vorige pagina - terug naar index - verder lezen
1981, Heereweg 451, Engelenbuurt Lisse.

In De Naam Van De Vader, De Zoon en de Moeder, Samen.

Door rook aangetaste zwaar vergeelde luchtfoto, alleen toonbaar in zw/w.

We betrekken het herenhuis links van de Engelenkerk aan de Beekbrug. Een woning met grindpad en grond om het hele pand heen, voor en achter meer dan aan de zijkant van het huis waar de sloot ligt die onder de Beekbrug door loopt. Mooie hoge heg rond heel het perceel. Op de Beekbrug staan verkeerslichten, die zorgen voor de veilige overgang van schoolkinderen en kerkgangers. De “Engelbewaarderskerk” en de pastorie, in neobyzantijnse stijl is van het bouwjaar 1930-1931. Achter de kerk de pastorietuin met fruitbomen waar we wel eens appeltjes jatten en daarachter het verenigingsgebouw, waar ik jaren geleden in een zomervakantie bij oma K. op de Catharijnelaan, mijn eerste zwart-wit film heb gezien. Daarachter het grote schoolplein met de school en z’n hoge schoorsteen. Naast het schoolcomplex ligt dan nog het kindertehuis “Huis Ter Beek” waar Sandra en Appie zaten voor ze als pleegkind bij ons kwamen wonen. De familie Duineveld met hun drukkerij, woont helemaal aan de rand van ons wijkje bij de begraafplaats achter feestlokaal “De Kleine Engel”. En dan ligt er nog een tweede bruggetje over de beek, waarmee je het klooster kan bereiken.
We leven nu in een statig huis. Dus Bep wil dat we ons daar naar gedragen: Bij de voordeur hebben we de "Entree" met een “Garderobe” waar de jassen aangenomen worden. De gasten worden dan vervolgens uitgenodigd om plaats te nemen in onze “Salon” met parket, die weer uitzicht bied op onze “Serre” vol zeldzame planten.
Dit grote huis had voor pa en ma weinig aan verbouwing nodig en we zijn er met ons hele bij elkaar geraapte zooitje, zonder iets te veranderen of te verven ingetrokken. Het interieur was al sinds de jaren zeventig niet meer veranderd, perfect voor het stel uit de sixties.
M’n broer kreeg het kleinste kamertje, de enige met een wastafel en openslaande ramen aan de achterkant. Pa en moe namen de smalle kamer aan de zijkant van het huis, boven de entree bij de voordeur. Sandra kreeg de kamer met het kleine balkon, ik de kamer ernaast met het grote balkon gelegen aan de voorkant boven de salon. Het huis heeft geen zolder maar wel een luxe badkamer: groot ovalen ligbad voor drie personen, twee wastafels, een urinoir, een wc en een bidet naast nog een aparte douchecabine. Boven het bad een groot kantelraam in het schuine dak met uitzicht op het land naast ons. Wat een heerlijk huis. De grote tuin met de sloot ernaast. Het brede terras voor tafel en stoelen, in de schaduw van een grote walnotenboom. Als er deze winter ijs ligt, kunnen we op onze eigen sloot al de schaatsen onderbinden. En op zondagen komt na de mis van 11 uur, de familie bij ons koffie met slagroom en cake doen. Spelletjes klaverjassen, advocaatje met slagroom voor oma K. en een borreltje voor de heren, daarna.

Ook al zitten we nu in een groter huis, we blijven nog steeds armzalig op alles bezuinigen. Wonen we misschien boven onze stand? Met een moeder met een gat in haar hand?
Over kleding en schoenen werd makkelijk gedaan. Op ons vorige adres kregen we vuilniszakken met kleren van kinderen uit de buurt waar we uit mochten kiezen. Zelf kocht ze een keer overalls met laarzen voor ons. Dat was wel een dieptepunt, alsof we op de boerderij leefden in die ééngezinswoning in de Kievitstraat.
Sandalen met geitenwollen sokken waren dan voor als we netjes moesten zijn. Wat heb ik me gegeneerd.
En met een verjaardag als er iemand trakteerde op school kreeg je altijd hele leuke, creatieve, lekkere traktaties. Je zag dat moeders echt hun best hadden gedaan. Maar Bep stuurde me gewoon met een plastic tas vol appels naar school. Die had ik dan voor de les begon al uitgedeeld op het schoolplein, omdat ik Thecla Stoffers geen appel kon weigeren maar ook geen weerstand kon bieden tegen al die anderen die ook een appel wilden. “Hou wat in je tas Eugène, anders heb je niets over voor straks.” zei ze nog.
Of met van die gezonde Sultana koekjes, daar zitten er drie van in een pakje. Als het maar goedkoop, verantwoord en gezond is.

En de kapper dan, ja, daar gaat alleen Bep naartoe, want ons knippen kan ze zelf wel?!?
Dat gebeurt dan met een techniek die ik geen andere kapper ooit heb zien hanteren. Ze knipt niet, nee ze “snijdt” ons haar.
Ze pakt een pluk vast en houd het strak en maakt alleen maar horizontale bewegingen, net zolang tot de hele pluk eraf is gesneden. Als ik zachtjes begin te kermen: “Nog even volhouden Eus, ik ben zo klaar, dit is echt veel gezonder voor je haar.” Het is telkens weer een tragische lijdensweg, want het neemt ook meer tijd in beslag, met hoofdpijn als resultaat en het kapsel? Laatst vroeg iemand of ik uit een concentratiekamp was ontsnapt. Van Bart hoefde het na een paar keer al niet meer, maar m’n broer en ik zijn jaren zo gemarteld. Ik kan de reactie raden als we haar hoofd zo zouden aanpakken: “AAAAUUWW! DOE EVEN NORMAAL zeg, ben je nou helemaal GEK geworden? IdiOOT!” Maar wij moesten ons jarenlang gewillig onderwerpen aan haar foltersessie.

Op boodschappen werd ook nog altijd beknibbeld. Altijd de goedkoopste producten. Bart pikt er altijd het lelijke fruit uit of groentes met een vlekje of gebutste conservenblikken die tegen de uiterste verkoop datum aan zaten, kapotte aardappelzakken waar er al een paar uit waren. Goedkoop afwas middel dat een vieze geur op het servies achterlaat. Al decennia dezelfde vieze goedkoopste handzeep.
De enige die vol mag gaan voor d’r eigen genotsmiddelen is Bep, lekker doorpaffen en zuipen. Ze zit nu al tegen de vijfenzeventig peuken (drie pakjes) en meer dan een liter alcohol per dag aan. Bart kust al zijn hele leven een asbak. “Maar waarom zoek je dan geen hulp mamma?” en “Je hoeft toch nooit meer terug naar die rotfamilie van je?” Je bent nooit veranderd, Bep, alleen maar erger geworden. Je verwerkt het allemaal op je eigen manier en dat duurt maar en gaat ten koste van al het andere.

Maria van de Akervoorderlaan is als de dochter die Bep nooit gekregen heeft.
Op zoek naar gras laat ze haar paard zo af en toe in onze achtertuin rondlopen. Helemaal achter in de wijk voorbij de begraafplaats, is een stukje land met een klein schuurtje waar hij rondloopt. Maria ontfermt zich al een tijdje over het beest en onderweg van het weiland naar haar eigen huis stopt ze nu geregeld voor een praatje met Bep. Ze borstelen het paard en het paard kortwiekt onze tuin.
Moe is helemaal verzot op haar. En toegegeven, Maria was een hele leuke, sterke meid.
Omdat Dirk en ik nieuw waren, hebben we een paar keer met haar en kinderen uit de buurt onze omgeving verkend.
Maria woont op de Akervoorderlaan en kijkt al haar hele leven uit op het grote bedrijf van Piet Bakker. Die heeft me een oppervlakte aan bedrijfshallen zeg.
Vanaf de Heereweg zie je enkel de voorgevel, maar in het verlengde daarvan komen al die grote hallen. Ze zijn groot in de bloembollen pakketten en al wat er nodig is voor in uw tuin en op uw terras. Maria wist dat er ergens aan de zijkant bij Pietje een deur niet op slot zat. We zijn er wel drie keer, op een zondag, naar binnen geslopen. Zo ontzettende lol gehad met z'n allen. Nooit hebben we er iemand over durven vertellen.
In de hal waren er lopende banden. Die konden we starten en dan renden we erover heen of lieten ons zittend vervoeren naar het eind.
Het leukste was de band helemaal vol te gooien en dan lieten we alles er aan het einde afvallen.
Race wedstrijden met de karretjes door het hele complex heen. Kasten openbreken waar alle relatiegeschenken werden bewaard.
We deden tikkertje en verstoppertje in het krattendorp dat we inrichtte. Dat was op een afdeling die vol stond met duizenden, tot wel vier meter hoog opgestapelde kunststof kratten. Een dorp omdat er verschillende paadjes tussendoor liepen. Trapsgewijs hadden we er een paar zo opgestapeld dat we boven de zee van kratten konden uitkijken en dan kropen we er overheen. Een paar rijen van het gangpad af begonnen we dan van boven met het verwijderen van zo'n krat of twintig, die dan weer onopvallend ergens anders werden verwerkt, zodat er een loze ruimte ontstond waar je je ongezien kon verbergen.
Zo gelachen daar. Maar ook veel troep achtergelaten en dingen gesloopt.
Dat ging opvallen natuurlijk, zo vier zondagen achter elkaar. De laatste keer waren we er met z'n zevenen en net bezig met verstoppertje, toen er ineens een deur openging. We schrikken ons rot wanneer we iemand op klompen naar binnen horen stappen en we zetten het allemaal op een rennen.
Ik vlucht met Maria en broertje naar het krattendorp en we verbergen ons in de ruimtes die we eerder hadden gemaakt. Zo stil mogelijk proberen we op adem te komen en horen gelukkig nog ver weg, de klompen door de hal lopen. Maar dan pakt hij een karretje en gaat, net zoals wij doen steppend verder.
Hij komt al snel richting het krattendorp waar wij zitten en we kunnen onze lach nauwelijks inhouden. Hij stopt aan het begin van het pad en loopt dan tot onze verbazing gewoon richting de kratten die we trapsgewijs hadden opgestapeld. Nu word het spannend. Hij gebruikt ze net als ons om hogerop te komen. Daar tuurt hij over alles heen en we horen hem ademhalen. Maar niemand van ons schiet in de lach en het lijkt of die niets merkt. Gelukkig vertrekt hij weer en we horen hem terug steppen naar waar hij binnenkwam. Wij kiezen daarna een deur helemaal aan de andere kant van het complex om te ontkomen.

Tja, door Bep zitten we hier nu in de Bollenstreek, bij de familie van Bart. Hier aan de kust met dat zeeklimaat.
Ik kom uit het binnenland en ben gemaakt in het land van Maas en Waal, niet in deze zilte winderige polders. Wageningen heeft in ieder geval nog een berg, Lisse is helemaal plat. Bart zijn zussen, de tantes, zijn gelukkig nog wel aardig, maar van z’n broers heeft er maar één me een keer aangesproken.
Je inzetten voor de familie was ook niet altijd lonend.
Opa K. heeft met zijn broers al jaren een bollenbedrijf op de Heereweg, zo’n tweehonderd meter bij ons thuis vandaan. Logisch toch dat we voor een vakantiebaantje ook daar een keer aankloppen? Maar na een dag hadden we het al bekeken. Dirk en ik werden aan onze eerste mand gezet en die moest dus gevuld worden met gepelde bolletjes van nog geen centimeter doorsnede. Anderhalf uur verder, nadat er honderden bolletjes door onze vingers waren gegaan, komt de broer van opa K. bij ons kijken en kiept onze manden weer leeg op de werkbank. Die moesten nog een keer, zei die met een uitgestreken smoel. Er werd ons niets voorgedaan of uitgelegd, begin maar lekker overnieuw. Dirk en ik zetten ons er opnieuw aan en als we de manden weer voor de helft gevuld hebben, zien we opa’s broer weer achter ons verschijnen. De manden worden nog een keer voor ons neus omgekeerd; niet goed genoeg. Als hij wegloopt zie ik hem achter ons grijnzen naar zijn zoon die teruglacht. Niet meer terug geweest daar.

Bij Piet K. een broer van Bart die op een woonboot in Warmond woont, heb ik een seizoen in de dahlia’s gewerkt. En waar ik al eerder over uitweidde, is dat behaagzieke ventje wat ik al sinds Breda was. Dat betekende ook dat mensen me niet moesten uitdagen of stoer gaan zitten doen, want dan probeerde ik ze te overtreffen. Stoerder doen, agressiever lijken. Verbaal kon ik al behoorlijk heftig losbarsten en iemand overtroeven. Niet thuis hè, daar was ik poeslief. Maar bij Piet liet ik me dus ook een keer uit de tent lokken. Het was in de zomer van 1983 en lekker warm. We haalden op verschillende locaties in de Bollenstreek velden leeg. Dan reden we met z’n allen in de donker rode Cadillac met Piet van de ene naar de andere locatie. Dat was dezelfde Cadillac die Bart in Wageningen gebruikte en Piet reed er nog steeds lekker mee rond. Toen we bij ons in de buurt een paar hectare gingen leeghalen, kon ik er op de fiets naartoe. Als ik te vroeg ben en er nog niemand is, rol ik even een sjekkie bij de schuur. Kort daarna zie ik aan het begin van het zandpad de mooie Cadillac van Piet het land opdraaien. Blij dat ze er zijn loop ik ze tegemoet. Ik zie dat André en John, m’n neven, gek doen en me wenken dus ik begin te rennen. Ik doe alsof ik over de wagen ga lopen. Maar Piet houdt zich niet aan zijn snelheid en accelereert ineens. De brede Cadillac komt nu nog sneller op me af en ik kan al niet anders meer dan springen. Terwijl ik ze in de auto zie lachen, duik ik op de motorkap, glijd via de voorruit verder omhoog naar het dak en val er aan de achterkant weer af. Als ik het stof van m’n kleren klop en terug loop, zie ik wat voor indruk het op ze heeft gemaakt. (Wat raar dat Piet gas gaf toen ik op ze af kwam. Jan ging juist wat langzamer rijden met de Ford, toen ik op de openbare weg via het zijraam in m’n deur buitenom naar het dak kroop om er via het schuifdak weer in terug te keren.)
De sprong over Piet’s Cadillac ging heel gemakkelijk en ik was atletisch genoeg om het te kunnen overleven. Maar eenmaal aan het werk, blijven André en John zeuren over dat het een gelukje was en dat ik mazzel had dat het zo was afgelopen. Dit durf je niet nog een keer. Maar ik zei dat er niets aan was en dat ik het zo, nog eens zou doen. Nadat ik, zonder er een schrammetje aan over te hebben gehouden, als een echte Amerikaan over hun Cadillac was geschoven, kon ik de neiging om te stunten ook niet onderdrukken. Als Ron, met zijn motor niet sneller dan 15 of 20 zou rijden hier, dan ga ik er zo aanhangen, zei ik. Dat is wel te doen op dit zanderige landweggetje. Dit geloofden de twee neven niet. Dat durf je niet zeiden ze. Ik bleef ze uitdagen het gewoon te gaan proberen, maar we worden terug geroepen. Er moest doorgewerkt worden.

Wat dagen later hoor ik dat ze Bep een verhaal opgehangen hebben over mijn stoerdoenerij op het land. Ook nu ging ze weer volledig mee in het verhaal van de neefjes en had ik niets in te brengen. Wat ze haar hebben verteld daar kwam ik niet achter, maar ik werd wel weer ter verantwoording geroepen. Van deze familie moet ik het dus ook allemaal niet hebben.
Ik word ook af en toe op een bepaalde manier aangekeken door hen, het lijkt wel alsof ze allemaal meer weten dan ik. Of vinden ze me zielig? Ik heb ook zo verschrikkelijk geblunderd. Gefaald voor de hele kerkgaande gemeenschap en m’n ouders en familie te schande gemaakt.

Na de kerk een keer voor de verandering op visite bij oma en opa K. op de Catharijnelaan. Komt meneer Meijer, de buurman, binnenlopen.
Hij zat, als dirigent van het jeugdkoor van de Engelbewaarderskerk, in zak en as. Het koor liep leeg en hij had nu ook geen organist meer. Wat moest hij nu? Toen Bep dat hoorde was mijn lot bezegeld: “Oh, maar Eugène krijgt al jaren pianoles op het Conservatorium, orgel is niet echt anders. Eus? Wil jij meneer Meijer uit de brand helpen en voor de muziek gaan zorgen? Dat moet toch wel lukken? Het is niet het grote orgel!”
Elke keer als er zoiets gebeurt hoop ik dat er iemand in m’n omgeving intervenieert. Maar goed, volgzaam en zonder tegenspraak, kwijt ik mij van mijn nieuwe taak, ik moet het dus proberen. Ondanks het kleine orgeltje bakte ik er niet veel van. Wat heb ik meneer Meijer getergd met mijn amateurisme. “Kun je ons niet een paar akkoorden geven als begin van het lied?”
Het lukte meneer Meijer ook nauwelijks om de rust onder de kinderen te bewaren. Eén keer zag ik z’n handen wanhopig naar zijn hoofd grijpen.
Bij de dienst op zondag met een volle kerk, blunderde ik voortdurend. Valse akkoorden, verkeerde inzetten. Per ongeluk de knop voor percussie ingedrukt en een drumbeat knalt door de preek. Te gênant voor woorden. Als iedereen in de kerk meezong viel het niet zo op. Wat een hel. Hele familie in de kerk: oma en opa, ooms en tantes met hun kroost, Bep, Bart en Dirk erbij. Dit overtrof de vernederingen op school. Wat voelde ik me voor schut gezet door haar. Het enige wat me nog iets van voldoening gaf, was dat dit ook zou afstralen op Bep. Wanneer houd ze er nou eindelijk eens een keer mee op?

De keren dat ik wel wat aan Bep had? Ik kom niet eens aan vijf voorbeelden in m’n leven. Het blijft op één hand te tellen: Begin een dagboek zei ze, jaren 70. De oudpapier-actie voor Qbus in de Poelpolder. En nu dan haar interventie bij ons voor de deur, het derde voorbeeld: Laat in de avond merkt ze dat er voor ons huis files ontstaan. De verkeerslichten hebben een storing. Die bleven alleen maar op rood staan. Zij optimistisch: “Kom Eus, dan gaan we de mensen zeggen dat ze door kunnen rijden!” Ik erachteraan. Buiten verspreiden we ons en ieder neemt een richting voor z’n rekening. Maar na een paar chauffeurs die allemaal genoeg hadden aan het gebaar van rijd maar door, stopt er ineens een man die z’n raampje opendraait en een vraag stelt. Als ik hem nader hoor ik al dat hij niets vraagt maar gewoon zit te vloeken. Voor ik hem kan uitleggen wat er aan de hand is zeikt hij al over dat ik de boel heb lopen slopen, godver dit en godver dat. Dan, op het moment dat hij uit wil stappen om me in elkaar te beuken, voel en hoor ik van achteren Bep aan komen stormen. Ze ziet wat er dreigt en voor ze bij me is trekt ze me toch een bek tegen die vent open: “Als jij nu niet HEEL gauw maakt, dat je met dat lullige KUT wagentje van je weg komt en OP sodemietert naar dat zieke KLOtewijf van je!!! STAMPIK die ROTKOP VAN JE door je voorruit! DOORRIJDEN jij!!!” En nog voor de kleine man kon uitstappen, had Bep zijn portier al vast en zag ik hem in slowmotion, weer terug in z’n wagen zakken.

Bep gedraagt zich ook al jaren als het mannetje in huis en kijkt graag op (mannen) ons neer, alsof juist wij ballen missen, want mamma is super intelligent en moet leven in een wereld vol amateurs, slappelingen en viezeriken. Haar grote bek en kritiek op iedereen en de hele wereld zijn ongeëvenaard. Maar ze verleidt ondertussen ook iedereen die ze wil, of de vriendin/echtgenote er nou bij zit of niet.
Er zijn maar weinig mensen die met haar in discussie durven te gaan, want ze lult iedereen onder tafel. Wars van make-up, rokjes en hoge hakken of parfum, loopt ze te pas en te onpas in haar kruis te graaien, alsof ze net zoals wij mannen, jeuk aan haar ballen heeft. Stoerder doen dan een kerel. En bij alles wat ze doet een peuk tussen de vingers. Dus ja, dan zit je toch af en toe naar een rokende, vuilbekkende, geile vrouw te kijken, die een glas alcohol achterover slaat en een vinger tussen haar benen beweegt. Als ik dan gedag wil zeggen en zij vervolgens ook nog een kus vraagt, trekt ze m’n hoofd dichter naar zich toe met de warme hand waar ze net nog mee in haar broek zat.

Sinds ik bij ze ben wordt al mijn plezier in het leven continue bedreigd door haar zwaarmoedige aandachtvragerij.
Emotioneel zit ze af en toe zo diep in de put dat ik het wel uit m’n hoofd laat, iets voor mezelf te gaan doen.
Ik moet er eerst zeker van zijn dat moe me niet nodig heeft en gewoon gezellig haar eigen gangetje gaat, voordat ik toekom aan het plannen van m’n eigen zaken. Als ik niet uitkijk sta ik zo weer willoos, uren naar de verschrikkingen uit haar jeugd te luisteren. Laatst vertelde ze eindelijk weer eens wat over mijn geboorte maar ze kan haar tranen nauwelijks bedwingen. Ik hoor voor het eerst dat ze verkracht is, na haar werk bij de Gedo in Weurt.
Ik ben dus het resultaat van een verkrachting, heeft ze daarom een hekel aan me?
Maar wat had ze me graag alleen opgevoed. Ik was, zo zegt ze, haar eerste echte geluk in het leven. Mijn verblijf in het tehuis had te maken met de angst dat ik door haar verschrikkelijke moeder opgevoed zou worden. Dat heeft ze uit alle macht proberen te voorkomen. Ik doe mijn best haar het gevoel te geven dat ze het allemaal goed heeft gedaan en ik heel gelukkig bij hen ben.
Maar de ellende uit haar jeugd voert toch vaak de boventoon en dan is het moeilijk balanceren tussen al die emoties.
Als ik dan even niet, niet goed, of te ongevoelig reageer, kan de sfeer omslaan en krijg ik juist verwijten: “Ach laat ook maar, jij weet nog niet wat èchte pijn is!” Zegt ze dan minachtend. Daarna laat ze het me ook even voelen en plant haar vuist links op m’n borstkas: “Echte pijn zit hier!” BAM!!! Ze bokst me van m’n plek. Mijn hart verkrampt en ik denk: Sinds ik bij je ben achtergelaten weet ik wat pijn is, rotwijf. Al dat negatieve gekanker van je, de hele tijd naar jouw pijpen moeten dansen, letterlijk en figuurlijk.


Studentenkaart 1978-1984.

De spontane dans solo op de bruiloft van Jan en Paula was nog enigszins vrijwillig, ook al liet je me te lang doorgaan.
Zaal helemaal blauw van het gerook, ik vlucht naar buiten om op adem te komen, met een schuldgevoel. Op school vinden ze dit zonder warming-up onverantwoord.
Spierpijn de volgende dag, niet meer normaal. Maar laatst vierden ook opa en oma K. een zoveel jarig trouwfeest in Motel Sassenheim en voor dat we er naartoe rijden laat je me al weten dat het “leuk” zou zijn als ik het successtukje van het vorige feest hier voor opa en oma nog eens kon herhalen. Ik denk nog dat het wel los zal lopen, maar de vrijblijvendheid is er op locatie snel vanaf.
“Ga je nou nog dansen, anders hoeft het niet meer!” Komt ze me influisteren. “Maar ik kan me niet opwarmen hier en ik doe het niet zonder de goede muziek!” Probeer ik. Het doet haar niets dat ik zonder opwarming al die kapriolen moet uithalen. Geniepig probeer ik er tussenuit te knijpen, had ze al rond gebazuind dat ik zou dansen. Als ik door de zaal loop, hoor ik overal tantes tegen me zeggen dat ze er naar uitkijken en ik krijg spontaan last van ontzettende buikkrampen. Aangekomen bij de toiletten merk ik dat hier alle kinderen spelen en moet ik me ook nog inhouden. Ik kom er niet onder uit en voel me waardeloos.
Dan komt moe de mannen wc's binnenlopen en met verheven stem vraagt ze: “Eus? Waar blijf je nou? Als je nog wil dansen, moet je het nu doen anders is het te laat!” Mamma was alleen trots op me, als ze met me kon pronken.
Ik voel me verschrikkelijk en dan hier met alle mensen erbij vragen “Als je nog wil dansen Eus?” Jij wil dat toch? Ik kon het niet opbrengen en de teleurstelling van mamma was voor mij.

“De histrionische persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door overdreven uitingen van emoties en aandacht vragen. Deze mensen voelen zich niet op hun gemak of niet gewaardeerd als ze niet in het centrum van de belangstelling staan. Ze vragen continue om aandacht en maken daarbij vaak gebruik van theatraal/dramatisch gedrag en hun uiterlijk.”

Bep ten volle uit. Het is me een gebep zonder eind. Ze zit me met alles wat ik doe, óveral op de huid.
Je moet haar wel ontvluchten anders kom je niet aan jezelf toe.
Bart kan haar ontlopen door zijn werk in Den Haag en thuis het voorzitterschap van zijn CDA. Dirk heeft zijn eigen vriendenkring, maar heeft ook steeds minder behoefte om thuis te zitten en Bep op haar wenken te bedienen. De mensen die ik ken sinds het Conservatorium, komen van over de hele wereld. Maar in Lisse heb ik geen vriendenkring of favoriete stamkroeg.
Jan maakt me duidelijk dat mijn periode in Breda, vergeleken met het leven dat ik bij Bep, Bart en Dirk kreeg, een behoorlijke solide basis moet zijn geweest en dat ik daar niet te min over moet denken. Ik werd gevoed en verzorgd en er was rust, orde en regelmaat. Dat verdween allemaal toen ik door Bart opgehaald werd en mee moest gaan doen in dit gezin. Tot nu toe had ik alleen maar wat herinneringen aan mijn claustrofobische ervaring en een nachtmerrieachtige trip door een donkere gang met allemaal gesloten deuren. Maar ik geef schoorvoetend toe dat Jan gelijk heeft en ik herzie m'n geschiedenis. Breda was zo slecht nog niet.
De echte nachtmerrie begon pas na Moederheil. Ik had vanaf het begin al geen band met haar, maar door de verhuizingen en het grote verloop van vrienden en kennissen groeide er ook geen verbondenheid.
Ik heb ook nooit meer iemand uit Breda gezien en er met mij een keertje op visite gaan, is nimmer bij hen opgekomen.
Daar komt dan haar gejaagdheid ook nog bij. Er zit geen rust in die vrouw. Ze staat continue onder hoogspanning.

Ik ben al sinds Wageningen zó bang voor haar, voor het plotseling verslechteren van haar humeur. Er is ook geen vat op te krijgen.
Die stemmingswisselingen, hoe ze kan omslaan als een blad aan een boom.
De hele ochtend hangt ze met een humeur waar de honden geen brood van lusten over haar ontbijt heen, zien we dat er visite bij ons achterom komt en dan, van het ene op het andere moment, is ze ineens weer helemaal opgewekt. Moeten wij weer vrolijk meedoen de rest van de dag. Al zwaaiend en lachend naar de naderende visite buiten zeg ze dan nog snel even voor ze naar binnen stappen: “Godverdomme nee hè, ze komen toch niet hier de hele dag zitten?”

Broederlief hobbelt zonder al te veel pieken en dalen door het leven en gaat gewoon z’n gangetje. Ik moet me nog steeds de hele tijd voor alles verantwoorden en als voorbeeld dienen. Dit is niet meer alleen maar omdat ik de oudste ben. Dit is omdat moe zo gefixeerd is op mij. Ze wil niet afgaan voor de buitenwereld met haar bastaard zoon en daarom mag ik niet falen. Ze hebben me nooit normaal gevonden!
Waar moet ik zo voor boeten? Jullie zijn ook zo goed met z’n drieën. Ik word soms kotsmisselijk van mezelf, dat ik zo naar jullie goedkeuring hunker. Zo fanatiek bezig de hele tijd, om jullie te behagen. Mag ik dood?

“Ik sla mijn jongens nooit!”
Bep… Je slaat het kind van je man nooit. Mij heb je al een paar keer half in de kreukels gebeukt en onderworpen aan gênante vernederingen in de beslotenheid van je slaapkamer, weet je nog? Toen we alleen waren? Al die draaien om mijn oren vanuit het niets. Asbakken vanuit het niets.
Maar ongeloof verdringt m’n verbazing: Wat gebeurt hier nou zeg? Jaren van psychische terreur en lijfstraffen en dan dit? Moet ik haar nu tegenspreken? Ze zit gewoon botweg te liegen. Ik ben het huis nog niet uit, of ze begint al met haar geschiedvervalsing.
Krijgt ze door dat, nu we sterker zijn, het risico groter wordt dat we terug kunnen gaan slaan en schelden? Ze blijft klein van stuk met die grote bek van haar. Dirk en ik zijn nu ook groter dan haar. Waarom wordt Dirk de hele tijd ontzien? Ja, dat durft ze natuurlijk niet, pa’s trots te hard aanpakken en tot op het bot krenken! Nee, als je Dirk hard aanpakt heeft Bart wel het lef je te temperen. Desondanks lijdt m’n broer ook, maar die heeft aan d’r tiet gelegen en zal dit alles wat makkelijker accepteren als onoverkomelijk, dat gedrag van haar. Die twee vinden het ook al heel lang normaal dat ze zo tegen mij tekeer gaat.
Ze weten het niet zeker, maar moe kent me beter en langer dus die zal wel gelijk hebben, toch? Dus ik moet wel fout zijn.

Als dit haar “houden van” is, dan is elke relatie die ik aanga gedoemd te mislukken. Ergens in m’n onderbewustzijn heb ik het gevoel dat ze me haat en dat wil ik weten om te kunnen begrijpen waar ik voor geslachtofferd word. Niet dat ik dat wil horen natuurlijk, maar ik denk dat als ik haar confronteer met mijn vermoeden, dat het me dan niet veel moeite kost om haar uit de tent te lokken. Ik heb het nooit gedurfd en nog nooit gedaan. Bang voor m’n eigen reactie. Zo bang voor het moment dat ze zich niet meer in kan houden en opgehitst door mij ineens zegt: “Ik heb nooit van je gehouden, als het aan mij had gelegen was je gewoon in Breda blijven liggen! Het is dat Bart je erbij wilde hebben, als broer voor Dirk, maar je was gewoon een lelijk en afstandelijk kind.” Ik denk dat ik haar meteen dood zou vuisten en in de sloot onder de Beekbrug zou dumpen. Voor al die jaren van net doen alsof.

Op een avond gaat de telefoon. Het is de overbuurvrouw die denkt dat het onze poes was die door een wagen werd geraakt. Ma en ik lopen met een blik zonder stoffer naar buiten en zien inderdaad dat het Poes is. Een Deux Chevaux blijft stilstaan en schijnt ons door de mist bij. Met het blik scheppen we het dampende kadavertje en alles wat eruit geperst naast lag van het asfalt.
In de Kievitstraat deden we niet aan geboortebeperking bij de huisdieren, waardoor er op een bepaald moment hier op de Heereweg meer dan twintig katten in huis rond liepen. Dat was allemaal de verdienste van deze verwilderde Poes. De keer dat Berend met ons op vakantie was geweest hield ie ons voor dat z’n moeder het helemaal niet erg zou vinden als die terugkwam met een poes. Hadden we er ééntje, totaal verwilderd, gevangen op de boerderij bij Bartho en Gea Stoffers in Renkum, naast Wageningen. Was die op de terugweg naar huis in de auto uit de doos ontsnapt. Eenmaal terug in Lisse kijken we allemaal toe hoe ze uit de wagen vlucht en zich meteen in de buurt verstopt.
Binnen een paar weken weet ma haar zittend op de drempel van de achterdeur tam te krijgen en Poes, zal verantwoordelijk zijn voor meer dan dertig nakomelingen.
Ik werd wakker tijdens haar eerste worp bij mij in bed. Toen kreeg ze er vier. Alles nat en plakkerig. Ik m'n bed uit om de boel te verschonen, want morgen vroeg weer op, maar ik moet wachten. Bep maakt er een leermomentje van en zet eerst 'gezellig' een pot thee voor op bed. Daarna kijken we hoe Poes de moederkoek verorbert en d’r kroost schoon likt, terwijl ma verteld wat we toch al zien.
Hier op de Heereweg heeft Poes een keer bij het vollopen van de kerk zondagochtend, ook alle aandacht op zich weten te vestigen. Op het grasveld voor de kerk liet ze zich uitgebreid nemen, Poes in het midden, 5 krolse katers er omheen.
Maar goed, we hadden allemaal onze eigen, favoriete kat of poes en die van mij was zwart en had ik genoemd naar Marly Knoben, danseres bij het Nederlands Dans Theater in Den Haag. Maar op een gegeven moment werd Marly dus vals. Ze kreeg overal kale plekken en had geen haar meer op d’r staart. Als je de trap naar boven nam, lag ze op de overloop in een hinderlaag onder de kast en viel je meteen aan zodra je ook maar één stap verder zette. Twee keer tot bloedens toe had ze m’n tenen opengehaald en niet alleen bij mij. Dus toen vonden Dirk en ik op een ochtend in de achtertuin de kale staart van Marly met een schaar ernaast. De afgelopen nacht was vader, bij ons achter op het bruggetje naar het klooster gelopen en had Marly in een verzwaarde zak, naar de bodem laten zinken. Het ging niet echt goed toen die het valse beest in de zak probeerde te krijgen.
Poes haar laatste wapenfeiten waren aandoenlijk. Op ons vorige adres in de Poelpolder nam ze wel eens een vogeltje mee, maar hier op het platteland verraste ze ons met heel wat grotere prooien. Stond ze een keer bij de achterdeur te miauwen, want ze had een vrije doorgang naar de bijkeuken nodig, maar waarvoor? In de bijkeuken bleek dat ze een haas had gevangen die al voor de helft door het katte luik naar binnen hing. Die moest van Poes verder naar binnen en dat deed ze vervolgens door heen en weer te lopen tussen binnen en buiten. Buiten werd er geduwd en binnen getrokken. Toen het gevaarte erdoorheen was, had ze het beest binnen de kortste keren open gescheurd en was haar kroost er in gekropen om zich tegoed te doen aan de ingewanden van de haas. De reiger die ze wat later te pakken had is door pa op de koelkast gelegd, z’n lange nek en snavel hingen slap naar beneden. Gestold stroompje bloed op de witte koelkastdeur.


Iedereen een ijsje? Poezen ook! foto uit de Kievitstraat nog.

Maar na ons eerste jaar op de Heereweg krijgen mijn broer en ik allebei een gezwel bij ons oor. Bij Dirk viel het mee en verdween de bult vanzelf. Ik had een week met pijnlijke onderzoeken in het ziekenhuis. Daarna werd ik nog een week opgenomen in het Diaconessen Ziekenhuis in Leiden. Mijn lymfeklier is ontstoken en opgezet bij mijn rechteroor. Dat kan een reactie zijn van het gif dat nog in de nagels van jonge katjes zit. Wij lieten de beestjes helemaal tegen ons opklimmen en onze benen, armen, en handen zaten onder de katten schrammen. De lymfeklier moest er dus uit. En die neus van mij kwamen ze achter, moest ook verbouwd worden omdat ik niet genoeg lucht naar binnen krijg aan de linkerkant. Als ik 18 ben of ouder is dat pas mogelijk.
De tijd in het Diaconessen Ziekenhuis Leiden was, afgezien van de pijn, een heerlijke rustige week. Geen school of training én niet thuis. Van de drie eerste dagen in de hel, zware hoofdpijn en liggen kermen van de pijn hoorde ik achteraf, heb ik alleen nog een vaag beeld: Bep die naast me zit en m’n mond steeds vochtig houd met een washandje, omdat ik nog niet mag drinken. Ik heb geen puf om bah, te zeggen want het was smerig. Maar daarna was het één grote vakantie voor me. Kruistocht in spijkerbroek gelezen van T. Beckman. s’ Nachts de zuster bellen als er iets ging piepen bij Phillip. Ik lag op een zaal met nog twee andere jongens. Gerrit, een boerenjongen en Phillip de Wachter uit Sassenheim. Ik vond het reuze gezellig. We hebben veel lol gehad. Ieder met z’n eigen beperkingen natuurlijk. Gerrit was al snel weer weg. Phillip was aan het bed gebonden met Cystic Fibrose, taaislijmziekte. Hij sliep elke nacht in een plastic tent waar de lucht in werd gereguleerd. Wat moet hij het benauwd hebben gehad. Om de zoveel tijd moest hij “losgeklopt” worden. En het slijm uit zijn luchtpijp geslurpt.
Ik was veel te druk voor hem. Toen de naweeën van de narcose uitgewerkt waren bij mij, ging ik er al weer vol tegen aan. Phillip was totaal verzwakt, maar we hebben wel gelachen. Zijn broertje lag hier ook op de kinderafdeling, een paar kamers verder in isolatie. Met hem ging het een stuk slechter. Hij is jong overleden. Voor Phillip was het uitzicht net zo.

Na een paar dagen mogen er nu met moeders goedkeuring mensen bij me op bezoek komen. Sandra t.B. en José d.N. twee meiden van school wisten niet wat ze meemaakten. Achteraf hoorde ik van hen dat Bep ze op stond te wachten bij de ingang van mijn afdeling, de bezorgde moeder. Met een serieus gezicht drukte ze hen op het hart toch maar een beetje uit te kijken met me. Ik had het zo zwaar gehad. Maar eenmaal bij mij op de kamer, bleek ik springlevend en was er niets te merken van een zware operatie of tragisch herstel. Ik vond het hartstikke leuk dat ze er waren. Sprong mijn bed uit en zette de twee meiden erop. “Weet je wat dit bed allemaal kan?” Vroeg ik ze.
Waar ik niet op gerekend had, was dat tante Marga onderweg was. En die moest ook eerst langs Bep natuurlijk. Ik bezig met José en Sandra op bed, omhoog en weer omlaag, schuin met het hoofdeind omhoog en weer andersom met het voeteneind de lucht in. M’n eigen pneumatische, hydraulische kermisattractie. We hebben ons kapot gelachen. Maar toen tante Marga binnen kwam lopen wist ook zij niet wat ze zag. Ze had net als José en Sandra van Bep gehoord dat ik er erg aan toe was. Hier bij mij zagen ze dat er niets aan de hand was en dat ik alle plezier van de wereld had. Tante Marga stamelde nog iets van: “Moet je niet een beetje rustig doen?” En hup, daar sprong ik alweer m’n bed af om de meiden mee te nemen naar de ontspanningsruimte. Even laten zien wat ik had zitten kleien. Tante Marga verschijnt na een minuut of wat in de deuropening om te zeggen dat ze maar weer eens op huis aangaat.
Voor Bep was het natuurlijk één groot drama. Zij leed hier natuurlijk het meest onder en maakt het daarmee allemaal erger dan het is. Ze vertelde iedereen dat ik kanker had en op de kinderkankerafdeling van het ziekenhuis lag, laat maar zeggen: het eindstation van alle uitbehandelde kinderen.
Mij werd in het ziekenhuis over de kattenkrabziekte verteld. Over het gif in de nageltjes van net geboren katjes, dat er na gekrabd te zijn voor zorgt dat de lymfeklieren kunnen ontsteken en opzetten. En aan jonge katjes hadden we thuis geen gebrek. Wordt zo’n lymfeklier verwijderd, dan zorgt je lichaam zelf voor vervanging.
Maar thuis werd ik geconfronteerd met een moeder die meer aandacht kreeg, omdat ze een kankerkind had. Het maakt niet uit in wat voor ellende je zit, mamma melkt haar moederverdriet dramatisch uit. Geen rust of tijd om ziek te zijn, mamma heeft haar moederpijn. Ik weet ook niet waarom ze hier blijft rondhangen, van mij mag ze naar huis. Ze doet alsof ze me verzorgt, maar ik kom hier niets te kort. Als ik te weinig interesse toon, gaat ze gewoon spelletjes zitten doen met de andere jongens die hier liggen.

De locatie van onze nieuwe school was naast Den Haag CS. Vanaf het station hoefde je maar één halte met de tram naar Ternoot. Daar stapte je uit op de Juliana van Stolberglaan. Het is lekker weer en als ik de eerste schooldag de binnentuin van het Conservatorium instap om m’n brood te eten komt er een nieuwe leerling naast me zitten. Rob zat eerst op tapdansen ergens anders in Den Haag, maar nu wil hij net als zijn zus ballet gaan proberen. Hij is net als zijn zus ook helemaal gek van Kiss maar zij is rigoureus gekapt met ballet en nu punk aan het worden. Rob neemt me een paar weken later mee naar de studio, waar we ook koor hebben en het grote orgel staat, doet een cassettetape in de recorder en laat muziek die hij van zijn zus kent door de ruimte knallen:

Bombing cities pulling switches
We won't do your dirty work
Making death is full employment
We won't do your dirty work
Bombing cities bombing people
While you eat your dirty meal
We won't serve you at your table
Screw your dirty deal

We won't make your dirty weapons
To defend your dirty law
All that's left is dirty water
Watch the automatic door
We won't clean the dirty basin
Blood that sticks to stainless steel
We won't do your dirty washing
War machine is bloody real

Contribution to appeasement
Pay the economic whore
Flesh and blood on dirty linen
All that's left is dirty air
We won't make your dirty weapons
To defend your dirty cause
All that's left is dirty water
We don't want your dirty war

(Poison Girls, "Dirty Work" album: 7 Year Scratch. 1984.)

Door de toestroom van nieuwe jongens dit jaar, komen er aparte jongensgroepen en krijgen we nu, in tegenstelling tot de meiden, ook krachttraining. Je moet ze straks wel op kunnen tillen bij “Pas de Deux”. Maar meteen bij de eerste krachttraining scheurde ik al mijn “Gluteus Medius”, een pees aan de heup. Zonder beschermende matten op de grond, zette de kersverse krachttrainer ons aan een spelletje “elkaar onderuithalen” vanuit de push-up stand. Ik kreeg Gerard M. voor me. Gerard was ouder en sterker en die liet zich geen enkele keer onderuithalen natuurlijk. Vier keer op links terechtkomen was genoeg om de boel te laten scheuren. Ik heb de hele dag krom gelopen. Na de laatste les en het douchen wacht ik tot iedereen waar ik mee reis klaar is om naar huis te gaan. Maar door de pijn hink ik er achteraan. Toen ze merkten dat ze de trein gingen missen begonnen ze allemaal te rennen. Dat was niet meer bij te houden voor mij en ik zag iedereen uit het zicht verdwijnen. En men verweet mij dat ik niet collegiaal genoeg was?! De afdelingen zo goed als verlaten. Ik kon amper de zware deuren openduwen terwijl alle lichten om me heen al uitgingen. De reis terug duurt een uur langer omdat ik na de trein ook de bus nog voor mijn neus zie wegrijden in Leiden, want rennen lukt me niet. Jankend strompel ik uitgeput over de drempel van de achterdeur naar binnen. En wat zeg jij dan? “Ga anders even boven liggen met wat ijs erop tot het eten klaar is!” Ik zeg dat dat een beetje te laat is, ik loop er al mee sinds de eerste les vanmorgen, elf uur geleden. Eén saridon genomen en de volgende morgen gewoon weer naar school.
Elke training moet ik er nu aan de kant bij blijven zitten en één keer per week, in de avond na alle lessen nog in behandeling bij de fysio en aan de ibuprofen. Ik was langer dan een maand uitgeschakeld. En eenmaal hersteld duurde het niet lang of er werd me alweer verzekerd, dat als ik me met dansen niet “compleet uit de naad zou werken” moederlief desnoods in de studio achter me kwam staan, om me vooruit te tráppen. “En ik wil dit jaar niks meer over blessures van jou horen of wat dan ook, versta je me?! Dan zullen we er eventjes voor gaan zorgen dat je die opleiding háált!”

Maar ik heb er toch nooit om gevraagd?
Denk je dat ik het nu wel leuk ga vinden, als je zo agressief doet? Hoop je dat als je me bang maakt, dat ik dan wel mijn best ga doen? Dit mens is gestoord, heeft ze nou echt totaal geen gevoel? Had je liever een dochter gehad? Hoe denk je dat het is om in de afgedankte kleren van kinderen uit de buurt te moeten lopen? Oh, weer een vuilniszak met kleding uit de buurt van de rijke shell-kindertjes en dan met een t-shirt naar school gestuurd worden waar “Marloes” op staat? “Wat? Het zijn toch mooie letters?” Zeg je dan. Echt een verschrikkelijk mens ben je, ik loop gewoon voor lul. Die meisjesfiets! Met sinterklaas de “Lone Ranger” cowboy jongenspop krijgen. Waarom? Om aan en uit te kleden?!? Die had niet eens een piemel tussen z’n benen en meteen de eerste keer dat ik hem helemaal had uitgekleed, kreeg ik z’n broek niet meer terug aan en paste hij z’n laarzen niet meer. Nadat ik hem op m'n eigen piemel had gezet en voor de spiegel heb staan lachen, was ik er wel klaar mee met deze slechte kopie van een man. Hij had ook nog een plekje op z’n rug dat je in kon drukken, waarna de rechter arm omhoog schoot en een onvervalste Hitlergroet bracht. Leuker werd het niet.


Ik haat mezelf, altijd maar doen alsof ik ze heel dankbaar ben voor alles.
Foto uit de Kievitstraat nog.

Maar dan ook nog al die jaren dat balletgedoe, blokfluitles, pianoles. Lekker bramenjam met mamma maken en vlierbessenlimonade, of gezellig een middagje leren breien. “Hé Eus? Dan gaan we morgen als je vrij hebt lekker met z’n tweetjes winkelen op de Kanaalstraat, voor je verjaardag!” Ja moeder, naar winkels die jij leuk vindt dan toch zeker? Sta ik met je in een meisjeswinkel: geurkaarsen, zeepjes, knuffelbeesten, fotolijstjes en wenskaarten, echt een wijvenparadijs. Mag ik van jou een mooie balletposter uitzoeken. Wat een verschrikkelijk, ongezellige kutdag, zeg. Alsof ik godverdomme je dochter ben. Wat moeten de mensen wel niet denken. Kijk dat moederskindje. Ik kan zo wat vrienden bedenken die maar wat blij geweest zouden zijn met alle aandacht van zo’n vrijgevochten vulva als jij, maar hier verschrompelen mijn teelballen van. Wat voor figuur wil je van me maken? Ik heb er geen enkele moeite mee dat ik misschien alleen maar homo ben, maar jij maakt zowel een mietje als een irritante relnicht van me.
En dan die verschrikkelijke smaak ook wat betreft onze kleding. Nooit zelf mogen kiezen. Al die sandalen. Helemaal onwel word ik van je “blouse met spencer en broek met hoogwater” combinatie waarmee ik naar school gestuurd werd. Mensen kregen gewoon medelijden met me: “Ja, je moeder zoek je niet uit Eugène” zei José de Nobel op de openingsavond van het nieuwe Conservatorium.


De nieuwe wervingsposters voor de dansvakopleiding. Studio 3.
v.l.n.r.: Eugène, Ruben B., Theo B., Rob S., Tom S., Boudewijn H., Ernst P., Kees P. en Norbert T.

In de Kees van Baarenzaal verklaarde prinses Beatrix, nog voor zij koningin werd, onze school met één slag op de grootste gong die er was, voor geopend.
Ballet is zwaar. Om je tot betere prestaties te bewegen blijven ze maar trappen, duwen, slaan, stompen, prikken en knijpen. Alles in je lijf moet constant aangespannen blijven, elk lichaamsdeel moet zich ook nog onafhankelijk van de rest van het lichaam, vrij kunnen bewegen. En dan dat geschreeuw de hele tijd. De competitiestrijd onderling. Bij leerlingen heerst de afgunst en verpest jaloezie de sfeer. Geknakte ego's, als dromen niet uitkomen. Heb je geen spierpijn, dan heb je ook niet hard genoeg gewerkt. En altijd overtuigend blijven lachen, want niemand mocht natuurlijk zien dat het je moeite kostte, het was thuis al jaren niet anders.
Waarom blijf ik zo vrolijk meedoen met alles en iedereen?
Maar toch, de leraren en leraressen waren stuk voor stuk ontzettend aardige mensen, wat hebben die een geduld met me gehad. Het eerste jaar was ook niet zo prettig natuurlijk. Maar het lijkt wel of ze me al die jaren daarna hebben ontzien. Wim Vreeken was de leraar waar ik de eerste twee jaar les van kreeg. Zag je in de stad een Fiat 500 rijden met open dak waaruit de helft van een baskoffer naar buiten stak, dan wist je dat het meneer Vreeken was. Zijn zoon speelde contrabas en als hij mee naar school reed, moesten ze het dak openzetten omdat dat ding alleen verticaal meekon. Hanneke Berlage ging in het nieuwe gebouw in 1980 met ons verder. Daarna een jaar van Raiko Pakaski die als twee druppels water op de Palestijnse Leider Yasser Arrafat leek en Duits sprak. Vervolgens een jaar van Iwan Kramar, een reus van een Kroaat, die ons liet zien hoe je tegen de muur op naar het plafond kan rennen. Het laatste jaar hadden we Robert Fisher. Dus elke dag klassiek, twee keer in de week caractère van Tom Bosma (Wat ik het leukst vond.) en één keer in de week modern van Hanna Samson. Hanna leert me hoe ik controle krijg over m'n ademhaling.
Allen streng, maar rechtvaardig. Met hen vergeleken was tante Marga een lieverdje.

Streng, maar met een onuitstaanbaar gemis aan empathie of mededogen laat staan rechtvaardigheid, was hoe het er bij mij thuis aan toe ging. Elke dag kwam ik thuis bij mensen die ook nauwelijks begrepen wat het allemaal inhield. Bep dacht met mij te kunnen zwijmelen over de sprookjesachtige balletwereld die ze van tv kent. Voor mij was het geen sprookje maar hard werken: en hij leefde nog lang ongelukkig.

Het is zaterdag en deze middag komt de bloemencorso weer langs. Nu hoeven we niet helemaal vanuit de Poelpolder meer naar de Heereweg te lopen en we nodigen mensen uit om bij ons de parade te bewonderen. In dit huis zitten we nu op de eerste rij hier.
De voorbereidingen voor de corso beginnen in de Bollenstreek al wat maanden eerder natuurlijk.
Bij opa en oma K. ontwerpen ze ook nog elk jaar een bloemenmozaique. Die word dan weer in de voortuin tentoongesteld en de mooiste worden beloond door een commissie die de hele streek doorgaat. De wagens voor de corso worden in de grote Hobaho hallen in Lisse in elkaar gezet, opgetuigd en volgeprikt. Vrijdagnacht vertrekken die dan naar het startpunt in Haarlem. De eerste corso was klein en reed heen en terug van Hillegom naar Lisse. Later kwam Voorhout erbij en in de jaren zeventig werd Haarlem pas het vertrekpunt en Noorwijk aan Zee het eindpunt. Zaterdagavond en zondag kun je ze daar dan nog bewonderen, alle wagens verspreid over de boulevard en mooi uitgelicht.
Straks komen er naast wat familie en Ton C. met z'n vrouw en de kinderen, ook nog een koppel dat net twee Vietnamese mensen in huis had opgenomen.
Bootvluchtelingen die nog nauwelijks waren bekomen van hun traumatische avontuur op zee richting het vrije westen.

Als onze gasten arriveren loopt ook de Heereweg langzaam aan vol met dagjesmensen. Bussen uit heel Europa parkeren langs de route waar ze maar kunnen.
We zitten in april en het kan nog wat fris zijn deze tijd van het jaar, dus onze salon zit vol.
Pas als we de fanfare aan horen komen, gaan ook wij naar buiten en iedereen verspreid zich. Sommigen gaan de tuin in of naar de straatkant toe. Moe staat met gasten op mijn balkon aan de voorkant te zwaaien en Dirk is met Marcel, de zoon van Ton C., bezig op zijn eigen balkon.
Ik loop ondertussen foto’s van alles te maken en zie Marco langs komen met z'n fanfare corps.
Maar als de eerste vier praalwagens en de fanfare voorbij zijn, ga ik terug naar binnen want het waait stevig.
Binnen zie ik dat ze het op het balkon boven ook niet meer uithielden, want de meesten mensen zitten weer in de salon.
Drankjes en hapjes voor iedereen en gestuntel in de communicatie met de bootvluchtelingen. Ze krijgen natuurlijk de fotoalbums te zien.
En verhalen te horen over ons vrije landje en wereldvrede.
Dan zien we boven de gordijnen van onze serre, ineens allemaal rook langzaam de salon binnen komen.
Nog niet echt in paniek proberen pa en ma zicht te krijgen op de situatie. M'n broertje zat nog met Marcel op het balkon, wat zijn die jongens aan het uitspoken?
We gaan even polshoogte nemen. Boven op Dirk z'n kamer zien we ze net van het balkon af weer naar binnen komen met z'n tweeën. Ze lopen heen en weer met glaasjes water en proberen de boel te blussen. Als we op het balkon gaan kijken, zien we dat de harde wind precies op een hoek staat waar rook uit komt. De jongens staan ons schuldbewust aan te kijken en verklaren dat ze het warmer wilden maken op het balkon en dachten dat een vuurtje veilig kon in de waterafvoer. Ze wisten niet dat daardoor de dakbedekking ging smeulen en smelten en dat de sterke wind het aanwakkerde tot een vuurtje. Als we niet opschieten staat zo het hele huis in de fik. Je ziet de vlammen er niet uitslaan maar het zit dus tussen de plafonds en er is een grote rookontwikkeling.

Voor mij overtrof dit wel de ellende, die ik m'n ouders al had bezorgd. Hier kon ik niet tegenop met mijn slechte schoolresultaten en al het gejat.
M'n broertje die het huis in de fik zet. Als dit niet tot strafvervolging leidt.
Brandweer gebeld en over op crisismanagement.
Bij ellende veroorzaakt door anderen, is moe altijd degene die met een glimlach de chaos trotseert. Want die in haar hoofd is altijd nog groter dan de realiteit van alle dag. Ze zorgt ervoor dat er geen paniek ontstaat bij de gasten. De auto's naast ons huis moesten worden verplaatst om ruimte te maken voor de brandweerwagen. Iedereen vlucht naar buiten en we verzamelen in de achtertuin. Daar kijken we toe hoe ons huis langzaam aan verdwijnt in de rook.
Op de Heereweg is inmiddels de hele corso stil komen te liggen, omdat de brandweer er doorheen moest.
Als die er zijn beginnen ze meteen met het slopen van het balkon en uit de achterdeur waar ze in en uit lopen, komt nu ook allemaal rook. Mensen van de rijkspolitie die normaal de corso begeleiden staan ons bij.
De bootvluchtelingen wisten niet wat ze meemaakten. Van het ene drama in het andere.
Fotoalbums werden naar buiten gebracht, belangrijke papieren veilig gesteld. In de bijkeuken stond nog een doos met net geboren katjes.
Er viel een gat in de parade van een half uur. Gelukkig waren ze op tijd en was er uiteindelijk meer schade door rook, dan door brand. Even later als de hele optocht weer langzaam in beweging komt, laten alle tambours maître hun korps voor ons huis op de plaats marcheren, om te zien wat de reden was voor de vertraging en het oponthoud. Doorspelen terwijl ze allemaal naar links gluren.

     
v.l.n.r.: Brandweermannen slopen serre om bij vuur te komen, ik vertel de brandweer bij de achterdeur dat er nog jonge katjes in de bijkeuken staan,
ik kijk met 2 vrouwen van de rijkspolitie naar de katjes die het hebben overleeft.


De straatkant waar twee brandweerwagens staan en de rijkspolitie op de motor de corso weer langzaam opgang laat komen.
Helemaal rechts een stukje van ons huis. Helemaal links, auto met bloemstuk van 2 meter hoog.
De verkeerslichten zijn weggehaald zodat de corsowagens er onderdoor kunnen.

Maar dan die reactie van pa en moe naar de jongens toe.
Ik ben niet jaloers op m'n broertje. Ik benijd hem ook niet. Hij komt uit dezelfde verschrikkelijke vrouw. En het is me natuurlijk ook al jaren duidelijk dat alles wat er bij mij niet goed ging, bij hem wel aansloeg.
Dirk is altijd de voorbeeldige zoon geweest. Nooit een schooljaar over hoeven doen. Die heeft ons pappa en mamma nooit teleurgesteld.
Na onze verhuizing naar de Heereweg, heeft hij een tijdje heimwee gehad en miste die zijn oude buurt, terwijl we gewoon in het zelfde dorp zijn blijven wonen. Bij pa en moe heerste er alom begrip en werd hij getroost om het verlies van de wereld die hij in de Poelpolder kende. Het is hartverscheurend. Voor mij net zo. Na de ontvoering uit Moederheil, was er voor mij geen enkel begrip. Ik ben in Breda volgens haar alleen maar ontzettend verwend geweest en moest hard aangepakt worden, omdat ik slecht naar haar luisterde. Dirk kan gewoon op de fiets stappen en terug naar zijn oude buurt. Over waar ik wel eens naar terug zou willen, is nooit meer gesproken.
Ook nu, na de brand, word hem meteen alles vergeven. Ze doen er echt alles aan om er voor te zorgen dat hij hier geen trauma aan overhoud. Geen kruisverhoor, geen boze blikken of gevloek, één en al compassie.
Mij zou het m'n hele leven worden nagedragen. Het zou de zoveelste bevestiging zijn dat ik niet wil deugen.

En dit geld voor zoveel andere dingen. Voor we op rijles gaan, krijgen zowel Dirk als ik de kans om met pa op de bijrijderstoel een beetje te oefenen met onze renault 5. Er zijn leuke locaties waar je ongestoord je gang kon gaan. 's Avonds op de uitgestorven en schaars verlichte parkeerplaatsen bij het strand van de Langevelderslag bijvoorbeeld. Nu parkeert pa de wagen naast onze oprit, met de neus richting de parkeerplaats achter de kerk en ik mag het overnemen. Maar Bart heeft er na mijn eerste poging en zijn net op tijd ingrijpen, al geen fiducie meer in dat het met mij ooit wat zal worden. Ik was niet serieus, want ik vond het leuk en zat te dollen met Dirk die op de achterbank zat, waardoor ik bijna het kerkhek eruit reed. Bij Dirk ging dat jaren later natuurlijk veel beter.
Ik heb dus ook nooit rijles genomen, of een rijbewijs gehaald.

Frank Veenstra onze geschiedenisleraar geeft goed les. Hij laat de klas “Il Conformista” zien van Bernardo Bertolucci uit 1970, “De Conformist.”
Ik begrijp ineens mijn verleden wat beter en mijn positie in de wereld. Ik heb me sinds Moederheil ook jarenlang moeten conformeren aan hun manier van leven. Maar ook aan alle anderen die ik tegenkwam, opdat ik niet buiten de boot zou vallen. Ik begrijp dat als ik niet vol voor Bep, Bart en Dirk thuis ga, het alleen maar kan leiden tot een confrontatie. Anders kom ik met mezelf in conflict. Dat is ook precies wat er met me gaat gebeuren, ik loop helemaal vast, want ik hou niet van ze. Ik heb het geprobeerd, maar het wordt er niet gezelliger op.

De uitvoeringen/optredens en het ernaartoe werken waren de leukste periodes op school. Helemaal als we gevraagd werden voor een productie van een van de grote gezelschappen van het land. Het Nationaal Ballet en het Nederlands Danstheater. Dan voelde je je toch een beetje deel van het gezelschap, ondanks dat je maar figureerde. Bij het Nederlands Danstheater hadden ze in 1979 kinderen nodig voor een choreografie van Jiri Kylian: “De Kinderspelen.”
Op muziek van Gustav Mahler: “Kindertotenlieder”. Moderne choreografie, iedereen dansend in wit ondergoed, met ons de kinderen die er tussendoor bewogen. Stil liggen en op momenten met z’n allen heen en weer hollen. De dansers werkten met ladders die onder andere gebruikt werden om er vierkante kinderbox gelijkende hokken mee te vormen. De ene keer vol met dansers, de andere keer vol met kinderen. Hier zie ik Marley Knoben elke avond dansen. Omdat de plek op het toneel waar ik lig, gedeeltelijk in de rook gezet wordt tijdens de voorstelling, krijg ik van haar een seintje als ik weg moet duiken voor één van de ladders die er neer zal komen. Wat een leuke week was dit.
Tijdens deze week van 21 t/m 27 maart 1979 overnachtte ik een keer bij een collega van Bart, in de buurt van school, heel toepasselijk aan het Wageningen plein in Den Haag. Ik ben nog nooit zo dicht bij het wereldnieuws geweest. Bij het krieken van de dag loop ik even naar de bakker op het Westeinde en als ik de straat inloop scheurt er met een rotgang een wagen langs me heen: Corps Diplomatiek. Bij de bakker die zich tegenover de ambassade bevond, hoorde ik dat het ging om de Engelse ambassadeur waar net een aanslag op was gepleegd. Hij werd door zijn chauffeur naar het ziekenhuis gebracht. Ik vertel het op school en iedereen krijgt met het radio journaal van 11 uur de bevestiging van mijn verhaal. De 58-jarige ambassadeur Richard Adam Sykes en zijn 19-jarige bediende Karel Straub zijn tijdens een terroristische aanslag beschoten op het terrein van zijn ambtswoning Het Spaanse Hof, aan het Westeinde in Den Haag. Ze hebben het niet overleefd. Jaren later zal pas met zekerheid gezegd kunnen worden dat het (verboden) Ierse Republikeinse Leger er achter zat.

Met het Nationaal Ballet hebben we een keer een week in het Circustheater in Scheveningen gestaan als figurant in “The Sleeping Beauty” een avondvullend sprookjesballet. Bep, Bart en Dirk waren al op vakantie en ik had het hele huis voor mezelf alleen. Dat was natuurlijk elke avond na de voorstelling lekker in bad. Uitslapen en in de middag naar het strand bij de pier, daarna eten op het Kurhausplein en terug naar het theater, voor een warming-up op het toneel. Op de deur van de kamer waar we geschminkt worden, staat met krijt nog de naam van Herman van Veen, die was hier voor het Nationaal Ballet met z'n shows. Voor dit sprookjesballet kregen we ook pruiken op. Op het toneel stond ik dan als lid van de hofhouding met Véronique Kruijswijk aan mijn zijde achter de koning, die tijdens de uitvoering de hele tijd schunnige grapjes rond strooide. Anderen hoorde je dan weer praten over wat ze s’avonds voor groenten bij de aardappels wilden. Het kostuum dat we hier aangemeten kregen, was net zo zwaar als ikzelf. Zo gelachen deze week.
Deze week kwam ik er ook achter wat inhaleren was. Zittend in de trein onderweg naar Den Haag merk ik ineens, dat ik rook heb ingeademd. Helemaal content met m’n progressie, rook ik die dag en avond na de voorstelling zoveel, dat ik er s’nachts niet van kan slapen. Elke keer als ik languit wil gaan liggen, word ik kotsmisselijk maar ik kan niet overgeven en moet uiteindelijk zittend slapen. Doodmoe meld ik me de volgende dag weer in het Circustheater.

In Utrecht was een keer een dansmanifestatie in Vredenburg, waar allemaal dansscholen hun kunstjes lieten zien. In het polygoon filmpje met de commentaarstem van Philip Bloemendal, was ook een foto van mij te zien. Verder hoefde ik die dag daar alleen maar als kikker over de diagonaal te springen, meer niet. O nee, dat was creatieve dans in “De Meervaart” in Amsterdam. In Utrecht was ik de hele dag verkouden. M’n neus al kapot van snuiten in wc-papier en zonder bril het toneel op. Verschrikkelijk zware dag. Maar door het polygoon filmpje voelde ik me wel opgenomen in de vaderlandse geschiedenis.

    
links: José de Nobel en ik op het toneel. (De vingers van mijn linkerhand staan te ver uit elkaar)
rechts: Boudewijn H. (met ingedraaide benen en verkeerde rechterhand) en ik met José de Nobel (ongemakkelijk) op onze schouders in studio 3.

Ik krijg er wel meer zin in en vind caractère veel leuker dan klassiek, maar er echt voor gaan? Dat zie je alleen bij de andere leerlingen. De meesten hebben er toch wel zelf voor gekozen, schijnt. Ik houd me nog steeds gewoon aan de exercitie die moeder voor me uitstippelde. Voor mij was het een vlucht van huis en haar. Bep’s “Hij kan het toch proberen?” Duurt alleen een beetje lang. Zelfs mijn slechte vorderingen zijn geen punt om het roer om te gooien en verder te kijken.
Ik ben al die jaren hier toch een beetje het slechte voorbeeld geweest, waar iedereen op neer kon kijken.
Zie op school ook wel iedereen excelleren en uitgroeien tot gedreven dansers en virtuoze musici. Maar ik wil nog helemaal niet aan die volwassen wereld denken.
Ik moet toch echt eerst van haar af zien te komen, voor ik aan een toekomst of zoiets kan beginnen. Als ik daar nog zin in heb dan.
De pesterijen waar ik in de brugklas nog last van had, verdwenen toen ik een jaar over moest doen en in een klas terecht kwam waar ik de oudste was. Hier kon ik me wat beter staande houden en iedereen met gemak overtroeven. Nam iemand een bedenkelijk standpunt in, liep iemand de boel een beetje te provoceren, dan ging ik daar extreem grof overheen.
Het verbaast me nog steeds dat ik daarmee bij mensen het bloed onder de nagels vandaan haal. Dat ze niet doorhebben dat ze zelf begonnen.
Marcel A., van het eerste jaar in de brugklas, kon er niet tegen. Fred v. S., trompettist, kon ook ineens agressief uithalen en liep zelfs rood aan.
Ik heb vaak moeten rennen voor mijn belagers. Ook voor Fred v. S.
Na de lunchpauze toen iedereen voor z'n leslokaal op de leraar stond te wachten, werd Fredje ook ineens ontzettend kwaad over iets wat ik zei en kwam achter me aan en ik ben de hele school door gerend om aan hem te ontkomen. Dat ik de trappen in één keer kon nemen met een grote sprong was mijn redding, Fred durfde alleen tree voor tree. En ik ben blijven rennen tot het moment dat de deur openging en ik snel langs Peter Muller het klaslokaal in kon schieten.

Nana Hertogs, de nieuwe pleegzus/dochter die bij ons komt wonen is, net zoals Anita uit de Kievitstraat, een zigeunermeid.
Ze is een vurige, fatale, stevige onruststoker. Als ze geen zin had om na het eten mee af te drogen, maar door Bep teruggestuurd werd naar ons in de keuken, begon ze alles wat ze van het afdruiprek pakte kapot te gooien, net zolang tot ze weer weg gestuurd werd. Ma is altijd pertinent tegen elke vorm van relatie tussen haar zonen en één van de pleegkinderen geweest, dus Nana pakte ten lange leste uit pure wanhoop, zelf maar mijn hand om op haar borsten te leggen. Als ma er maar niet achter komt.
We hebben een keer met z'n tweeën meegedaan aan een danswedstrijd, georganiseerd door de "Welkom" in de Bondstraat.
Het was er zo druk, dat je nauwelijks kon bewegen, laat staan dansen. Tot mijn ontsteltenis werd ik al na de eerste ronde weg gestuurd en terwijl Nana lekker bleef door dansen en sjansen, vluchtte ik zo snel mogelijk, de kolkende massa uit naar buiten toe. Het is er veel te koud en ik had geen jas bij me.
Opgefokt en beledigd door de afwijzing net binnen (Ik van het Conservatorium, kon niet eens winnen van de hossende boeren in z'n dorp?) kruip ik het granieten bushok in. Als ik een krant zie liggen, pak ik m'n aansteker en zet er de fik in om mijn handen te warmen. Op hetzelfde moment gaan er 20 meter verderop, vanaf de parkeerplaats van de pastores, twee grote lichten aan en een politiebusje komt met een rotvaart op me af. Ze rijden me klem in een hoek van het bushok. Wat is er toch weinig nodig om indruk te maken hier.

Nana kletst ook lekker met Bep, of andersom? Daar kwam ik achter toen ze me een keer apart nam en informatie met me deelde waar ik helemaal niet op zat te wachten.
Ze had van Bep gehoord wat er was gebeurd in m’n eerste jaar op het Conservatorium, met Tialda en de andere meisjes.
En ze vraagt mij vervolgens: “Hoe heet die man die dat meisje uit jouw klas heeft vermoord?”
Ik zeg haar dat het Koos H. was. Dan, een beetje beschaamd: “Oehh, Eus, weet je? Wij zijn familie, hij heet ook Hertogs!”
Ik weet even niet wat ik hier op moet zeggen.
Haar oom, gaat ze verder, was het buitenbeentje in de familie. Een verschrikkelijke, enge jongen die niet te handhaven was en al sinds zijn jonge jaren voor heel wat problemen had gezorgd. Langzaam dringt tot me door dat de moordenaar van Tialda dus Nana haar oom is. Ik kon het even niet goed met elkaar rijmen.
Er is sinds die dag nooit meer met mij over Tialda gesproken, op school niet, maar ook Bep is er nooit op terug gekomen. Niemand is er bij mij ooit over begonnen.
Waarom praat Bep er dan wel met anderen over? Werd haar in gesprek met Nana ook al duidelijk dat de moordenaar haar oom was?
En wist Bep vervolgens dat Nana het mij weer ging vertellen? Ik heb Bep er niet mee geconfronteerd.

De moordenaar Koos Hertogs zit sinds 1982 levenslange gevangenisstraf uit voor verkrachting, opsluiting en moord op drie meisjes. Koos Hertogs heeft nooit bekend. Vele journalisten woonden het proces van Koos Hertogs bij. Uit vrees voor bevrijding of liquidatie lagen er voor het eerst scherpschutters op het dak van de Haagse rechtbank. Als jongen is Koos zo onhandelbaar dat hem op 16-jarige leeftijd jeugd-tbs wordt opgelegd. Een psychiater typeert de Haagse probleemjongere in 1973 als een psychopaat, die in een narcistische schijnwereld leeft en zich voortdurend immoreel gedraagt. Die karaktertrekken, schrijft Sytze van der Zee in zijn boek 'Zuidwal' over Koos Hertogs, ontnemen hem het zicht op de werkelijkheid. ,,Nooit doet hij het, altijd zijn het de anderen. Doordat hij geen schuldgevoelens kent, vormt hij een gevaar voor de openbare orde.'' De psychiater betwijfelt of behandeling enige zin heeft.
https://web.archive.org/web/20070927174415/http://www.aandachtdoetspreken.nl/slachtoffers/mei/TialdaVisser.asp

Dacht ik eerst nog gehoord te hebben dat de martelkamer aan het Buitenhof lag, waarschijnlijk is de naam die Sytze van der Zee aan zijn boek gaf "Zuidwal," de locatie waar hij al die meisjes heeft vermoord. Maar ik heb de grootste moeite om dat te verifiëren.
Koos Hertogs is veroordeeld voor de moord op drie meisjes, maar verdacht van nog zestien andere moorden.
In de jaren na 2010 zal Peter R. de Vries er een aantal uitzendingen aan wijden en als er een rechtszaak is over of een uitzending van hem wel door mag gaan, lees ik in de Volkskrant onder de kop "Brief van de Dag", de reactie van m'n oude docent wiskunde.

Mijn leven vult zich met gruwelverhalen, ik weet niet goed hoe ik er mee om moet gaan. M’n dromen zijn ook zo raar, absurd en gestoord. Het is allemaal moeilijk te doorgronden. Steeds vaker word ik wakker en begint m’n dag met waar mijn dromen eindigen, chaotisch en gestrest. Een slechte droom kan m’n hele dag verzieken.
Het hoofdeinde van m’n bed staat tegen een houten wand. De eerste reflex na het ontwaken in deze voortdurende wanorde is m’n arm die onder m’n dekbed vandaan schiet en mijn linker vuist die boven m’n hoofd, tegen de houten wand eindigt. Als ik daarna uit bed stap, ram ik met mijn rechter vuist nog een keer. Meestal is één dreun voldoende. Temper ik mijn agressie niet, dan ben ik bang dat ik anderen beschadig. Ik schreeuw het er desnoods uit of trap en vuist deuren open. Liever een dag mank lopen dan uitvallen tegen de verkeerde. Keiharde muziek en headbangen helpt ook. Als ik mezelf geweld aan doe ben ik daarna wat rustiger en geen gevaar meer voor mijn omgeving. Nu ik wiet ben gaan roken, krijg ik er minder last van. Zwarte Maroc is nog beter, maar zwaar. Dan ga ik gewoon out. Het voordeel daarvan is, dat ik me mijn dromen niet meer kan herinneren.

Een van de eerste foto's zonder brilletje. Het was nogal een omslag in hoe ik mezelf zag.
Van sulletje met een brilletje naar een knappe blonde knaap. Dit bracht me tot een welverdiende herwaardering van mezelf.
Ik vond mezelf al heel lang heel stom en lelijk, maar met die lenzen zag ik ineens, of in ieder geval steeds vaker, gewoon een normale, mooie jongen. Hoezeer ik mezelf ook haat, dit getrainde lichaam maakt veel goed. Ik kick op m'n uiterlijk en op dat wat me tussen de benen is toebedeeld en ben mijn eigen beste vriend.

Met die contactlenzen gaat het draaien ook steeds beter, die kutbril was me toch een handicap. Tijdens de pirouettes vloog die geregeld van m’n hoofd. Uit frustratie schopte ik hem wel eens de hele studio door en bij uitvoeringen moest die dus altijd af waardoor ik minder zag. Met lenzen kan ik me nu veel beter focussen en draai er met gemak acht.

In mijn laatste jaar op het Conservatorium komt Claudio Bartolozzi er als nieuwe bij. Zijn ouders zijn naar Amerika vertrokken (iets met de belasting). Hij is hier gebleven omdat ie, na een jaar bij het Scapino Ballet in Amsterdam, verder wil met dansen. Ik zie hem nog de trap afkomen richting de garderobes. Wat lijkt ie met z’n krullen op Frank uit Breda. Claudio vindt ballet dus wel leuk, maar mist nog meer dan ikzelf de discipline die er voor nodig is. Onderweg naar het station laat ie me voor het eerst meeroken van de joint die hij had gedraaid. Purple Weed, groene wiet met paarse puntjes, gekweekt met lavendel.
Heb ik pa en ma net op moeten biechten dat ik rook, waardoor ik de 500 gulden Niet-Roken-Award misloop en ik hen nu als tegenprestatie op een etentje moet trakteren bij de Italiaan.
Zit ik nu al aan de wiet met de jongen wiens vader op de Zeedijk in Amsterdam, het allereerste Italiaanse restaurant in Nederland opende.
Zijn vader heeft zelfs Vincento, de kok van het restaurant waar ik met m’n ouders ga eten, opgeleid.
Na een paar keer geblowd te hebben, begon ik de ontspannende werking van de cannabis te waarderen. Na al die jaren van boetedoening thuis en de dagelijkse kwelling op scholen, voel ik een rust en ledigheid in me neerdalen waar ik geen weet van had. Ze hebben me er in Wageningen bij gehaald en vanaf dat moment ben ik aangezet, op scherp gezet, continue bij de les gehouden, constant achter m’n reet aangezeten en uitgedaagd. Wiet roken zet dat allemaal uit. Maakt het allemaal wat makkelijker te verdragen en te ondergaan. Wat ben ik al lang gestrest. Claudio is zo relaxed.

In bed heb ik laatst onder de dekens m’n aansteker laten leeglopen. Die had nog een heel klein vlammetje. Ik geloofde het niet, dat een aansteker kon "ontploffen". Het duurde langer dan ik verwacht had. Maar toen die eindelijk met een plof uit elkaar knalde schrok ik me wezenloos, sloeg de dekens van me weg en zat rechtop in m’n bed. Wonderbaarlijk genoeg was er nauwelijks brandschade en ik had geen blaren. Ik voel me als een aansteker: Vanaf de tijd dat ik bij die vrouw kwam heeft ze dat lipje van de vlam van - naar + gezet. Als ik niet uitkijk ontplof ik al voor ik 18 ben.

De chaos in mijn hoofd is niet te beschrijven.
(-|[\#$&*)^=(@)_#+&\*^/$]|-) {ascii-art, worthless NFT, imho}
(letterkunst, waardeloos Non-Fungible Token, in my humble opinion)
In mijn moeder zie ik niets anders dan een manisch depressieve figuur, dat een leven lijdt vol ongemak en tegenslagen.
Ik kan niet voorkomen dat ik dezelfde kant opga. Maar dan ook een stukje heftiger.

Voor het eerst heb ik in de trein onderweg naar Den Haag een joint gerookt, omdat ik op Centraal toch de tram naar de Statenlaan pak en wil gaan spijbelen met Claudio. Maar twee stations voor Den Haag CS stapt er een leraar de trein in. Nu moet ik G@(%^#$\&:>} dus wel naar school en ik zal snel doorkrijgen wat voor onmogelijke combinatie dit is, blowen voor de training:(
Alles gaat gemoedelijk tot en met het omkleden en de opwarming in de studio. Maar als Linda Goss binnen komt stappen en Gerard Bouwhuis achter de vleugel kruipt en de eerste akkoorden laat horen, draai ik net als iedereen, naar de barre toe en kijk mezelf voor het eerst die dag recht in de ogen.
De confrontatie met mezelf was behoorlijk heftig, die grote spiegelwanden. Ik sta er slaperig met half dichtgeknepen, uitgedroogde ogen in te turen en voel me duizelig worden. Er is geen ontkomen aan. Ik moet me op mezelf proberen te focussen want als ik via de spiegel de grote studio inkijk word ik gek. We beginnen met plié’s en ik weet al bij de eerste niet meer hoe ik weer omhoog moet komen. M’n armen zijn slap, de benen zijn pap. Ik zijg als een aardappelzak ineen. Waar-de-loos, denk ik, hoe gaat dit goed komen? En nog uitkijken dat je niet in de lach schiet natuurlijk. Als dit niet gaat opvallen? Hier kun je meteen voor van school gestuurd worden. Ik was alle controle kwijt. Hoe ik het einde van die les heb gehaald? Ik weet het echt niet meer. Roken! Kanker mee doorgaan of kanker beter mee stoppen? Nou, met zulke ouders kankut wel vergeten!

Laatst op de Statenlaan had ik een claustrofobische droom, waarin ik achtervolgd werd.
De ontsnapping aan Fred v. S. op het Conservatorium, rennend door alle schoolgangen die vol stonden met wachtende leerlingen, is nu verplaatst naar een rijdende metro. Die is onderweg naar de volgende halte en ik wordt nu door meerdere mensen achterna gezeten.
Ik probeer te ontkomen en ren door een overvolle metro, tegen de rijrichting in, als een gek naar achteren.
Ploegend door de mensenmassa, zie ik niet wie of wat ik allemaal beschadig en omver trap. Achter me een spoor van vernieling en beschadigde mensen.
In de haast struikel ik over bagage in het gangpad en val voorover. Als ik weer overeind krabbel, merk ik tot mijn verbazing dat alle reizigers bekenden van me zijn.
Maar niemand reageert of grijpt in. Verder door hollend naar achteren, veranderd ineens het interieur en blijkt de achterste wagon een tweede verdieping te hebben zonder een trap ernaartoe. Een onbekende jongeman ziet me aan komen stormen, strekt zijn arm naar me uit en trekt me omhoog.
Helemaal uitgeput, maar eindelijk veilig.

Meiden op school zagen m’n sleutelhanger van een scheermesje. “Hè? Is dat ding écht?” Vroegen ze. Als ik zeg dat het gewoon een sleutelhanger is: “Oh, je durft niet met een èchte!!” Nou, jawel hoor! De volgende morgen kom ik op school en als ik ze weer zie zeg ik: “Kijk, deze is echt!” Helemaal verontwaardigd: “Wat? Ben je gek of zo? Doe niet zo eng man!” Wilde ik indruk maken, was het weer niet goed?! Eind van de dag na de training in de kleedkamer bij het omkleden, trek ik m’n broek met het scheermesje eraan omhoog en snijd van m’n knieholte tot net onderaan m’n bil, mijn hele dijbeen, verticaal, 30 centimeter open. Je voelt het pas als het gaat bloeden, van het snijden merk je niets. “Jezus man, je bloedt op de vloer!” Zei Boudewijn. Daardoor was ik ook nog te laat bij de fysio en kwam Hanna Samson kijken waar ik bleef. In de kleedkamer ziet ze me bloeden en ze helpt me aan een hele rits pleisters. Ik ben niet bang voor bloed. Maar dit gedrag doet me geen goed.

Na het avondeten nog even peuken voor je gehaald. De Chinees op de Eerste Poellaan heeft een sigarettenautomaat. Het is er rustig en als ik binnen kom lopen, hangt er onderuitgezakt aan de bar een dronken man. Ik trek een pakje uit de automaat en wil weer gaan. Maar als ik de man nogmaals passeer fulmineert hij, op te luide toon en met dubbele tong door de zaak: “JIJ ben er zzzeker éénje van DAH KUTWIJF!” De Aziatische barman weet niet wat hij hoort en kijkt geschokt.
Hij roept de man in z'n beste Nederlands, tot de orde en verontschuldigd zich naar mij.
Ik doe het natuurlijk niet, maar ik kan hem wel bevestigen dat wat de dronkaard zei waar is: Ik ben er toch echt één van dat kutwijf.
Moeder krijgt al een behoorlijk slechte naam hier. Ze zal de man wel een keertje van repliek gediend hebben in Juffermans.
Ik bedoel, die is waarschijnlijk en plein public, verbaal zo ongenadig hard in z’n hol genaaid door ma, dat die er nog depressief van is. Ze hielp mensen, ja… maar sommige dus ook over het randje. M’n broer vind het verschrikkelijk wat ie via z’n vrienden over haar hoort in het dorp. Dat ze bij sommigen bekend staat als een vrouw die te makkelijk met teveel mannen omgaat. Door dit gedrag van haar, voel ik me ook helemaal niet meer veilig hier.

Hier zie je, dat het feit dat ze niet aan zichzelf werkt en haar eigen therapie volgt, zich gaat wreken.
Als het helpen van mensen in psychische nood haar werk is, zou ze er thuis niet over uitwijden. Maar ze lijkt alle informatie met iedereen te delen. En niet alleen in vertrouwen met het thuisfront. Ze is gewoon een roddeltante aan het worden. Niet integer. Ik kom erachter dat het ook andersom werkt. Ze vertelt ook Jan en alleman over wat er hier thuis gebeurt. Wat voor verdriet ze van me heeft en hoe ondankbaar ik ben.
Jan heeft ze ook al voor me gewaarschuwd en verteld dat hij uit moet kijken omdat ik niet te vertrouwen ben. Waarom doet ze dat?
Ome Frenk loopt me al een tijdje heel boos aan te kijken en te negeren met zo’n blik van: “Jij maakt alleen maar je ouders te schande! Wat doe je ze allemaal aan!”
Althans, ik kan het veranderende gedrag van sommige mensen naar mij toe anders niet verklaren. Ze moeten wel iets van haar gehoord hebben want ineens doen ze niet meer aardig en kijken me aan of ik een moord heb gepleegd.
Kom ik alleen maar drank en sigaretten voor haar halen, staat de barman me met zo’n blik van wantrouwen en achterdocht aan te staren. Alsof ze met z’n allen meer weten.
Dat kan alleen maar omdat Bep d’r bek voorbij lult. Als ze teveel drinkt word ze onsamenhangend en is ook niet echt meer te vertrouwen.
Bij tijd en wijle nogal ontoerekeningsvatbaar zou ik zeggen. Soms is ze gewoon niet meer te volgen en haar gedrag begint zelfs Bart zorgen te baren.
Al een paar keer beboet voor rijden onder invloed. Niet even lopen naar Juffermans, maar lekker de auto nemen. Is ze daarna zo dronken dat de politie haar zwabberend van het kleine stukje rechte weg terug naar huis haalt.
Ze was toch slachtoffer van verkrachting? Waarom heeft ze nooit hulp gehad dan? In al haar jeugdige naïviteit bracht ze op haar zestiende, onbedoeld, de verkeerde man het hoofd op hol? Stukje bij beetje krijg ik wel meer informatie los maar het blijft me te vaag. Mijn biologische vader is al dood door een verkeersongeluk en ik draag z’n naam kon ik een keer half opmaken uit haar verhalen. Maar wat er echt gebeurt is op die dag met m’n moeder, wordt maar niet helder. Het roept ook zoveel slechte herinneringen bij haar op, dat dat soort gesprekken meestal eindigen in een huilbui. Om haar dit te besparen, vraag ik er zelf nooit naar. Ik zal moeten wachten tot ze eraan toe is. “Later zal ik je wel eens vertellen wat er allemaal gebeurd is!”

Maar wat voor initiatief heeft zij genomen om haar leven op orde te krijgen? Ja een gezinnetje beginnen met één van haar veroveringen en dan nog op aandringen van pappa en mamma. Een mooie dekmantel voor de rest van haar praktijken. Ga ik slecht met geld om? Bep rookt, trakteert en zuipt tijdens haar "spreekuur" in de kroeg voor duizenden guldens weg, allemaal op rekening.
Als privé persoon is ze verschrikkelijk. Het is nauwelijks te beschrijven wat voor desastreuze invloed ze heeft gehad op m’n zelfvertrouwen. Ik heb door mijn jarenlange slaafse, kritiekloze houding totaal geen gevoel van eigenwaarde meer. Dat minderwaardigheidcomplex, die dodelijke naïviteit waardoor ik met iedereen meewaai, me door iedereen laat beïnvloeden en bedonderen. Mij restte enkel de geneugten van het fysieke groeien, dat me enige hoop gaf.
Het lichaam dat zich in 18 jaar ontwikkelt tot volwassendom en geslachtsrijpheid.
“Je moet eerst met jezelf kunnen klaarkomen!” Zei ze wel eens quasi filosofisch.
Oh mam, je bedoelt dan toch dat je eerst van jezelf moet houden, wil je iets voor anderen kunnen betekenen, of moet ik dit uit jou mond heel letterlijk opvatten?
Jij zit je te pas en te onpas gewoon klaar te vingeren in onze aanwezigheid en ik kan ook al heel goed met mezelf klaarkomen, helemaal zelf geleerd.
Maar daar val ik jullie vervolgens toch niet mee lastig? Pa zit toch ook niet te masturberen in ons bijzijn? Dirk doet nu zelfs de badkamerdeur op slot als hij gaat douchen. Wat ben ik blij dat je geen invloed op m’n erecties hebt gehad, zeg. Want je was er wel snel bij hè, in de Kievitstraat al, om me te wijzen op mijn T-shirts die ik in de wasmand moest gooien als ik ze “volgespoten” had. Ik zie dat T-shirt nog liggen. Eentje van Dirk en die lag ook nog aan zijn kant. Bij mij was er toen nog nauwelijks sprake van een echte lozing en aan een zakdoek had ik genoeg, maar jij wilde al laten blijken dat je me door had? Wat raar zeg, jij doet onze was toch nooit, dat doet Bart. Maar je inspecteert onze was dus wel.
De trotse moeder spelen: “Oh, je krijgt al okselhaar, je word al een echte man!” En als ik uit de douche kom: “Laat je moeder eens zien hoe mooi je bent geworden!” Alsof je ook nog m’n vriendin wil zijn, gadverdamme ik word hardstikke onwel van de manier waarop je toenadering zoekt.
Ik kon het niet voorzien, dat je uitkeek naar mijn eerste volgespoten T-shirts, maar geniet er lekker zelf van en laat me met rust.
Ik zal nooit van je houden, hoe uitdagend je ook probeert te zijn.

Tijdens wiskunde staat ineens die enge van Oordt op vanachter zijn bureau en loopt de klas in. Heen en weer tussen de rijen tafels, blijft hij achter mij ineens stil staan. Net nieuw was die. Hij was ook "iets met kinderen" of zo. Psycholoog, weet ik veel wat. En terwijl we allemaal aan het lezen waren, niks geen geklooi of geklier was eraan vooraf gegaan, fluistert die pedagoochemerd me in m’n oor: “Je weet dat ik je zo een knal voor je kop mag verkopen van je moeder, hè? Als je niet goed je best doet!” Meneer van Oordt staat met een brede grijns op z'n ongeschoren smoel, te genieten van de psychologische overmacht die hij hier kinderachtig uitspeelt. Ik krimp ineen en voel de invloed van moeder weer eens tot hier in Den Haag, de lange arm vanaf het thuisfront reikt nog steeds tot in het klaslokaal, ik ben ook nergens veilig. Ik mocht eerder al een paar keer naar meneer Grünwald de schoolpsycholoog. Maar bij meneer Grünwald durf ik evengoed geen open kaart te spelen. Veel te bang dat moeder ook met hem een direct lijntje heeft. Hij gaf me zelfs zijn privé nummer, mocht ik me te hopeloos voelen. Hopeloos??? Ik ben bijna op man!

Als ik s’morgens naar beneden loop en op de trap al koppijn krijg, weet ik dat jij wakker bent.
Ik lijk met de dag gevoeliger voor het omslaan van je stemmingen en je zware depressies. Geen van ons drieën wordt gespaard, maar op mij kun je lekker helemaal los gaan. Als je me niet ter plekke een tik kan verkopen, dan krijg ik wel een asbak naar m’n hoofd.
Alle trek die ik heb in ontbijt verdwijnt als ik die eetkamer binnenstap. De boel staat al blauw van de rook en je slobbert alweer een glaasje port naar binnen. Hoe kom ik van je af? Ik moet bijna overgeven als ik zie, ruik en hoor hoe je je ontbijt naar binnen zit te smakken. Hoe je die gele dooier van je gebakken ei kapot prikt en over je witte sneetje brood uitsmeert. Ik kan het niet meer aanzien. M’n ontbijt maak ik in de keuken maar als ik even niet oplet hebben de katten mijn brood al schoon gelikt. Geen zin om weer opnieuw te smeren. Dan maar meeroken in de eetkamer. Koffie, krant en snel naar Den Haag. Niemand weet hoe verschrikkelijk je bent en niemand zal me geloven. Ik doe ook zo leuk mee met iedereen, dat ze allemaal denken dat het wel goed met me gaat. Misschien een beetje behaagziek die jongen, of ADHD-erig, maar het is zo’n leuk gezin. Ja, het is alleen maar leuk omdat die teef alles op mij kan afreageren. Een sadist vindt het leuk om mensen pijn te doen? Ik weet niet wat voor genoegen zij er in schept, ze moet het wel leuk of lekker vinden.

Is mijn “biologische” vader iemand die zich niet kon inhouden toen hij haar een lift gaf, aan het eind van die zomer in 1965? Of is m’n moeder gewoon, zoals mensen van vroeger zeiden: “mannengek”? Mij vindt ze niet leuk. Ik weet niet waar ik voor moet boeten. Nou ik kan wel iets bedenken, maar ik vertrouw haar niet zo. Ze is verkracht, daarom wil ze met een straffe opvoeding voorkomen dat ik net als mijn “biologische” vader een verkrachter word, want dat zit er natuurlijk in bij mij?!? Al die slechte dingen die ze in me ziet zijn van mijn biologische vader natuurlijk, niet van haar of Bart. Maar ik twijfel ook en vraag me op een gegeven moment zelfs af of ze wel echt is verkracht. Beschermd ze niet gewoon iemand, bij wie ze ook het hoofd op hol gebracht had? Misschien ben ik wel van opa S. of één van haar broers. Want ze haat me gewoon.
Dit is moeilijk vol te houden allemaal. Je zou denken dat ik zo onderhand wel wat meer steun van Bart en Dirk zou krijgen, maar die kunnen gewoon niet tegen haar op. Ze hebben ook meestal maar één reactie voor me: “Je weet hoe je moeder is Eus!” Dus omdat ze net zo bang zijn voor haar als ik, staan ze liever veilig aan haar kant i.p.v. mij te steunen. Ze kijken al jaren toe hoe ik word vernederd en kapot gemaakt en zijn ondertussen maar wat blij, als ze zelf buiten schot blijven.

Ik heb avonden bij Dirk op z'n kamer zitten pleiten voor meer begrip en bevestiging dat het toch niet normaal was wat er hier gebeurde.
“Zo kan die wel weer Beppies. Effe dimmen Bep. Nu even niet ja? Nou, t’is wel weer goed zo moeders!” Het bleef allemaal heel beschaafd. Echt verbazingwekkend hoe we alle drie lijden onder haar terreur en zij het verdomt om te veranderen. Waarom kunnen drie mannen haar niet aan; hoe kan het dat één vrouw in staat is, de sfeer zó volledig te verzieken? Met zo’n vader en broer ben ik ten dode opgeschreven.

Was laatst haar zus Ellie hier met Detty en ze hadden wat problemen op die gekke wc van ons. Zit moe in de eetkamer met haar hoofd naar ons te knikken en naar de deur zo van, moet je horen hoe ze het aanpakt op de plee met Detty. Een mooi voorbeeld van de pot die de ketel iets verwijt. Want ze zijn elkaars gelijke die twee, Bep ging ook heel onhandig met ons om. Haar zus pakt het helemaal niet zo anders aan dan zijzelf.
Waren ze weer vertrokken, zat Bep te doen alsof ze zich zorgen maakte over de zus die haar vroeger altijd pestte. Ellie was volgens Bep d’r verhalen, net zo gemeen als oma S. In de winter van 1955 was ze door Ellie, in de tijd dat ze als zusjes nog het bed met elkaar moesten delen, voor de zoveelste keer naar de vloer verbannen. Waardoor ze uiteindelijk in het ziekenhuis terecht kwam met een longontsteking. Oma S. en Ellie vormden één front tegen haar, want Ellie was overal beter in en nog knapper ook. Maar dan hier thuis naar ons toe: “Oh, het gaat zo slecht met Ellie, ze drinkt en rookt zich helemaal te pletter. Ja jongens, dat gaat niet goed daar en Roy slaat haar ook!”
Maar ma, je bent zelf kettingroker en alcoholist. Er staat in de eetkamer, nu wij het niet meer voor je kunnen halen, gewoon een kartonnen doos met sloffen camel sigaretten en in de bijkeuken een krat met port! Uitgerekend zo’n 5000 sigaretten en 20 liter alcohol in voorraad. Je hebt deze hele eetkamer bruin gepaft. Wat voel jij nou helemaal voor je zus? Ik had alle begrip voor Roy, áls het al waar was van dat slaan. Misschien sloeg Ellie er zelf ook gewoon op los, net zoals Bep. Wat nou als Ellie net zo gemeen en agressief is als Bep? Bep vond haar zus een serpent? Beppie is zelf ook een vrouw met een zeer scherpe tong; hatelijk, scheldend, kwaadsprekend etc. Roy is verder altijd heel gewoon en aardig naar ons geweest, maar moet net als Bart ontzettend geleden hebben onder de depressiviteit van “moeder de vrouw” en haar verslavingen. Die van ons gaat meestal zo lang en heftig te keer, dat het schuim op haar mondhoeken verschijnt.
Ongevoelig voor de murw geslagen toehoorders, kan ze uren door razen. Bij een corrigerende tik, gewoon om haar even te onthutsen, zou iedereen in het gezin gebaat zijn. Dan is ze misschien een beetje te hanteren in huis en hoeft ze niet opgenomen te worden op de psychiatrische afdeling van Sancta Maria. Maar nee hoor, moeder is nooit opgenomen geweest en kiest al jaren haar eigen therapie. Wij drieën laten ons al jaren koeioneren, beledigen en voor schut zetten.

Op bezoek bij Theo en Maria van Ruiten bijvoorbeeld, aan de Achterweg in Lisse. We zitten allemaal buiten achter hun huis in de tuin en de kinderen van Theo en Maria spelen in hun blootje verderop in het bosrijke gebied. Ze wonen hier heel lekker, in de beschutting van het Keukenhof bos. Echt één van de mooiste plekken in dit dorp. Bep wil ons niet bij het gesprek met Theo en Maria hebben en verzoekt ons met de meiden te gaan spelen. Als mijn broertje en ik achter de zussen aan het bos in lopen roept ze naar ons: “Kom op jongens, doe ook lekker je kleren uit zoals die meiden. Jullie zijn toch niet verlegen?” Nou ja, we zijn op visite! Alsof we een week hier blijven. Thuis lopen we nooit naakt. Ma was de enige die in haar blote schaamteloze lippen door het huis liep. Hier moeten we laten zien dat het heel normaal voor ons is. Vroeger zwommen we toch ook naakt in de Rijn bij Wolfswaard. Ja! Uit armoede toch? Wat wil ze nu bewijzen? Ikzelf voelde geen gêne, maar door de onzekere blik in de ogen van Dirk deed ik m'n gulp weer dicht en fluisterde naar hem toen we doorliepen: “Nee joh, hoeft niet, we gaan toch zo weer!”
We moeten “mamma” nemen zoals ze is, met al haar onhebbelijkheden en haar moeilijke jeugd, waar ze geen werk meer van maakt. Vanaf de Nolensstraat maak ik haar al mee als getraumatiseerd en hulpbehoevend, dat merken we elke dag en daar houden we alle drie ook zoveel mogelijk rekening mee. Ze verwacht ook niet anders van ons. Maar het wordt er niet beter op, als ze er zelf verder geen werk van maakt natuurlijk. Ik moet al mijn hele leven horen hoe verschrikkelijk mannen met vrouwen omgaan. Nou sorry hoor, hier is al jaren sprake van mannenmishandeling.

“STEEK hem er nou IN LUL!”
Het is avond en de slaap is maar moeilijk te vatten. Iedereen ligt op bed en luistert al een half uur naar jouw dronken gevloek en getier.
Dat begon beneden al, maar je gaat hier boven in bed nog een half uur door.
Daarna mogen we meegenieten met het begraven van de strijdbijl, er moet nog geneukt worden. Maar je mag haar natuurlijk niet plagen.
Dus pa, steek hem er nou maar in en kom, dan kan iedereen eindelijk gaan slapen.

Maar op de keeper beschouwd ma, wat doe jij nou eigenlijk allemaal voor ons in huis? Niet veel toch, ja meer troep maken. De kunst van het delegeren zei Bart laatst tegen je.
Verrek, dacht ik, je hebt gelijk, ze zet echt iedereen voor haar aan het werk. De boodschappen worden voor je gedaan, er wordt (nog steeds) alcohol en tabak voor je gehaald. Verder krijg je geld voor een huishoudster, Truus Meijer die twee keer in de week de belangrijkste vertrekken schoonmaakt. Truus is nog ouder dan jij en komt jouw werk doen op d’r oude dag. Jij moddert maar een beetje aan. Toen bleek dat Truus meer behoefte had aan gewoon gezellig koffie drinken en kunnen praten, (volgens mij had haar echtgenoot zichzelf verhangen, waardoor Truus weer moest gaan schoonmaken om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen) was het wel ineens over. Daar betaal je haar niet voor en dan ook nog gratis psychische bijstand verlenen? Je hebt eigenlijk een ontzettend grote bek voor iemand die zo weinig presteert. We mogen blij zijn dat je het koken een paar jaar hebt vol gehouden. Jij begint zo vaak aan iets nieuws.

“Maak nou eens een keertje iets af Eugène!” Waarom moet ik alles waar jullie me toe aanzetten afmaken? Je maakt zelf nooit iets af. Die muzieksmaak van je is gênant middelmatig, met je “aine klaine nachtmoeziek.” Je zoekt niet naar beter, maar zakt af naar Nederlandstalig repertoire, Hollandse tv-series en musicals: “Op Volle Toeren” en “Zeg Eens A” en “Dagboek van een Herdershond” en met kerst “The Sound of Music” met je te kijken. Gadverdamme.
Pianoles heb je allang weer opgegeven. Moest ik je complimenteren met je eerste akkoordjes… Jij hebt me nooit één compliment gegeven in het begin. Maar toen ik de eerste akkoorden van “Fur Elise” nog maar net in de vingers had, wilde je wel meteen met me pronken. De hele salon vol met jouw familie zou wel eens even horen, wat jouw goede opvoeding al voor effect had gehad. Ik weet dat ik niet verder kom dan de eerste bladzijde maar moet wel. Na de eerste akkoorden en het eerste foutje, ontstaat er vanuit de salon rumoer en ineens buldert iedereen van het lachen. Vaag hoor ik Opa S. een grapje maken over een boer aan een piano. Dan steek jij vanuit de salon je hoofd de gang in: “Hou maar op ze weten het niet te waarderen.”
Wat je wel volhoudt, is mij achter m’n reet aanzitten: “Heb jij al piano gestudeerd Eugène?” Nee, heb 'jij' me al gehoord dan?
Daarna moet je óók nog een accordeon. Je kan dat ding niet eens optillen. Er staand op spelen houd je geen minuut vol. En dan zeg je dat ik een verkeerd zelfbeeld heb? Jij hebt toch ook een totaal verkeerd beeld van jezelf. Ja, de sfeer verpesten en de boel stagneren. Zelf dit huis op orde houden, kun je niet.
De tuin is een rommeltje: die heb je helemaal voor jezelf maar je gaat al knock-out als je één baantje met die grasmaaier moet duwen.
Allemaal fantasieën over de inrichting met watervalletjes en kikkerpoeltjes, als wij het allemaal maar uitvoeren. Je maakt er in de eetkamer een rommeltje van en dan mag  niemand vervolgens aan jou troep komen, anders raak je het overzicht kwijt. Die eetkamer is één grote chaos.
Je vindt, vanaf dat we hier op de Heereweg zijn komen wonen, in café Juffermans ook de perfecte standplaats om je klantenkring van sukkels uit te breiden. Want buiten het huis ben je zo belangrijk, allemaal mensen helpen. Druk, druk, druk joh. Maar het is pa die voor brood op de plank zorgt hier, terwijl jij de welgestelde madam loopt uit te hangen in ons grote, vrijstaande huis.
Als lid van de familie van Bart, die een goede naam hebben in “De Engel” laat je ook nog steeds alles wat je rookt, drinkt en uitdeelt in de kroeg op de rekening zetten. Ik jatte honderden guldens van Bart? Bij Bep kun je er een paar nulletjes achter zetten. Die gaat binnenkort over de tienduizend heen.

Bart gaat voor de grote vakantie begint, voor z’n werk nog een weekend naar het buitenland. Daar heb je het zo moeilijk mee. Want hij slaapt met Idsje, een vrouwelijke collega, op één kamer. In de woonkamer (salon) sta je helemaal tegen pa z’n kruis op te rijden om hem maar in te printen dat jij de ware voor hem bent en dat hij het niet moet wagen om met Idsje te vrijen. Mamma werd geen strobreed in de weg gelegd en pakte elke piemel die ze wilde hebben, of ze nou getrouwd waren of niet. Bij verschillende paren heeft ze de relatie behoorlijk onder druk gezet door de man te verleiden. Maar pappa mag, met iemand die lang niet zoveel aandacht van de mannen ten deel viel als mamma, niet eens weten wat hij met z’n eigen stijve doet.
“Nou Bep…” Hoor ik hem zeggen. “Ik ga echt niet op een andere kamer liggen omdat jij dat wil. En als je denkt dat ik wat met Idsje van plan ben, ben je niet goed bij je hoofd!” Wil ze nu dat hij een andere kamer neemt? Nou ma, denk ik, je bent gewoon jaloers. Op je man, op je kinderen. Waarom mogen wij niet, net zo vrij als jij relaties aangaan of ontwikkelen? Je neemt werkelijk iedereen de maat. Maar jij gaat ondertussen gewoon je gang, houd je nauwelijks in en accepteert van niemand kritiek of tegenspraak.

Deze zomervakantie gaan jullie weer naar het huis van Stoffers in Wageningen en ik ga voor het eerst niet mee, maar je kán het niet laten me nog even apart te nemen: “En je blijft met je fikken van Thecla af hè, laat ik er godverdomme niet achter komen dat je aan d’r gezeten hebt!” Ik ben helemaal uit het lood geslagen door deze waarschuwing. Hoe komt ze hier nou weer bij? Thecla is twee jaar ouder, drie? Nog nooit heb ik een serieus vriendinnetje gehad, laat staan er een mee naar huis durven nemen. Ik weet gewoon niet wat ik hóór. Alsof ik “hem” al overal in loop te steken.

(Met Marlies Hoogendoorn 1976, ging het uit toen we op schoolkamp waren. De dag dat we allemaal een chocolade letter in ons schoen hadden gevonden, had ik mijn letter aan Marlies gegeven. Toen ik die middag met alle jongens hoog in een boom zat, stond Marlies beneden te schreeuwen: “Als je nu niet naar beneden komt is het uit en hoef ik je letter niet meer!” Zo van als je dan niet voor mij naar beneden komt, etc. Ik bleef zitten waar ik zat.
Door de afwijzing van Mariëtte Andringa uit de brugklas in 1978, was ik helemaal van de kaart. Wat vond ik haar mooi. In m'n onderbewustzijn herkende ik in haar de zuster die me eens had bevrijd uit een benauwende nachtmerrie nog geen tien jaar geleden. In een opwelling zei ik haar een keer dat ze mijn drinkgeld van de hele dag mocht hebben, als ik haar zou mogen kussen. Daarop keek ze me bedenkelijk aan en moest ik van iemand anders die meegeluisterd had, mijn excuses aanbieden omdat ik van haar een hoer maakte. Zo ontdaan door geweest, dat ik verkeerd werd begrepen. Waarom vroeg ik haar niet gewoon of ze wat van me wilde drinken?
Met Jacqueline Hopman 1979, duurde het ook niet lang. Op station Den Haag Hollands Spoor houdt ze me op een dag staande in de stationshal en vraagt of het nog steeds “aan” is. Ik wist van niets, maar bang om haar teleur te stellen zei ik "Ja?!?". De eerste keer dat ik haar thuis in Heemstede-Aerdenhout bezocht was meteen de laatste. De hele middag heb ik met haar broertje buiten lopen voetballen. Ze heeft me op school nooit meer aangesproken.)

Maar Thecla, de dochter van meneer en mevrouw Stoffers zou dus deze vakantie langskomen. Ik heb altijd alleen maar onwijze lol met haar gehad. Nooit de behoefte gevoeld haar ook maar met iéts lastig te vallen. Ik als arme bastaard was helemaal geen partij voor haar en kende m’n plek. Bij weinig meiden voelde ik me prettig, zij was er tot vandaag één van. Ook Wim en Bartho, haar broers zijn altijd leuk met Dirk en mij omgegaan. Ik heb nooit moeite gehad om me te gedragen bij mensen zonder piemel. Als ik moeder naakt en sacherijnig op de overloop zie stampen met het touwtje van haar tampon tussen de benen, dan hoef ik al niet meer. Als dit het is, wat God bedoeld heeft met een vrouw?
Met haar recalcitrante, geveinsde, militant feministische, pro-vrouw activiteiten heeft ze me toch juist afgericht tot een super geëmancipeerd, slap en ongevaarlijk piemelmens voor de vrouwtjes? Zij houdt me voor dat vrouwen, doch zwaar onderdrukt en achtergesteld door de man, zelfstandige individuen zijn waar niet mee te sollen valt. Dat daarentegen je hygiëne dan weer niet altijd bevorderlijk is voor de eetlust, nemen we gewoon op de koop toe. De stank in onze wasmand is gewoon niet te harden als jij ongesteld bent, vind je het gek dat we onze vuile was op de eigen kamer verzamelen?
Maar goed, je zoon heeft zich nimmer laten verleiden door gewillige meisjes, “mamma!”
Ik walg van haar. Ze denkt inderdaad dat ze een verkrachter heeft gebaard. En ik durf natuurlijk niet te zeggen wat ik denk: “Ik haat vrouwen, weet je dat nou nog niet? Had me geaborteerd, cynisch kankerwijf, waarom ben ik na jouw verkrachting in leven gehouden? Waarom zien jullie baby’s als je bezit. Als jij het gebaard hebt mag je zelf bepalen wat je er mee doet? Eerst doen alsof je me liefdevol opneemt, waarna ik me jaren moet onderwerpen aan jouw zieke neigingen en een decennium later vind je me al eng, onbetrouwbaar en zelfs in staat tot verkrachting? Als ik niet uitkijk laat je me nog gedwongen steriliseren ook. Kankerwijf! Jullie maken monsters van mannen. Al dat gezeik over vrouwenonrecht. Dat weet ik nu na veertien jaar wel, daar heb ik al jaren de consequenties van moeten ondervinden. Maar zie jij iets van de onderdrukking van de man, jij buit mannen toch ook uit, t’is allemaal zo eenzijdig. Mij stuur je gewoon naar die flikker van een Hans K.!
Die had jou laten weten dat ie z’n stereo toren wel aan mij kwijt wilde voor 500 gulden? En dan half verkracht worden zeker.
Ja, dat wist je niet hè? Dat had je niet aan zien komen. Toen ik de volgende ochtend naar beneden kwam zat hij er alweer, aan de piano met jou aan zijn zij. Jij met een hand op z’n schouder. Meneer kwam zeker even peilen hoe de vlag erbij stond. Heeft ie er al met z’n mammie over gepraat of is er niks aan het handje? Nee hoor “pik” ik heb niet zo’n goede band met haar dat ze dat al weet. Ik had nog niks gegeten maar toen ik die kankertalkpoederhomo róók, kon ik hem zonder moeite helemaal onderkotsen. Jij hebt gewoon totaal niks doorgehad. Zo vol van jezelf. Vrouw van de wereld. Met je KUT homovriendjes. Aandachtziek wijf. Je merkt niet eens dat je naast de viezerik staat die je zoon met een smoes lokte om hem te kunnen pakken.

Gisteren na het sluiten van zijn videotheekje en het uitzoeken van een troosteloze Scandinavische seksvideo met spierwitte, neukende hetero koppeltjes op de fjorden waar een boot filmend voorbij vaart, trok hij je zoon nog naakt over zich heen op bed: “Spuit in m’n mond” Zei die tegen hem en met z’n platte halfzachte vleespaal probeerde die je zoon nat te krijgen om hem te kunnen penetreren. Die jongen van je kneep z’n billen zo hard als die kon samen en nadat die flikker z’n paal leeg had gespoten over z’n bilspleet en rug, verdween die even snel als dat ie was begonnen, in z’n douche. Toen het zaad al vast gedroogd in z’n schaamhaar hing, mocht je zoon er pas onder en zich afdrogen met de natte handdoek waar Hans zichzelf mee had afgedroogd, want hij had geen droge. Op de fiets terug naar huis, nat in de kleren, kippenvel, vol zelfverwijt en koppijn bij thuiskomst. Ondanks dat ik niks gelikt of geslikt had en je homovriendje niet in me klaar was gekomen ben ik een maand lang bang geweest voor een soa. Ach ja, dit kan er ook nog wel bij. Thuis aangekomen zie je me wel in de gang, maar als je me vraagt hoe het was loop ik meteen door naar boven met de mededeling dat ik koppijn heb. Je vraagt niet verder en hebt niets door. Is dat nou het niet te benoemen gevoel tussen moeder en zoon wat ons al vanaf het begin zo onafscheidelijk maakt? Rot op zeg. Steek die stereo toren lekker in je reet. Nooit meer zal ik nog zo koud en nat onder een douche vandaan komen. Aan een washandje heb ik genoeg. Drie keer uitwringen en je stapt zo goed als droog de douche uit. Als ik achttien word ben ik hier weg.

Om me heen zie ik ook genoeg mannen/jongens die net zoals vrouwen dag in dag uit, moeten omgaan met onderdrukking en vernedering. Is het niet door hun eigen vader of schoonvader, dan wel door hun meerdere de baas, door de sterkere, de slimmere of het geile, niet te stoppen roofdier. De sadisten zijn het ergst.
Mannen zijn ook slachtoffer van mishandeling door vrouwen. Het is een enge wereld en ik vertrouw niemand meer. Zeker geen vrouwen, of mannen die vrouwen zwanger maken.
Mannen die zich om laten bouwen tot vrouw snap ik helemáál niet. Heb je zo iets moois als een fallus tussen je benen hangen met mooie teelballen en een heel eigen warmte reguleringssysteem, “every move a picture” maar je wil een vulva? Niet de voorhuid en de gezwelligheid, maar een gat? Geen mooie eikel maar een kleine klit?
Wat een verschrikking dat je problemen krijgt met het lichaam waarmee je geboren bent. Tragisch dat je jezelf, na de eerste jaren van opgroeien, waar een ieder de manieren en gewoontes van de opvoeders kopieert, als jongvolwassene geen tijd gunt en dan al zo rigoureus ingrijpt. Ik vind het heftig.
Bep zou het waarschijnlijk als de voltooiing van haar opvoeding zien, als ik in transitie zou gaan voor een sekseverandering. Heeft ze eindelijk een dochter.

Maar goed, al het gedroom over mijn ontvoering uit dit gezin, door een half ontklede mooie donker harige jongeling, op een briesende zwarte zwetende hengst met een behoorlijke paardenlul en een goed stel kloten, was na Hans wel over. Geen incestueuze viezigheid met één of ander familielid. Ik wil een serieuze vriend die net zo alleen in de wereld staat als ik.

Met jongens had Bep natuurlijk veel minder problemen want die kon ik niet zwanger maken. Van meisjes moest ik echt af blijven. Moeder was zelf zo’n vrijgevochten meid, maar Bart, Dirk en ik mochten er niet eens naar kijken. Wat voor moeite ze al niet deed om te voorkomen dat ik onder haar regime, voor mijn achttiende iemand zou bezwangeren.
(B. en ik zijn ontmaagd door Marion. Die leerde ons hoe ze het wilde hebben en wij waren er klaar voor. Bij de roosters voor ballet fluistert ze op een ochtend: “Ik denk dat ik zwanger ben. Het moet van jou zijn, of van B.” Dat was misschien waar ze op uit was, maar echt zwanger was ze gelukkig nog niet.)
M’n vader, m’n broer en ik zijn veertien jaar de speelbal geweest van deze quasi feministische obstinate kenau met okselhaar. De zelfde zweetlucht als bij m’n moeder ruiken als ik me een paar dagen niet gewassen heb, doet me walgen van mezelf. “Nee ik doe de was nooit, mijn man weet hoe de wasmachine werkt!”
Wat ze dan weer wel heel leuk vond was om haar slaafje uit te lenen aan een kunstzinnige vriendin van d'r, om er te poseren voor haar teken en schilderclub. Dat zouden ze zo op prijs stellen. Een keer een balletdanser te mogen portretteren. Het resultaat was belabberd, maar wat keken de dames hun ogen uit.

Mijn eindexamenfeest, duurde ongeveer een week.
Het was een ongeorganiseerd zooitje en ik liet het allemaal gaan. Want moe vind het maar wat leuk, als het hele huis bruist van de activiteiten. Bij mij telt nog steeds, hoe meer mensen in huis, des te groter de afleiding. Iedereen was uitgenodigd voor de zaterdagavond. Maar waar bij anderen ook meteen duidelijk werd hoelang alles zou duren, stuurden wij niemand weg en keken we gewoon hoe lang het leuk zou blijven. Dus na de eerste avond bleven er nog veel mensen hangen en na drie dagen, toen Bep en Bart op vakantie naar Wageningen vertrokken, waren alleen Claudio, Carmen en Jimmy er nog.
De zaterdagavond heb ik ze allemaal meegenomen naar de dansavond in Qbus. 's Nachts lekker langzaam terug lopen.
Gezellig elke dag met z'n allen boodschappen doen en het avondeten verzorgen.
Stappen in Sassenheim, darten en drinken in "De Twee Wezen".
Ergens wiet of stuff proberen te scoren.
De derde avond hebben we ons door Bep af laten zetten op de boulevard van Noordwijk aan Zee.
Dirk wilde ook mee. Joints gedraaid en over het strand richting Noordwijk teruggelopen.
Linksaf de Maandagse Wetering inschieten, kijken of Jan nog wakker is. Na een half uur voor zijn deur gezeten te hebben, hoorden we hem pas naar boven komen. Lekker wat gedronken en onze vreetkick gehad, want hij heeft altijd een grote pot met mini mars/nuts/snikkers/bounty's. Daarna vond ie het geen probleem ons nog even met de Ford naar de Heereweg te brengen.

Huis ter Beek hier bij ons achter, staat al sinds 1977 leeg. Daar zijn we deze week ook nog met z'n vijven ingeklommen.
Nadat we zowat het hele pand waren doorgelopen, overviel me een melancholisch gevoel van herkenning.
Struinend door een huis waar honderden kinderen hun jeugd hadden doorgebracht, voelde ik heimwee naar een verloren jeugd die ik bij Bep en Bart ben kwijtgeraakt.
De grote familie die ik in Breda kende, al mijn huisgenoten uit Moederheil, ben ik nooit meer ergens tegengekomen.
Ik begrijp zo onderhand wel dat je alleen in zulke omstandigheden terecht komt als je een probleem bent voor de wereld, als er niet op je is gerekend, of als ze van je af willen. Toch heb ik dit altijd als ideaal gehad, het opgroeien met alleen maar leeftijdsgenoten. Zonder bemoeienis van ouders.
Maar wat een vergane glorie. De grote gemeenschappelijke ruimtes waar gegeten werd. De grote keukens. Al die kamertjes met de sporen van mensen die er hun leven hadden gesleten. Bij elkaar, dus niet in een klein gezin zoals ik. Voor m'n gevoel wilde ik niets liever dan terug keren naar die wereld. Voel me nu vaak overbodig en te jong en te bang voor de ouderen waar ik tegenop kijk. Voel me daarnaast veroordeelt tot de spontaan gegroeide vriendenkring van leeftijdsgenoten waar ik geen onderscheid in maak.

We zijn al een half uur binnen en eenmaal op de bovenste etage, schrikken we ons rot. Horen we nou de beveiliger door het pand heenlopen?
Robbie, klasgenootje van mijn broertje, heeft een vader en die is beveiliger van het leegstaande tehuis.
Ze wonen hier achter in een villa met een hek eromheen. Als je er langsloopt komen er altijd twee hele grote Deense Dogs blaffend aangerend.
Die heeft hij nu dus ook bij zich want hij loopt tegen ze te praten.
Dan laat hij ze los en we horen de honden door de gangen heen rennen. De paniek slaat bij ons toe.
We schieten zo snel mogelijk een kamer op de bovenste etage in en verstoppen ons in de kast.
Met m'n vinger in het sleutelgat probeer ik de deur dichtgetrokken te houden.
Door een kier zie ik zo de openstaande deur van de kamer waar we ingevlucht zijn. Vergeten dicht te doen, maar het is al te laat want de Deense Dog komt al naar binnen stormen. Zonder op of om te kijken komt ie recht op ons af en blijft voor de kast staan waar wij in zitten.
We denken echt dat onze laatste minuten zijn aangebroken.
Dan horen we verderop in het pand Robbie's vader weer naar z'n beesten roepen. Het exemplaar dat voor m'n neus staat, snuffelt en snuift wat aan de kastdeur en zonder te blaffen of een poot uit te steken, keert die zich gewoon om en holt weer vrolijk terug naar z'n baasje.
Wat een waardeloze waakhond zeg, maar we wisten niet hoe snel we weer beneden moesten komen.
De begane grond bereikten we niet eens, want we zijn vanaf de eerste etage allemaal door een raam naar beneden gesprongen om te ontkomen.
Een paar dagen later ga ik terug om de vijf spiegels die we uit de kamertjes met wastafel hadden gesloopt op te halen.

Dit is de eerste keer dat ik het huis helemaal voor mezelf heb. Pa en moe zijn op vakantie en Dirk is er ook niet meer. De laatste mensen heb ik weggestuurd want ik heb werk gevonden bij bloembollenbedrijf Kiepenkerl.
Maar de eerste dag verslaap ik me en ik word meteen afgezonderd van de anderen mensen. De hele dag moet ik in een stoffige, slecht geventileerde en schaars verlichtte ruimte, tabkaartjes voorzien van een haakje. Daar was ik zo moe van dat ik 's nachts alleen maar tabkaartjes en haakjes voorbij heb zien komen. De volgende dag verslaap ik me weer en word de hele dag aan de tabkaartjes gezet. Ook na deze ongezellige, eentonige dag kon ik niet slapen door tabjeshaakjeskaartjes.
De volgende morgen, doodmoe en weer te laat. Nu werd ik oneervol ontslagen. Wat een opluchting.
's Middags ben ik het meteen gaan vertellen bij opa en oma K. op de Catharijnelaan. Maar die vonden het helemaal niet erg en verweten me niets?
En voor het eerst in mijn leven richtte opa K. zich direct tot mij: “Die Kiepenkerl is een klootzak. Helemaal niet erg dat je daar bent ontslagen!” Was zijn reactie. Het was ook meteen de laatste keer dat opa K. iets tegen me zei, maar zijn woorden kwamen als een geschenk uit de hemel. Nu was ik in ieder geval niet meer bang voor de reactie van Bep.

Dat met het leven in een groot alleenstaand huis bepaalde risico’s groter werden, ondervind ik als de eerste week voorbij is en er op een dag een Marokkaanse familie aanbelt. Ik doe de deur open en er staat een groep van zes personen voor me. De oudste zoon neemt meteen het woord en voor ik het weet word ik mee naar binnen gesmoesd met de vraag: Wijs ons de weg naar strand. Omringd door het oudste broertje die het hoogste woord voerde en drie kleinere kinderen, kreeg ik in de eetkamer een grote wegenkaart voor m’n neus en moest ik hen uitleggen hoe ze bij het strand konden komen.
Ondertussen werd zonder dat ik het door had, het huis achter mijn rug om door andere familieleden uitgekamd. Van het ene op het andere moment was m'n uitleg voldoende en verdwenen ze net zo snel als dat ze naar binnen waren gekomen en terwijl ik achter ze aanloop naar de voordeur, komen er van boven de twee gesluierde vrouwen en uit de woonkamer ook nog een paar en ze schieten met z’n allen de dikke Mercedes in die naast ons huis staat geparkeerd. Man met grote snor achter het stuur. Ik zie ze wegrijden en weet niet goed wat er nou gebeurd is, maar als pa, ma en broer terug komen van vakantie, valt het moeder meteen op. Ze mist het een en ander.
Ik word onderworpen aan een kruisverhoor en al de vrienden die ik die vakantie over de vloer heb gehad krijgen bezoek van de politie. Het kwam niet door de vrienden die ik had uitgenodigd. Toch een geluk bij een ongeluk want wat was er gebeurt als ik wel door had gehad waar de Marokkaanse familie voor kwam? Dan was ik misschien in paniek geraakt en had alles gewelddadig uit de hand kunnen lopen. Gered door m’n eigen naïviteit en goedgelovigheid? Bep haar geldkist is later opengebroken teruggevonden op de parkeerplaats bij het strand van de Langevelderslag, liefdesbrieven, zilveren tientjes en andere zeldzame munten. Jaren later durf ik er op terug te komen en vertel ik haar over het bezoek van de Marokkaanse familie.

Na het behalen van m'n MAVO diploma dit jaar zal ik niet meer verder gaan met school.
Nu, dit HBO-jaar, zal er alleen maar gedanst worden en heb ik een werkweek van zes dagen. Zaterdagen alleen lessen in de ochtend.
Het lijkt wel of ik al jaren tegen m'n eigen natuur inga. Ik ben geen danser, maar dat kan ik nu wel.
Bep fokt me zo erg op. Ze bepaald alles voor me. Wanneer ik opsta, wat ik overdag doe en hoe laat ik naar bed ga.
24 uur per dag, zeven dagen per week, jaar na jaar ga ik al gebukt onder haar bemoeizucht.
Die zeven dagen van de week. Kan er niet meer tegen, al jaren leef ik met de psychische terreur thuis en of dat al niet genoeg was, kwam er ook nog het fysieke ongemak bij door al die jaren trainen.
Ik zit m'n tijd gewoon uit maar ergens in m'n achterhoofd zie ik mezelf niet tot m'n dertigste dansen, als ik achttien word ben ik volwassen en kan ze me niks meer maken.
Het is op zich wel leuk om iets te leren en ergens beter in te worden en het resultaat van al die jaren ploeteren is, dat elke spier in m'n lichaam is getraind. Voel me daardoor ook sterk en tot alles in staat. Heb zelfs het idee dat ik door het trainen de migraine onder controle weet te houden.

Alleen de zondagen heb ik nu nog om uit te slapen, meegaan naar de kerk doe ik al niet meer zo vaak.
Dat zielige ellendige leven van mij, ik weet niet wie of wat ik thuis ben of waarom ik al jaren op deze school zit maar dan ook nog steeds naar de kerk en op je knieën moeten? Daar ben ik gelukkig vanaf, geen pijnscheuten meer die vanuit m'n knieën de bovenbenen inschieten.
(Voordat ik orgel speelde, zaten we vaak vooraan net achter opa en oma en de rest van de familie op de eerste en tweede rij. Na het orgelsucces ben ik helemaal achterin gaan zitten, tot de twijfel zo groot werd en ik alleen nog maar voor een bruiloft de kerst of begrafenissen de kerk binnenliep.)
Nu school gestopt is sta ik dus alle dagen in studio's. Ik word er niet vrolijk van, elke dag veroordeeld te zijn tot deze groep mensen. Het is geen geruststellend vooruitzicht. Alle dagen van de week alleen maar met dansers omgaan, die over niets anders kunnen praten dan hun vak. Dit is nooit mijn uitlaatklep geweest. Beetje triest dat je na veertien jaar bij zo'n moeder als ik heb, je dan gaat dansen om je eindelijk helemaal vrij te voelen. Dat ik met dans mijn depressieve jeugd kan verwerken. Ik vind het lachwekkend. Daar is wat mij betreft wel wat meer voor nodig. Iets wat ik hier thuis bij hen niet zal vinden. Er is me de afgelopen 5 jaar een kunstje geleerd maar ik bleef een buitenstaander. Militaire Dienstplicht zou een makkie voor me zijn geweest.
Dit is echt het toppunt van zinloosheid. Jezelf elke dag in het zweet werken. Ik ben doodop.
Evenzogoed heb ik ook best wel veel lol gehad op school, maar werd toch gezien als een slechte invloed op de collega's. De meesten waren heel serieus en wilden allemaal wel door in dit vak.
Ja, wat moet ik dan verder nog met al die mensen die ik hier weer heb leren kennen en die alleen maar met hun instrument bezig zijn of de hele dag willen dansen?
 

Na veertien jaren opgelopen spanningen en niet ingeloste verwachtingen ben ik doodmoe. Hoe ontsnap ik voorgoed uit deze verstikkende relatie met m’n moeder. Ook alle mensen die met haar omgaan vind ik niet leuk. Zij die zich teveel met haar bezig houden vallen voor mij door de mand en verliezen acuut mijn interesse. Die hebben voorgoed afgedaan en dat zijn er nogal wat.
Het lijkt wel of Bep vanaf de eerste dagen dat ik bij haar werd achtergelaten, de éne verkeerde keuze na de andere voor me maakt. Ik moest leren van haar te houden, puur uit zelfbescherming, ondanks dat ik al dicht klapte bij haar aanraking. Alsof ik aan het Stockholmsyndroom lijd. Ik ben nog maar een schim van de vrolijke optimistische jongen die ik was. Als ik geen piemel tussen m’n benen had gehad, was ik allang van school gesprongen. Maar hier in dit huis een einde aan m’n leven maken ga ik écht niet doen. Ik zal mezelf hier niet verhangen, of m’n polsen doorsnijden in jullie bad. Dat is natuurlijk wat iedereen verwacht: “Ach ja, die zielige jongen was als bastaard zoon van een promiscue kindvrouwtje toch al ten dode opgeschreven!”

Als er niets verandert, ben ik over dertig jaar nog niet van d’r af. Ik heb nog recht op een paar jaar leven zónder haar. Ze vindt dat ik voor mijn problemen wegloop, maar het grootste probleem hier is zij zelf. Ik gruwel van het vooruitzicht op een levenslange verbondenheid als lijfeigene van m’n moeder.
“Ik ben je moeder hoor, ik heb je godverdomme negen maanden in me gedragen, ja!!! Hou daar rekening mee!”
Dat ik tot mijn dood als een schijnheilige, latente homo vol zelfhaat in de heer blijf. M’n leven lang voor haar blijven zorgen, terwijl ze de ene na de ander sukkel lul “bevrijdt” en dan vervolgens haar afdankertjes krijgen: “Hé, je moet eens met deze man gaan praten, durft er niet voor uit te komen dattie op jongens valt. Lok hem maar lekker uit de tent, hij is ook graag in een heer!" Al die surrogaatvaders die ze nog voor me gaat vinden. Heb je een waardeloos leven? Kijk even op de Heereweg bij die hoer en haar bastaard. De gedachte alleen al dat ik dat huis nooit meer uitkom, dit dorp nooit meer verlaat, horror gewoon.
Als je zo alleen nog maar met pa en Dirk thuis zit, zal je me snel missen, dan moet je je agressie bij hen kwijt en dat pikken ze steeds minder van je. Ik vloek of schreeuw nooit tegen jou, maar je man en jongste zoon zijn het zat en beginnen nu terug te schelden. Ze hebben nimmer de confrontatie met je aan gedurfd. Nooit een discussie met jou overleefd, en nu gaan ze terugschelden: “Hou nou eens even je bek dicht, wil je?” Daar kun je het dan mee doen. Je doet nu wel alsof je aan hun kant staat maar ze weten dat ze geen partij voor je zijn als het er op aankomt, jij doet toch waar je zelf zin in hebt.

Bart zijn raad is ook niet echt welkom meer, hij weet totaal niet in wat voor wereldje ik gedrild ben. Als ik na jaren zwoegen voor een plek aan de top bij het Nationaal Ballet of het Nederlands Danstheater niet aangenomen word, dan ga ik toch lekker op een vakantieboot op de Rijn het Nederlandse publiek vermaken, daar zochten ze ook showdansers voor. Joh, écht waar pa? Zo van: Je hebt hier toch jaren voor getraind? Ga er nu maar je werk van maken en overal waar ze dansers zoeken solliciteren! Hij is gaan geloven dat ik dansen echt leuk vind en niet zonder kan. Dit was de man die zich in de gemeenteraad sterk maakte voor blokfluitles op alle basisscholen in de regio, mede door zijn wijf vond hij dat natuurlijk ook bij de opvoeding horen. Belangrijk hoor, cultuur! Asjeblieft pa, bespaar me je fantasieloze dorpsraad. Had me van ballet af gehouden. Dan had ik me als een kluizenaar lekker ergens in het dorp kunnen verschuilen. Net zoals Jan Ponsioen. Die heeft nadat hij uit z’n onbewoonbaar verklaarde bouwvallige huis was gezet, een leuk optrekje met wat grond en een paar schuurtjes gekregen.

Het huis waar hij is uitgezet stond op instorten maar was fantastisch om te zien. Sommige buitenmuren waren al deels verdwenen waardoor je zo zijn kamers inkeek. En wat deed Jan? Hij vulde de gaten op met boeken. Een huis met muren van boeken. Zijn bouwval gestut door literatuur. Dat beeld raak je niet meer kwijt.
In de tijd van de Kievitstraat gingen we wel eens bij hem langs op zijn nieuwe stek. Berend v. A. wist waar hij woonde en Jan had altijd wat te doen. We hebben in de zomer een keer de hele middag bij hem achter roestige kromme spijkers, recht zitten slaan met hamers. “Jawel hoor dat helpt wel, die kan ik nog goed gebruiken voor de verbouwing van m’n schuurtje!”
Jan Ponsioen woonde alleen met zijn katten. Als je z’n keet binnenstapte, had je eerst een portaaltje en je mocht alleen doorlopen als de buitendeur dicht was en de katten niet konden vluchten. Binnen hebben we op z’n bank gehangen en Berend pakt er, ongevraagd, altijd wat erotisch materiaal uit de slaapkamer van Jan bij. Als het mag, haalt Jan het biljart van achter zijn bank vandaan en gaan we biljarten. Laken vol met gaten van de motten.
Eten doet hij met z’n beesten. Daarvoor neemt ie z'n steelpannetje, legt er een stapel van 8 sneeën witbrood in, vult de ruimtes die overblijven aan de zijkant met sla blaadjes en maakt het af met een halve liter melk. Vork erbij, katten eromheen en eten maar.
De enige keer dat hij zich scheerde was als hij weer boodschappen in ons winkelcentrum kwam doen. Alpinopetje op, donkerblauwe overal aan met een zwarte riem om z’n middel, een colbertje waar de motten zich tegoed aan hadden gedaan eroverheen en een schone rode boerenzakdoek. Op z’n brommertje en helemaal op z’n netjes.

De ochtend dat ik mijn eindrapport uit de brievenbus scheurde en al zag dat ik niet door mocht voelde ik me bevrijd. Waren dit tranen van opluchting, of ook van verdriet over al die verloren jaren? Ik moet van school en het voelt als wraak op m’n moeder. "Hahaha, dat boerenzoontje van je heeft het niet gehaald: totaal gefaald!" Schiet er door m’n hoofd. Met de nieuwe adjunct M. Sarstädt die 1979 niet had meegemaakt, hadden ze iemand die de bezem erdoor kon halen. In die golf van mensen die eraf gestuurd werden zat Claudio al meteen, maar ik ook. Waarom heb ik hier zes jaar lang op gezeten? Ik had makkelijk aan iets anders kunnen beginnen. Mijn rapporten zijn allebei slecht, het tussen rapport dit jaar: 1 voldoende, 1 onvoldoende tot matig, 4 onvoldoendes, 1 matig en mijn gevoel voor dans is gewoon niet te beoordelen. Bijgevoegde opmerkingen: "Zijn prestaties zijn niet in verhouding tot zijn lichamelijke mogelijkheden, hij moet nu laten zien wat hij kan. Zo gaat het niet langer.” Mijn eindrapport was nog duidelijker: 1 voldoende, 4 matig en 14 onvoldoendes met een begeleidende brief en de bevestiging dat de opleiding voor mij na dit schooljaar niet wordt voortgezet.

Die winterdag dat ik op De Kaag door het ijs zakte, is exemplarisch voor m’n leven tot nu toe: Goed gemutst onderweg Bart en ik, vanaf ons eigen slootje bij de Beekbrug, één keer klunen bij de buren en bij het oude openlucht zwembad in Sassenheim, de Van Pallandtlaan over naar de Ringsloot, want onder de brug was het nog niet helemaal bevroren. Vanaf dat punt hadden we alleen maar ijs en we schaatsen, onder de A44 door, richting De Kaag. Gecommuniceerd werd er weinig, ik schaats gewoon achter pa aan en zie wel waar hij naartoe wil. Hij houdt zich aan zijn eigen tempo en ik raak wat achterop. Als we ter hoogte van Warmond op De Kaag een bocht willen nemen, zie ik vier boomstammen op het ijs liggen. Bart schaatst er gewoon tussendoor maar als ik nader, twijfel ik. Er is zwak ijs en pa is er al overheen geschaatst. “Als je snel bent gaat het wel!” Hoor ik hem nog roepen en ik zie hem in de bocht verdwijnen. Ik schaats een stukje terug om vaart te kunnen maken maar als ik de eerste twee bomen passeer, zak ik langzaam door het ijs. Bart is uit het zicht verdwenen. Geschrokken door de kou begin ik te zwemmen, de verkeerde kant op en steeds verder naar het midden van de plas, in plaats van naar de kant. Alles om me heen breekt natuurlijk. Maar ik houd m’n hoofd boven water. Dan hoor ik Bart achter me schreeuwen: “EUS!!! Omdraaien, hier naartoe… deze kant op!” Ik draai me om en zwem terug. Ik zie hem zitten op één van de boomstammen, bezig met zijn schaatsen en denk: “WAT??? Trek me eruit man!!!”
Daarna gaat hij languit op het ijs liggen en trekt mij uit het wak het ijs weer op. Bart kijkt ongelooflijk sacherijnig. Als hij weer op een boomstam gaat zitten en ik toekijk hoe hij zijn schaatsen weer onderbindt blaft ie me toe: “Hé, niet stil staan jij, kom op in beweging blijven!” Niet even een omhelzing op de goede afloop. Tuurlijk, ik moet in beweging blijven omdat ik “onderkoeld” kan raken. Bart was natuurlijk geschrokken en boos op zichzelf. Hij negeerde het waarschuwingssignaal voor bedrieglijk zwak ijs en was er zelf lekker stoer tussendoor geschaatst. Helemaal doorweekt nu, voelde ik me twee keer zo zwaar, maar ik had het wel lekker warm. We schaatsen een stukje terug en nemen de Ringsloot die op de Botersloot uitkomt, waarna we de afslag naar camping "De Wasbeek" in Warmond inschieten. Het is niet ver meer, maar nu blijft Bart de hele tijd achter me schaatsen en telkens als ik omkijk om te zien waar hij blijft schreeuwt ie: “Door schaatsen jij, schiet op!” Vreemd gewoon, dat hij zo bot blijft doen en waarom komt hij niet naast me schaatsen? Net schaatste die de hele tijd 25 meter voor me en nu blijft hij steeds achter me? Langzaam aan neemt de kou het over. Eindelijk zie ik de woonboot van ome Piet en tante Margret liggen. Daar kunnen we even bij komen. Binnen word ik meteen onder de warme douche gezet maar ik voel de kou al tot in m’n botten.
Ik denk terug aan een vakantie die ik hier doorbracht en bekijk de littekens die ik hier heb opgelopen: Tijdens de logeerpartij kwam ik bij m’n neef in bed terecht en moest er gevoeld worden. Hij heeft me de hele nacht liggen pijnigen. Ik nog zeggen dat het zeer deed maar hij was niet te stoppen. De dag erna, heb ik de hele dag bloed gezeken en er een litteken op m’n eikel aan overgehouden. Op m’n linkerbeen heb ik ook een grote, van het zelfgebouwde vlot. Dat gebeurde toen ik langs een spijker het vlot afgleed het water in. Bij het weer op de kant klimmen, kon ik het witte bot van m’n knie zien.
De douche is lekker warm, ik krijg het steeds kouder.
Als Piet ons met de Cadillac naar huis rijd, is Bep al ingelicht door tante Margret. Eenmaal terug op de Heereweg gaat alle aandacht uit naar Bart. Bep laat mij achter in de salon en loopt terug naar Bart die in de keuken staat. Hij had bijna zijn “zoon” zien verdrinken. Ik zit alleen in de grote salon te trillen en hoor hoe “vader” in de keuken instort en zwaar begint te snikken. Na drie dagen was ik weer een beetje op temperatuur.

Bep, had zich in haar jeugd ook “op glad ijs” begeven, en oeps! Daar was ik. Het probleem werd gedumpt in een wak, Breda, waar het een beetje kon rondzwemmen, want ik was niet de bedoeling. Maar vanaf het moment dat ze me er uit trekt, houdt ze me continue in beweging. Ik ben “onderontwikkeld” en blijf m’n leven lang door haar aangespoord en opgehitst worden om beter te presteren, steeds meer te doen en hoger te reiken.
Onderweg zeg ik wel dat ik het koud heb en even wil rusten, maar je schreeuwt dat ik door moet.

(Het drama met vader werd me na de kerk iets duidelijker, toen oma en opa K. op visite waren. Hij kreeg van opa, de wind van voren over zijn onvoorzichtige, onverantwoorde handelen met mij op het ijs. Toen ik gisteren door het ijs zakte, kwam bij Bart zijn jeugdtrauma naar boven. Ook opa had hem een keer bijna verloren en de herkenning bij beiden, doen de tranen in hun ogen opwellen.
Nu snap ik ook wel waarom die zo bot tegen me deed, nadat hij me uit het wak had getrokken.
Hijzelf mocht als kleine jongen eens meerijden terug van het land, boven op een wagen vol met strobalen. Maar de vracht was te zwaar en Bart was te licht. Na een bocht kwam er teveel beweging in de lading en al wiebelend, kantelde de hele boel naar opzij, zo de sloot in. Bart eindigde in de sloot, onder de wagen met strobalen en opa vreesde het ergste.
De wagen moest er eerst uit getakeld worden. Daarna nog alle strobalen, voor ze bij hem konden komen. Hij zat nat, maar levend in de sloot, in de loze ruimte tussen twee balen in en had nauwelijks een schrammetje.)

Na alles wat ik in Den Haag heb meegemaakt is het wrang dat me op deze manier, zonder verder perspectief te kennen wordt gegeven dat ik niet meer terug hoef te komen. Ik heb echt niemand op die school gehoord over wat voor opties ik had. Waar kan ik eventueel mee doorgaan, waar liggen nog kansen voor me, met en na deze opleiding? Niets.
Na dit verschrikkelijke depressieve jaar. Helemaal verbaasd was ik, toen ze vorig jaar vroegen of ik mee op pinksterkamp wilde in Drenthe. Zal wel uit medelijden zijn geweest. Aan het eind van het examenjaar met zeven anderen een week lang op een creatieve camping bijkomen. Frank onze charismatische geschiedenisleraar ging mee en naast vier meiden: Johanna L., Trea K., Angela L. en Marijke v.d.H., gingen ook de twee jongens waar ik verliefd op was mee, Rob S. en B. De meiden reden met Frank naar Drenthe, Rob, B. en ik worden door Bart gebracht.
Toen we een plekje in het bos gevonden hadden waar we ons konden installeren, ontstond er al meteen onenigheid. Ik had geen tent en er was van te voren afgesproken dat ik wel bij iemand anders kon slapen, maar B. wil ineens niet meer alleen met mij in een tent. Hij loopt het risico dat ik aan hem ga zitten deze week liever niet. Deze afwijzing deed me al meteen terug verlangen naar huis. Rob vind het lullig van hem en we slapen met z’n drieën opgekropt in zijn tent. Ik houd mezelf gedeisd de rest van de week.
Trea K. is waarschijnlijk verliefd op me maar daar ging ik niet voor mee.
Na drie dagen als vroeg in de avond iedereen met het eten bezig gaat, trek ik me even terug in de tent. Letterlijk en figuurlijk. Hierdoor lukt het me mijzelf weer een beetje te gedragen onder de mensen en ben ik niet zo gefixeerd op de jongens die meegingen voor de meiden. Ik doe verder niet veel deze dagen maar ze laten me ook met rust.
Een maand of wat later na de grote vakantie terug op school (want ik kreeg na het behalen van m’n MAVO diploma nog één jaar de kans om met ballet vooruit te komen) zie ik in de pauze de groep waar ik mee op kamp ben geweest apart met elkaar praten en om en om naar mij kijken. Marijke v.d.H. schijnt helemaal gechoqueerd te zijn. Er was wat gebeurt op de camping, maar wat? Ik richt me tot Johanna L. met de vraag wat er toch aan de hand is.

“Ben je nou echt zo naïef joh, heb je nou helemaal niet door wat je gedaan hebt?” Zegt ze, verontwaardigd. Ik denk, wat heb ik nou weer gedaan? En vraag door.
“Marijke ging jou roepen voor het eten. Deed ze de tent opzij, lag jij je daar af te trekken! Hoe denk je dat dat voor haar was?”
Stomverbaasd blijf ik haar het antwoord schuldig. Wat krijgen we nou zeg? Ze doet alsof Marijke door mij onheus is bejegend en in haar eerbaarheid is aangetast. Marijke mag zich gelukkig prijzen dat ze op zo’n ongedwongen manier geconfronteerd werd met het andere geslacht. Ik heb haar toch niet uitgedaagd of bepoteld? Ik heb haar niet eens opgemerkt toen ze de tent in koekeloerde. Wisten Rob en B. hiervan? Waarom zeiden die niets? Lieten ze me daarom met rust? Het is ook meteen over.

En dan dat verjaardagsfeestje van Cleo K. in Harderwijk, waar ik dacht dat er meer was tussen haar en mij. Waarom moest ik haar anders de hele avond liggen droogneuken met m’n tong achter in d’r keel? Maar dan maandagochtend bij ons weerzien op school zeggen dat er niks is? Het was wat haar betreft alleen maar voor het weekend omdat ze geen jongen had en de rest van de meiden die ze had uitgenodigd wel. Nou wat zielig dat je dan mij uitpikt, het stomste jongetje van de school. Ik heb me nogal liggen vervelen op die magere, droge venusheuvel van je. Dacht alleen maar aan die andere jongen op je feestje. Iemand anders zou dit niet pikken en je gewoon geslagen hebben. Oh, maar daarom koos je mij ook: Op dat naïeve, armeluis-, moederskindje kun je het zonder te vragen of verdere verplichtingen wel uitproberen.
Pas tegen het eind van het schooljaar stuurt Linda Goss, niet eens m’n eigen balletlerares, iemand van m’n groep op me af om te vragen of er misschien iets is, terwijl ik al een jaar rondloop met suïcidale gedachten: “Nee joh, gaat wel, dank je Renatus. Echt collegiaal van je.”

Als Geke R. en Renatus H. met het jaarboek bezig zijn, vragen ze aan alle leerlingen kleine quotes voor onder de foto’s. Ze blijven me tot het eind van het jaar vragen of ik geen leukere bijdrage kan verzinnen. Ik blijf erop staan dat ze m’n opmerking gebruiken, anders wil ik niet in het jaarboek: “Ik ben ziek, maar dat ben ik al sinds ik hier op school zit.” Ze houden woord en de opmerking wordt samen met een lelijke foto van mij die in de trein genomen is gepubliceerd.

“En als je dan nog leeft? Dan kom je in een rolstoel terecht!” “Ja, nou en? Dan rijd ik de lift in, ga naar de bovenste etage en doe het nog een keer!”
“Je bent depri Eus!” “Zeker weten, Carmp!” Dat was ons taaltje: Lekker gezelli samen en toch depri: "Nog een chillum volstoppen dan maar? Oh, ik ben m’n aansteker kwijt.” “Ja, en je verstand!”
Ok, toegegeven, dit jaar ben ik ook opgeroepen voor de militaire dienstplichtkeuring in Delft. Door het Conservatorium kwam ik terecht in de sectie: buitengewoon dienstplichtig, ondergebracht bij de landmacht. Dat zou ik als voordeel kunnen beschouwen.

Op een examenfeest in Delft, raak ik in gesprek met Gerard die destijds verantwoordelijk was voor het scheuren van die pees aan m’n heup tijdens krachttraining waar ik m’n leven lang last van zal blijven houden. Hij komt er midden in ons gesprek ineens achter dat ik er afgetrapt ben en zegt: “Oh, jij gaat niet door volgend jaar? Dan hoef ik niet meer met je te praten!” En weg was Gerard, opgelucht dat ie niet nóg meer energie aan me kwijt was.

Droom:
Het is het einde van de middag en het begint al een beetje te schemeren. Bij onze Beekbrug is wat ergs gebeurd. Er moeten wat lichamen van de bodem van de beek gehaald worden voor ze boven komen drijven. We voelen ons verplicht te helpen. Op de brug staan mensen te kijken die weten wat zich eerder heeft afgespeeld.
Wat er precies is gebeurd weten Rob en ik niet. Wij staan naakt aan de zijkant van ons huis te bibberen. Met z’n tweeën duiken we het water in. De beek blijkt diep en het zicht onderwater is slecht. We moeten alles op de tast doen. Op de bodem is het zaak dat we bij hetzelfde lijk uitkomen dus we houden elkaar vast tot we beneden zijn en als we grip kunnen krijgen op een van de gladde kadavers, zwemmen we ermee terug naar de oppervlakte en slepen het op de kant. Behoedzaam leggen we het loodgrijze lijk bij de anderen op het zwarte zeil en gaan voor de volgende, onder het toeziend oog van boeren en buitenlui.
:moorD.

Na de grote vakantie word ik elke dag door Bep op pad gestuurd om ergens in de buurt een baantje te gaan zoeken, want werkloos thuis blijven zitten zonder een bijdrage te leveren aan het huishouden zal niet gaan. Dus ga maar solliciteren bij groothandel De Digros, of de supermarkt, of bij een bollenboer.
Ze stuurt me ook meteen naar de Sociale Dienst voor een uitkering, want als ik 18 ben en thuis een kamer bezet houd, moet ik ze huur gaan betalen en eetgeld.
Hup, vanuit de elitaire balletwereld weer terug bij de gewone mensen en je boerenbollenfamilie. Ik vind boeren, het boeren, de boeren, helemaal niet erg. Op het Conservatorium ben ik trouwens altijd “het boertje” geweest: “Oh en wie kruipt er weer onder de barre door? Eug de zeug! Het boertje uit Lisse!” Hartstikke lekker om je buiten in het zweet te werken. Na al die jaren op het Conservatorium was dit ook best wel helend. Die noeste arbeid zonder gezeik aan de kop. Geen geschreeuw van thuis of school.
In de zomervakantie ben ik niet bij m’n eigen familie gaan werken, maar bij Koos Lamboo in de droogbloemen, op de Catharijnelaan, drie huizen verder dan waar opa en oma K. wonen. Zo’n goeie tijd gehad daar. Tussen de middag bij opa en oma eten en na het werk voor iedereen bloemen meenemen natuurlijk. Hier ben ik ook voor het eerst iemand tegen gekomen die "Eugène" heet. Alleen daarom al kan ik hem niet uitstaan. Wat een kutnaam.
Maar Koos was een trotse vent en als een vader voor me. Hij hield me in de gaten en ik voelde me gewaardeerd. Mijn eerste openbare biertje met de rest. Die ritten aan het eind van de werkdag, wanneer die vraagt of ik nog even mee ga naar een veld aan de Achterweg, waar nog wat partijen klaar lagen die voor zonsondergang naar binnen moesten. Hij op de trekker en ik met een rookpauze, achter op de aanhanger. Wat een overzichtelijk leven. Voor mij was het ondanks het zware werk een oase van rust bij hen op en rond het bedrijf.
Bep probeerde me wijs te maken, dat als je gestrest bent en gespannen, dat je dan moet denken aan een bos met z’n bomen. Daar wordt ze zelf ook weer rustig van.
Maar ik zie al jaren door al die bomen het bos niet meer en denk met weemoed terug aan die ritjes met Koos op de Achterweg. Hier voelde ik voor het eerst dat ik het op zo’n manier wel uit zou kunnen houden in Lisse. Werken bij Koos en m'n eigen schuurtje op het land. Bep ziet dat natuurlijk anders, ze vindt me intelligenter en wil “Dat ik er alles uithaal wat erin zit.” Ze is nooit tevreden of trots op me geweest. 't Is ook nooit genoeg voor haar.


Dagboek "Het Scrift" Augustus 1984 / Februari 1985,
met een foto van Paul Blanka.

Ja moe, je hebt me zelf jaren getreiterd, denk je dat ik wat aan jou raad heb? Jij hebt mij nog hele andere zaken uit te leggen en dat blijf je maar afhouden en uitstellen. Zo onderhand heb ik natuurlijk wel door dat ik een deel van het probleem ben. Niet alleen je slechte jeugd is een trauma. Ook met de manier waarop ik tot stand kwam, schijnt wat te zijn. Waarom heb ik nog steeds niet het hele verhaal? Moet ik er zelf over beginnen? Kom ik alleen meer te weten als ík steeds de juiste vragen stel? Het schiet niet echt op en het duurt me ook allemaal veel te lang. Ik wil er het liefst een punt achter zetten. Als ik niet vlucht van hier word ik knettergek. Het blijft éénrichtingsverkeer. Niemand lijkt ook door te hebben wat er speelt en niemand zal me tegen houden.
Maandag 24 september haal ik m'n laatste loon op bij Koos en wil meteen door naar Den Haag, maar 's middags pak ik toch eerst nog ff de fiets en rij naar de Maandagse Wetering. Toch even kijken of Jan er is en hem bijpraten over de oplopende spanningen en m’n ongedurigheid. Godverdomme hij is er niet. Vanaf mijn kamer op de Heereweg kan ik turend over de bollenvelden, de Leidse vaart en de spoorlijn zo de Teunisbloem zien 3 kilometer verder waar die woont. Met de verrekijker kijk ik zo zijn woonkamer binnen.
Het zijn twee verschillende werelden. Hier ben ik gestrest maar als ik naar Jan z’n stek rijd, is alles veel relaxter, alsof het daar elke dag zondag is. Het is er net zo dorps als de rest van de omgeving, maar hier in dit huis met Bep, Bart en Dirk voel ik me misplaatst. Ik ben ze al lang niet meer dankbaar dat ik er toen bij mocht komen.
Nu ik achttien ben, al vijf maanden, kan ik de onvermijdelijke keuze niet meer uit m’n kop bannen. Ik kan de jarenlange drang tot uitbreken niet meer weerstaan.
Voor de wet ben ik nu volwassen, dus ik mag gewoon mijn eigen weg gaan, toch? Zonder verder bang te hoeven zijn voor haar!
Hier heb je toch zo lang op gewacht? Waarom DOE je nix? Als je gaat zitten wachten tot pappie en mammie je volwassen genoeg vinden om op jezelf te gaan wonen, dan zit je hier nog wel wat jaren hoor!
Zij vinden dat ik nog niet heb bewezen dat ik die verantwoordelijkheid aankan. Ik kan niet met geld omgaan en heb nog geen werk.
Dus “op mezelf gaan wonen” is wat hen betreft nog helemaal niet aan de orde en verder ook nog geen onderwerp van gesprek geweest.
Ik moet het dus zelf uitzoeken. Maar ik zoek niet. Ik ga gewoon logeren op de bank, bij Claudio op de Statenlaan in Den Haag. Niet dat hij nou zo uitnodigend is, maar ik kan wel bij hem terecht.

Jarenlang periodes moeten doorstaan dat moe zo ziek was en we allen verwachtte dat ze de kerst niet zou halen of de winter niet zou overleven en ze leeft godverdomme nog. Voor mij is het één groot drama, waar maar geen einde aan komt. Als ik het had mogen zeggen dan was ze al lang opgenomen geweest.
Tegenwoordig is er de mogelijkheid om alles wat je meemaakt te kunnen streamen op (a)sociale media, nou dan had ik zo genoeg bewijs bij elkaar gehad om haar uit de ouderlijke macht te kunnen laten zetten. De meeste mensen zullen hun ogen en oren niet geloven. Hoe kom ik hier ooit overheen. Heb alleen maar mijn best gedaan, er niet aan onderdoor te gaan. Heb totaal geen puf meer om te dansen, laat staan, een baan.
Al mijn seizoenen zijn aangetast: Ruik ik dat het weer lente wordt, dan schiet de depressieve tijd uit de Kievitstraat door mijn hoofd met die stomme paastijd waarin ik jarig ben en al die schijnheilige, kinderachtige rituelen waarmee Bep de boel probeert op te vrolijken. In weer en wind vluchtte ik naar buiten om gezeik te ontwijken, conflict te vermijden en m’n verdriet te verbijten. Regen, sneeuw en hagelbuien weerhielden me niet van mijn onvermijdelijke rondje, tot ik de confrontatie met thuis weer aankon. M'n rondje, want hoe vaak ik ook wegliep, ik moest telkens weer bij hen terugkeren. Het heeft wel wat hoor, lekker keihard janken op de fiets terwijl de regen je in het gezicht slaat, zonder dat het opvalt.
Elke keer ook als dat mens een kamer binnenkomt, moet je polsen hoe de vlag erbij hangt: is ze goed geluimd, of gaan we een sfeerverpestende zedenpreek krijgen het komende uur? Moet er nog iemand alcohol en tabak voor haar halen, of zit ze er emotioneel helemaal doorheen en wil ze alleen wat bevestiging dat ze een goede moeder is geweest? Doodmoe word ik van d’r.

Dinsdag 25 September 1984.
Het was vroeg in de ochtend half negen. Koos had geen werk meer en ik lag nog in bed. Als er een paar keer wordt gebeld aan de voordeur, komt Bep m’n kamer in stormen. Kriegel en gepikeerd maakt ze me wakker: “Wát doe jij nog in je bed?” Naakt, met bungelende borsten, leunend over m’n ochtend erectie, schuift ze m’n gordijn opzij en kijkt door de balkondeuren of ze kan zien wie er beneden voor de deur staat. Ik ruik haar. “Kom, ga eens kijken wie dat is!” Commandeert ze.
Weer lekker wakker worden zo. Dan: “En moet jij niet werken?” Als ik zeg dat ik wat vrije dagen heb, bitst ze: “Hoezó heb jij vrij?” En ze holt alweer de kamer uit om zich aan te kleden en zelf te gaan kijken. De beller is helaas al vertrokken en ik hoor haar onder aan de trap schreeuwen: “Eus ik ga even sigaretten halen in Juff!”
Uitslapen kan ik dus wel vergeten, ik voel me opgefokt en moet onwijs nodig zeiken. Het was ook nooit eens iets van: “Hé, goeie morgen, ben je nog thuis Eugène, heb je vrij? Ik heb me verslapen, stom hè?” Nee tuurlijk niet: “Waarom ben je nog niet weg, joh! Wat doe je hier?”
M’n hartslag loopt verder op en ik breek. Ik kan deze constante dreiging om niks ook niet meer aan. De voortdurende terechtwijzing blijft een psychische afranseling, er is ál-tijd wat. Ik heb het helemaal gehad met haar ochtendhumeur. Als ik niet vertrek maak ik haar af. Wegwezen hier. Dit is nooit m’n huis geweest. Ik zal geen traan om je laten. Het moment dat ik haar de voordeur hoor dichttrekken en de auto het grindpad af hoor rijden, pak ik vastberaden zo snel mogelijk wat spullen mee en haast me zonder thee of brood, naar de bushalte. Nog voor mijn bus in zicht is zie ik haar alweer terugkomen en de auto naast het huis parkeren. Met bonkend hart stap ik op lijn 50, eindbestemming Leiden centraal. Als ik door het gangpad naar een zitplaats loop, werp ik nog een laatste blik door de grote achterruit. Ze komt niet naar buiten lopen. Ik vertrek naar Claudio in Den Haag.

Met het laatste loon wat ik van Koos heb, neem ik Claudio diezelfde avond mee naar de verjaardag van Harm v.d. G. in Driebergen. Maar we vertrokken te laat en treuzelden onderweg en verschenen rond de klok van 23:00 pas op de Buntlaan. Daar deed de vader van Harm de voordeur open en vertelde ons dat Harm al sliep. “Nou vooruit, dan. Omdat jullie die lange reis hebben gemaakt. Kom maar even binnen, dan kijk ik wel of hij nog wakker is!” Na een kort onderhoud en een versnapering, laten we Harm weer met rust. Dat ik vanochtend thuis ben weggevlucht, vertel ik ze niet.

De volgende avond hangt Bep natuurlijk al aan de telefoon: “JIJ KOMT GODVERDOMME meteen naar huis jongeman.
WIE denk je wel dat je bent, zo gaan wij hier NIET MET ELKAAR OM, mijn zoon, HIER WORDT GEWOON OVER DE DINGEN GEPRAAT als er iets is, Eugène!
Ik verwacht je vandaag of morgen hier terug, hoor je me?!”
Met een hartslag van 120 per minuut zeg ik resoluut: “NEE! IK KOM nietrug!”
“WAT krijgen we nou?” Tettert ze in m’n oor. Ik houd de hoorn iets van me af en kijk ernaar, ze is nog steeds goed te horen.
JE KOMT ONMIDDELLIJK TERUG EUGÈNE, LAAT ME JE NIET KOMEN HALEN JONGEN!!!” Klinkt het schel en ingeblikt, maar gelukkig ook ver weg.
Wat ben ik bang voor dit mens, dat ik dit durfde te zeggen, ben nog nooit zo brutaal naar haar geweest, m'n hart bonkt in m’n keel. Toch breek ik haar abrupt af en hang de hoorn weer terug aan de haak. Met een doffe klap laat ik me tegen de muur vallen maar ik voel m'n benen niet meer en kom op de vloer terecht, even bijkomen.
Godver! Ze lijkt in alle staten. Wat nu, het is al laat, ze zal toch niet? Belt ze Jan op, komt ze straks met Bart de Statenlaan oprijden? Of stuurt ze de politie op me af?
Terug beneden op de kamer van Claudio, waarschuw ik iedereen: “Als dat wijf het waagt om hier straks aan te bellen, verdwijn ik via de achtertuin!”
Maar dat deed ze niet, aanbellen.


Pasfotohokje,
Leiden Centraal Station,
1984.

Ik heb m’n toevlucht genomen op de Statenlaan in het Statenkwartier, in een studentenhuis van het Conservatorium. Hartstikke gezellig hier, tien minuten van het Scheveningse strand. Natuurlijk, ik zou ook zelf naar de politie kunnen stappen, maar ik wil eigenlijk nooit, niets, nix meer met het thuisfront te maken hebben. Zij waren niet de oplossing, maar het probleem.

vorige pagina - terug naar index - verder lezen.