, speed en heroïne zijn te duur, ik ben allang blij dat ik aan wiet genoeg heb maar harder sla ik nooit af.

Ik ga alleen naar een voorstelling van Michael Clark & Company uit Engeland in de Stadsschouwburg van Maastricht. “The Golden Boy of British postmodern Dance.” Ellen van Schuylenburch danst bij Michael en onze moeders kennen elkaar. Zijn Company is nog niet zo bekend hier, maar ze zijn veelbelovend. Michael trapt met z’n extravagante uitdossingen en vreemde choreografieën de heilige huisjes van het klassieke dansen omver. Hij is Iers, zelf klassiek opgeleid en al jong met een eigen gezelschap begonnen. Schokkend en grappig tegelijkertijd. Veel van m’n studiegenoten zullen hier ontstelt door zijn, behalve Tom S. dan, maar Michael is zo vernieuwend, wat een prettige zooitje ongeregeld. Eén grote provocatie, die dansers met blote billen. Michael zelf is een punker met een kort hanenkammetje en in één stuk dansen ze allemaal met een voorbind dildo om. Tijdens de uitvoering staat er een ghettoblaster op het podium die door de muziek van The Fall heen blaast. Wat een chaos. So inspiring, this pleasantly deranged mess.
Maar door de lange treinreis ben ik 20 minuten te laat. Als ik de zaal inloop zie ik niet meer dan 6 mensen zitten. In de pauze schiet ik Ellen aan die me uitgeput meedeelt even na de voorstelling op Michael af te stappen. Drie kwartier later loop ik z’n kleedkamer binnen. Hij in z’n blote gat en bezig alles in de koffer te doen.
Wow wat een mooie jongen zeg, 23 jaar, perfect getraind lijf. Echt wonderschoon.

 

Maar ik ben verlegen en voel me ook nu weer misplaatst. Bep had me op het hart gedrukt, dat als ik na de voorstelling bij meneer en mevrouw Stoffers in Wageningen ging overnachten, dat ik dan wel nette kleren aan moest doen?!? Sta ik daar bij Michael in de kleedkamer met m’n Zondagse kerkkleding aan. Als een jongetje dat nog niet van z’n ouders los is. Wat een afgang zeg dat ik me zo door Bep liet... Op zo’n jongen zit niemand te wachten, dacht ik. Hij was hardtstikke aardig hoor, Michael, maar ik taaide beschaamd af en ging niet in op zijn uitnodiging om nog even mee naar de kroeg te gaan want dan zou ik m’n trein missen. Kom maar langs, we zitten op de Hammersmith Grove in Londen. Dan zien we wel, zei hij. Maar ik zal niet gaan. Na de voorstelling zie ik dat de laatste treinen me niet eens meer naar Wageningen brengen en ik gun mezelf een hotel bij het station. Stoffers afgebeld dat ze niet meer wakker hoefden te blijven voor mij. Had ik godverdomme toch mee naar de kroeg kunnen gaan in m’n eigen outfit. Wat een afgang zeg. Ik moet niet meer naar die vrouw luisteren.

I'm tired of crying
For the underprivileged
For the blacks, the women,
For even black women
For the starving children
For the Irish, I'm tired of crying,
it changes nothing
For the unemployed, one eyed Jews,
I'm tired of crying
For refugees, for amputees,
I'm tired of crying
For the pain of the third world, The poor unfortunates of Hiroshima, Bikini,
I'm tired of crying America ... America, I'm tired of crying for America.

I'm tired of crying For collecting boxes,
for noble causes, For victims, more victims
Victims of violence, and protection,
Victims of privilege,
More violence, more victims
The teachers' lies, poisoned milk,
I'm tired of crying, it changes nothing
For the abuse of sex, the endless rape,
The decay, the decaying, I'm tired of crying
For the broken, broken, broken hopes, Broken hearts and promises
For the broken backs and the broken dreams, I'm tired of crying
It's a savage world A savage world, and I'm tired
And I just want to cry For me.

Poison Girls “Cry No More” album Where's The Pleasure (1982)

Op de Statenlaan heeft Claudio te horen gekregen dat hij geen recht meer heeft op een kamer. Hij is geen student meer op het Conservatorium en moet verhuizen. Jan Ate S. regelt een goedkope etage voor ons in de Van Swietenstraat, een zijstraat van de Laan van Meerdervoort in het Zeeheldenkwartier. Op dit adres kan ik nu ik een huurcontract heb, ook een uitkering aanvragen. Laat in de avond verhuizen we met onze spullen uit het studentenhuis in de tram naar onze nieuwe locatie. Een zolder met puntdak. Een puntdak met een klein plastic raampje dat met Duck Tape was vastgezet. Een gaskachel waar de leiding van los zat. Een drassige keuken die we nooit droog hebben gekregen en een gemeenschappelijk bad een verdieping lager. Onder ons zat nog een pianostudent van het Conservatorium. We huren bij een Surinaamse familie. De huurbaas komt opgehitst door zijn vrouw, regelmatig om nog meer huur vragen. Als ze wilden gaan zwemmen met de kinderen, of als z’n vrouw wilde shoppen.

vorige pagina - terug naar index - verder lezen.